Arbeiders (Kielland)/XXI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XX Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XXI

XXII


[ 204 ]

XXI.

Het was twee uur.

Delphin had de kamers in het huis van den minister gearrangeerd naar den smaak, die, zooals hij beweerde, op de Tuilerieën gedurende het tweede keizerrijk mode was geweest.

In het midden van het vertrek stonden geene meubelen, zoodat men zich daar ongedwongen kon bewegen; doch in alle hoeken half verscholen onder de [ 205 ] zware gordijnen, waren fauteuils en tabouretten geplaatst, waarom zich hoogstens drie of vier personen konden groepeeren.

Het was hem door zijne vroolijke invallen en door zijn talent, om alles met smaak en naar den zin van mevrouw in te richten, gelukt hare booze luim, ten minste gedeeltelijk, te verdrijven, en tevens was de kamerheer al de door hem gewenschte berichten, aangaande het plotselinge vertrek der door de natuur zoo stiefmoederlijk bedeelde kinderen, te weten gekomen. In de eetzaal stond eene zoogenaamde "koude tafel" gedekt,—een uitgezocht déjeuner met fijne wijnen en champagne. Het plan was, dat de gasten niet op elkaar met het eten zouden wachten, ongedwongen moest het toegaan, zoodat ieder die kwam zich dadelijk bedienen kon. Het moest op deze wijze toegaan, want allen hadden geen tijd lang te blijven:—de meesten hadden nog voor de komst van den koning het een en ander in orde te brengen. Men kon niet met zekerheid zeggen, wanneer de gastheer zou verschijnen, want hij had nog veel werk voor de borst en daarbij was Daniel, vertelde mevrouw op vertrouwelijken toon aan Delphin, zeer slecht gehumeurd.

In de salons zag men langzamerhand verschijnen: militairen in groot tenue, heeren ambtenaren in uniform, de voornaamsten der geestelijkheid met stijve, gepijpte kragen en ordeteekenen, verder twee of drie ministers en eenige eerzuchtige advocaten, die zich op de eerste trede van de ladder bevonden.

De groothandelaar Falck-Olsen trad in zijn nieuwe uniform van de "gele vereeniging," de salon binnen. Ik heb de Champagne aan de achterdeur laten bezorgen," fluisterde hij mevrouw toe, terwijl hij haar de hand drukte.

Daarna zag hij links en rechts om zich heen, en aan ieder, dien hij ontmoette, vroeg hij wanneer minister Bennecken zou komen. Eindelijk stond hij vlak bij den [ 206 ] kamerheer Delphin, die zijne fraaie uniform zeer bewonderde.

"Gij ziet er uit als een zweedsch officier," zeide de kamerheer tot hem.

De groothandelaar rammelde onder het gesprek telkens met zijnen sabel en wierp ter sluiks eenen blik in den spiegel.

"Gij kunt niet half gelooven, beste kamerheer, in welke pijnlijke verlegenheid ik geweest ben bij de keuze van een paard, want mijne prachtige zwarte merrie is eigenlijk een koetspaard. Nu heb ik wel een Isabella, een mooi dier met prachtige manen en zoo glad van huid en rond van vormen, dat het een lust is het dier te zien—ik heb het van een paardenopkooper van de Westkust gekocht—maar het ongeluk wil, dat het dier een weinig klein is en—"

"Napoleon bereed altijd kleine paarden," zeide Delphin.

"Werkelijk!" riep de heer Falck-Olsen verheugd uit, "en denk eens, de kolonel zwoer bij hoog en bij laag, dat mijn Isabella te goed was voor het gele corps."

"Maar gij zult toch het mooie dier berijden," vroeg Delphin op eenen toon, alsof hij 't een zaak van 't grootste gewicht beschouwde.

"Ja, ik neem mijn Isabella," antwoordde de groothandelaar op beslisten toon.

Onder de laatst aangekomenen bevond zich de ambtman Hiorth van de Westkust. Hij was kort geleden in de stad gekomen en het gerucht wilde, dat hij den ouden Falbe zou vervangen, die afgetreden was, na den—zelfs voor een noorsch minister—eerwaardigen ouderdom van 82 jaren te hebben bereikt.

Hiorth gaf zijn genoegen te kennen den kamerheer Delphin te ontmoeten, die in vroegere jaren bij hem als jong advocaat werkzaam was geweest, en hij verzocht de kamerheer hem aan dezen en genen der meest [ 207 ] invloedrijke lieden voor te stellen. In vele jaren was hij niet in de hoofdstad geweest; velen waren hem dus onbekend.

