Vogelkiekjes/XXX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXIX. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXX

XXXI.


[ 99 ]

XXX.


Van Katuilen en Torenvalken.

Lang niet alle menschen kunnen goed en kwaad van elkander onderscheiden. Er zijn tuinlieden, die de popjes van sluipwespen vernietigen, meenende hiermede eieren van rupsen weg te ruimen. Alsof rupsen eieren leggen? Het groote nut van de sluipwespen is hun onbekend.

Er zijn menschen, die de roeken verdrijven, omdat ze meenen, dat deze vogels evenveel schade aanrichten als raven en kraaien. Er zijn ook landlieden, die velduilen en torenvalken dooden, omdat de meening heerscht, dat deze vogels gevreesde roovers zijn. Men weet het niet, doch men moest het weten, dat de roeken gaarne engerlingen en kwatwormen en de genoemde roofvogels hoofdzakelijk muizen eten. Want het „onwetend zondigt niet” is eene uitdrukking uit den booze. De schadelijke gevolgen zijn er niet minder door.

Spaar de vogels en hunne nesten! Spaar de vogels!

[ 100 ] Deze twee zinnen mogen gedurig in alle scholen als voorbeelden voor kleinschrift en middelsoort dienst doen! 't Zijn gulden regels, die diep ingeprent moeten worden in alle jeugdige zielen. En de toelichtingen mogen niet ontbreken. Want velen gevoelen alleen nog maar iets voor de kleine pietjes, de lustige zangertjes uit bosch en rietland. Maar dat gevoel moet ontwaken en sterk worden ook voor de groote vogels uit weide en moeras, waarvan men steeds de eieren meent te mogen rapen, en ook voor roofvogels, waaronder er velen zijn, die ook den mensch tot nut strekken. En alle zijn het voorwerpen van verheffing.

Er zijn bij ons twee uilensoorten, die vederpluimpjes op den kop hebben, en daarom noemt men ze wel ooruilen en ook horenuilen, en de ronde starende oogen gelijken op die van de kat, en daarom worden ze ook katuilen genoemd. Het zijn de Velduil (Otus accipitrina [Pall.]) en de Ransuil (Otus otus [L.]).

We zullen de beide uilen bezien, en voor de eerste soort moeten we zijn in de duinpannen, op heidevelden en ook wel in veenachtige streken. We marcheeren tusschen dorens en struiken, en plotseling vliegt uit onze nabijheid op een vogel met tamelijk groote vlucht. Onhoorbaar en met lange wiekslagen strijkt hij weg, om weer spoedig te dalen. Nu de zon hel schijnt, kan de Velduil, want hij is het, weinig zien, ofschoon hij zich nog aanmerkelijk beter weet te redden, dan de andere uilensoorten. Zoo stil mogelijk gaan we verder, om de plek te naderen, waar we den vogel zagen neerdalen. Zie, daar zit hij, en zijn gele oogen staren ons aan! Ze zien wel, maar niet voldoende, om menschen, hunne vijanden, in ons te [ 101 ] herkennen. Toch bespeuren we aan de trillingen van de zwarte veertjes, die ieder oog als een kring omsluiten, dat er onrust bij den uil is. We hebben nog net tijd de donkere lengtevlekken van borst en buik en de kleine, dicht bijeen geplaatste oorpluimpjes te bezien, voordat de lange vleugels, die in rust tot over den staart reiken, worden gespreid. Licht als een veertje en geheel geruischloos vliegt de uil heen, om weer elders een beschaduwd schuilhoekje te zoeken. Als de lucht betrekt, of wanneer de zon ter kimme neigt, zal de vogel weder als geduchte muizenverslinder optreden.

In het voorjaar kan men hier ook zijn nest vinden, doch veel werk maakt de uil er niet van. Een kom is slechts matig of niet aanwezig, en de drie of vier witte, bijna kogelronde eieren rusten op een bedje van gedroogd gras. De uilenkinderen blijven in het nest, totdat ze hunne vleugels kunnen gebruiken.

Wanneer we nu ook zoo een Ransuil, die ook wel Groote Katuil genoemd wordt, in het gezicht konden zien, zou dadelijk de kleur der oogen opvallen. Deze toch is oranje. De oorpluimpjes zijn aanmerkelijk langer en verder uiteen geplaatst, dan bij den Velduil, en de lengtevlekken van de onderdeelen zijn van smalle, donkere dwarsbanden doorsneden. Hij broedt minder veelvuldig bij ons, dan de Velduil, doch in den winter zien we hem, vooral in de duinstreken, dikwijls in verscheidene exemplaren bijeen. Zijn nest moet men in boomen zoeken.

Zie, daar zweeft een roofvogel boven het terrein, waar we den Velduil zagen heentrekken. Dat is stellig geen uil. Neen, we hebben daar in te zien een vogel, die [ 102 ] even nuttig is voor den landman, als de beide uilen dit zijn, want ook hij zoekt thans naar muizen en moeilijk is hij te verzadigen.

Kijk, daar komt nog zoo'n vogel, maar die lijkt wat kleiner. Juist, de laatste is het mannetje-torenvalk (Cerchneis tinnunculus [L.]), die eenige c.M. korter is dan zijn wijfje. Gedurig maken ze „biddende” bewegingen, en af en toe daalt er een neder, om de prooi te grijpen en te verorberen. Roodvalk wordt deze soort wel genoemd naar de roodbruine kleur der bovendeelen, doch ook de naam Zwemmer komt veel voor, terwijl die van Muizenvanger sprekender is.

Mooi is zoo'n vogel door zijn langen waaiervormigen staart, en het mannetje is fraaier gekleurd dan zijn wijfje en de jongen.

De Torenvalk maakt gewoonlijk zelf geen nest, doch hij maakt gebruik van oude kraaien- en eksternesten. Soms ook vindt men de eieren in molens en kerktorens. Fraai zien deze weinig elliptische eieren er uit. Ze zijn geelachtig van grond en met samenvloeiende geelroode vlekken overdekt, als het ware. De variatie in kleuren is evenwel vrij groot.

En hiermede nemen we weder afscheid van de losgevederde katuilen en de sierlijke torenvalken, doch we doen het met den wensch, dat ze meer en meer in de achting der menschen mogen rijzen.