Arbeiders (Kielland)/XXII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXI Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XXII

XXIII


[ 218 ]

XXII.

Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal, waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan, of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar de Karel-Johanstraat om den optocht te zien; zoodat niemand tijd had te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan; wees hun, toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan het hospitaal.

In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen hier zekere madam Christine Mo bezoeken."

"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast.

"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht.

"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor [ 219 ] haar," zeide de opperloods om hem wat te troosten, kom meê, wij hebben hier niets meer te doen."

"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in.

Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden binnen.

Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken.

"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde, tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen.

"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor, "hoe gaat het met hem?"

De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de deur zag staan.

"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende, "die gaarne haar lijk wilde zien."

"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet."

Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over het voorhoofd, de wangen waren geheel in gevallen; zij zag er uit als eene oude vrouw.

[ 220 ] "Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in.

Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan een der slapen had.

"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan."

"De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. Neen, neen, beste man ... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand te reiken.

Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek.

Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan; hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend tegen elkaar sloegen.

"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde Njaedel.

"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien, wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf."

Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem, waar de minister Bennecken woonde.

Eindelijk stonden zij voor het huis.

Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte hem ter neer, [ 221 ] hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien: in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die schuld zou kunnen vrijspreken.

Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult slaan, denk er aan dat hij je broeder is."

"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel.

Anders was juist bezig zich te scheren.

Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich.

Hij stak zijnen broeder de hand toe. Zoo ben je eindelijk gekomen Njaedel..... daar hebt ge goed aan gedaan."

"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond hij dreigend voor hem.

"Wat heb je Christine aangedaan?"

Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw, toen hij die dreigende vuisten aanstaarde.

Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon:

"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, [ 222 ] zoo tegen je broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken, daar op de hoogte?"

Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam.

Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder, dien hij zoo had liefgehad!

"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd: jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en glad als een aal."

Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk.

En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur verspreidden, alles stond op eens zoo klaar voor hem; en te midden van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend, die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden.

En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg als sneeuw voor de warme lentezon, hij werd weer een kind, een groote, linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts: Anders.... Anders.... dat had je niet moeten doen!"

Toen zij in de poort waren, zeide Sechus:

"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken."

Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en snikte luid.

De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was; daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond zich [ 223 ] hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten.

"De koning is aangekomen!" riep het meisje, dat bediende[1]. Zij was in zeer slechten luim, omdat zij die twee boeren moest bedienen in plaats van eventjes den optocht te zien.



  1. In Scandinavië heeft men in vele restaurants geene kellners, maar jonge meisjes bedienen de gasten: vooral is zulks het geval in kleinere hotels.
     (Vert.)