Intusschen was hij spoedig weer op hoogte, want voor het meerendeel droegen de gasten nog die half Duitsche uit den Deenschen tijd ingevoerde namen, die volgens een geheimzinnig erfelijk recht eenige vette landsposten aan zich verbinden. Niet alleen schijnen deze heeren de namen en betrekkingen hunner vaderen te nebben geërfd, maar zelfs in hun voorkomen hebben zij iets behouden, dat aan den tijd van Frederik den Zesde herinnert: hetzelfde regelmatige; wel gevormde profiel, hetzelfde kleine ronde hoofd, denzelfden stijven hals en hetzelfde gelaat, door eenen korten, stoppeligen baard omgeven, dat van voortdurende bescheidenheid getuigt.

Naar Delphins plan had het gezelschap zich in de hoeken en bij de ramen in kleine groepjes verdeeld, terwijl men midden in de vertrekken meest twee aan twee ging, anderen waren nog om de tafel geschaard of met hunne borden in de andere kamers verdwenen. Om een rijzig mager heer met een langen grijzen baard, een Noorsch beeldhouwer, die zijn atelier in Stockholm had, hadden zich ook vele gasten verzameld.

Naar men zeide, was hij te Christiania gekomen om gedurende de aanwezigheid van den koning, de belangstelling voor een nationaal monument, waarvan hij eene schets ontworpen had, op te wekken.

Het was eene groep, die de vereeniging tusschen Noorwegen en Zweden moest voorstellen; het plan bestond, het monument op de Eidsvoldsmarkt vlak voor het Storthinggebouw te plaatsen. Hij had de schets, verkleind en in potlood bij zich, en liet die aan hen, die om hem heen stonden, zien.

De omstanders legden veel belangstelling aan den dag en prezen de schets zeer, want allen waren genoeg met [ 208 ] den loop der zaken bekend om te begrijpen, dat, als men tot lid van het Comité werd benoemd, men zeker op een ordeteeken kon rekenen.

De schets stelde Svea[1] voor als eene zittende vrouwelijke gestalte; de eene hand rustte op een zwaard, terwijl de andere arm om den hals van eenen kleinen knaap, die naast haar stond, geslagen was.

De kunstenaar vertelde, dat volgens het oorspronkelijke plan de knaap op de knieën van de vrouwelijke flguur had moeten zitten, maar, daar hij in aanmerking had genomen, hoe licht geraakt de Noren van natuur zijn; had hij den knaap naast haar geplaatst, zoodat iedereen dadelijk zien kon, dat de figuren denzelfden rang innamen. Om dezelfde reden had hij den knaap een' grooten helm opgezet, die hem over de ooren zat, en een groot slagzwaard rustte tegen zijnen schouder, hetgeen—half humoristisch—moest uitdrukken, dat, zoo het noodig zijn mocht, de kleine knaap zich de vijanden van het lijf zou kunnen houden.

Als een volleerd hoveling antwoordde de kunstenaar op al de indirecte vragen, die hem aangaande de samenstelling van een comité werden gedaan, dat de minister Bennecken aangeboden had, daarvoor te zorgen.

De kamerheer Delphin had den ambtman Hiorth aan een der voornaamste predikanten uit de hoofdstad voorgesteld. Zij stonden bij een venster te praten, maar, daar zij volstrekt niet met elkander bekend waren, liep het gesprek over het verschil, dat er bestaat tusschen het leven in eene stad en buiten, en over dergelijke algemeene onderwerpen.

Na een paar onbeduidende opmerkingen kreeg de ambtman gelegenheid te zeggen: "Het verwondert mij dikwijls, dat er tegenwoordig zulke valsche, scheeve voor [ 209 ] stellingen over ons volk in de wereld in omloop zijn. Ik moet er mij steeds over verbazen; want iemand in mijne betrekking, die altijd te midden van het volk leeft, is meer dan iemand anders in staat over de toestanden te oordeelen. Mijne dagelijksche bezigheden brengen mij onophoudelijk met het zoogenaamde "Volk" in aanraking; ik spreek den boer in zijne slechte en voorspoedige dagen, ik ben bekend met zijne goede, zoowel als met zijne slechte eigenschappen."

Hier viel zijn toehoorder hem haastig in de rede: "Gij denkt er juist over als ik. Ik ben langer dan vijf jaar predikant in eene kleine gemeente op het land geweest, en durf zeggen, ofschoon ik er mij in het minst niet op wil beroemen, dat niet vele predikanten zooals ik in en met het volk hebben geleefd, maar juist daarom schijnen mij die moderne, hoogdravende phrasen, waarin men de boeren zoo ophemelt...."

"Ja, niet waar," zeide de ambtman tevreden: deze beklagenswaardige overschatting van het volk, is in den grond niets anders dan een dekmantel voor verborgen eergierigheid...."

"En ongeloof," vulde de predikant aan. De beide heeren begrepen elkander nu volkomen en zetten het gesprek op een vertrouwelijken fluisterenden toon voort.

De Redacteur Mortensen verscheen zeer laat. Hij behoorde tot de weinigen, die nog geen ordelintje in het knoopsgat hadden. Aan de familiare wijze, waarop hij dezen en genen groette, kon men evenwel zien, dat hij een man was, die vasten grond onder de voeten had.

Hij was in werkelijkheid gedurende de laatste jaren, sedert hij de Redactie van den "Waren Vriend des Volks," op zich had genomen, een geheel ander mensen geworden. Zijn linnen was nu altijd hagelwit en er lag in de wijze waarop hij zich presenteerde die voorzichtige deftigheid, welke den vertegenwoordiger der pers zoo goed staat.

[ 210 ] Delphin nam hem scherp op en kwam tot de conclusie, dat mijnheer de Redacteur eene geheime conferentie met den minister moest hebben gehad.

Dit was ook het geval geweest.

In het begin was de toon van den minister vrij scherp geweest; hij begreep niet dat zulk een verzuim, de stukken in den chaos betreffende, had kunnen plaats hebben; Mortensen nam de vrijheid den minister in de rede te vallen met aan te merken:

"Ja die Mo, Excellentie, schijnt niet recht meer te weten, wat hij zeggen of zwijgen moet; hij begint onbruikbaar, zoo niet lastig te worden. Hij gaat in de bureau's rond en vertelt allerlei rare geheimzinnige histories aangaande eene zekere madam Gluncke, die...."

"Hm...." antwoordde de minister. "Ja gij hebt gelijk; reeds lang ben ik ontevreden over hem, hij schijnt kindsch te worden."

De minister sloeg nu een geheel anderen toon aan en toen Mortensen het vertrek verliet, straalde zijn bolbleek gezicht van innige tevredenheid.

Er lag nog iets triomfeerends in zijne trekken, toen hij Delphin naderende, vroeg: "Wilt gij zoo goed zijn mijnheer Delphin, mij aan den ambtman Hiorth voor te stellen."

"Neen," antwoordde de kamerheer kortaf, terwijl hij voor den spiegel staande, zijne Wasa-orde wat terecht schoof.

Mortensen beet zich van woede in de lip, doch zeide kalm: "De minister heeft uitdrukkelijk zijnen wensch te kennen gegeven, dat ik u zulks zou vragen."

Delphin haalde de schouders op, en bracht Mortensen naar de plaats, waar de ambtman Hiorth stond te praten.

"Mijnheer de ambtman! Ik heb het bevel ontvangen u den commies Mortensen voor te stellen"; na deze woorden gezegd te hebben, verdween hij dadelijk.—Den geheelen tijd had hij getracht Hilda te ontmoeten, in al de kamers had hij haar gezocht, maar nergens was zij te vinden.

[ 211 ] Mortensen zwoer in stilte zich bij gelegenheid op den kamerheer over deze behandeling te zullen wreken. Hij verklaarde in een paar woorden aan den ambtman Hiorth, wie hij eigenlijk was, waarop zich terstond een vriendelijke plooi op diens gezicht vertoonde.

Geruimen tijd spraken zij met elkander, en Mortensen haalde een klein notitieboek voor den dag, waarin hij eenige biografische détails, die den ambtman hem meedeelde, opteekende. Het gesprek liep daarna over de vragen van den dag, en de ambtman drukte zijne verontwaardiging zoowel als zijne bekommering uit over de zware, moeielijke tijden, die men beleefde.

De Redacteur antwoordde geruststellend:

"Och; zoo lang ons land zich mag verheugen een' ambtenaarsstand te bezitten als de onze...."

"Ja, ja, op de predikanten en rechters kunnen wij ons geheel verlaten," zeide de ambtman, terwijl hij beproefde de deftige handbeweging, welke hij Bennecken had afgezien, te maken.

"En met mannen aan het roer van den staat, als de minister Bennecken! o, daar komt hij! .... welk een man! iets eerbiedwekkends omstraalt hem."

"Vindt gij niet, ambtman, dat hij in het oog vallend op Goethe gelijkt."

"Ja, werkelijk, werkelijk!" mompelde deze.

De minister was door eene deur, waarvoor eene portière hing, binnengekomen, zoo dat het gezelschap niet dadelijk bemerkte, dat de gastheer zich onder de gasten bewoog.

Hij was in zijne ministerieële uniform gekleed; een menigte sterren en kruisen versierden de borst, den driekanten steek hield hij onder den arm en de handschoenen had hij in de hand. Met de rechterhand groette hij naar weerskanten zijne gasten en ging glimlachend en het hoofd een weinig naar achteren geworpen, met deftigen tred door de salons.

[ 212 ] Hij gaf de hand aan een' zijner collega's en fluisterde hem eenige woorden in, welke de andere met een vertrouwelijk glimlachje beantwoordde. In de onmiddellijke nabijheid van den minister werd het gesprek op gedempten toon gevoerd, allen hadden, terwijl zij schijnbaar het gesprek voortzetten, slechts oog voor den minister.

De groothandelaar Falck-Olsen, die eigenlijk een kwartier geleden al in den zadel had moeten zitten, naderde nu ook zijne Excellentie, niet als in vroegere dagen, toen hij gaarne aan een ieder wilde toonen op welken vertrouwelijken voet hij met Bennecken stond, neen, nu was op zijn gezicht de grootste dienstvaardigheid en eerbied te lezen.

De minister boog zich tot hem en de heer Falck-Olsen fluisterde hem in 't oor: "Ik neem de Isabella."

De voorname heer knikte toestemmend; als een koerier, die het hof met gewichtige dépêches in den zak verlaat, ijlde de groothandelaar door de salons; zijne sabel rinkelde en de spik-splinternieuwe uniform glinsterde in de fraaie vertrekken, vriendelijk beschenen door de vroolijke Meizon.

Onderwijl zette de minister zijne wandeling voort, hier een vriendelijk woord zeggende, elders de een of andere instructie gevende.

"Ik heb eenen president voor uw Comité gevonden," zeide hij tot den beeldhouwer, "den ambtman Hiorth."

"Hm!.... de heer, die daar ginds bij het raam staat," vroeg de kunstenaar, die eenigszins door de keuze teleurgesteld was, maar als welopgevoed man natuurlijk er niets van blijken liet, "maar wanneer ik vragen mag, Excellentie, is deze heer niet een vreemdeling in de hoofdstad?"

"Hij zal dit niet lang meer blijven," fluisterde de minister hem in.

"O, zoo.... ik begrijp!" antwoordde de andere en trok de wenkbrauwen samen.

[ 213 ] Nog bemerkte men, dat de, minister ook de hand aan den ambtman Hiorth reikte, welke eer hij, uitgenomen aan zijne collega's, niemand der andere gasten had bewezen; nu scheen het aan geenen twijfel meer onder hevig—Hiorth zou tot minister benoemd worden, te eerder omdat de oude Falbe zijn ontslag had aangevraagd.

"Wij staan er juist over te praten, Redacteur Mortensen en ik, hoe goed het toch is, dat wij in deze moeielijke tijden ons onbepaald kunnen verlaten op de predikanten en de rechterlijke macht." De ambtman zeide dit met eenige trotschheid.

"Of met andere woorden," antwoordde de minister, "dat de godsdienst en de gerechtigheid op onze zijde zijn."

"Welk een man!" zeide op gedempten toon ambtman Hiorth; toen de minister verder ging; onwillekeurig moest hij zijne uitdrukking met die van den grooten staatsman vergelijken, en terwijl hij het raam uitzag, voegde hij er bij: "och ja, veel wordt er toe vereischt zulk eene betrekking goed te kunnen vervullen."

"Sta mij toe, min.... ambtman," viel Mortensen hem op zeer eerbiedigen toon in de rede, "sta mij toe u op eene goede oude uitdrukking opmerkzaam te maken, namelijk, dat God met het ambt ook het talent en de kracht verleent, om het goed te vervullen."

"Dank, dank voor die woorden," waarde Redacteur riep de ambtman uit, en hij drukte hem met warmte de hand; "ja, gij hebt gelijk, alle kracht komt van boven," en hij sloeg zijne oogen naar den helderen blauwen lentehemel, die zich boven de daken welfde.

Nu begonnen de jonge ambtenaars, Hiorth en Bennecken, de champagnekurken te laten knallen: hun was op dezen gewichtigen dag opgedragen voor den wijn te zorgen.

De gasten gingen terug naar de eetzaal, waar de minister langzamerhand de voornaamste van hen aan het boveneinde van de tafel verzamelde. Eene plechtige stilte [ 214 ] ontstond toen hij zijn glas ophief en aldus begon:

"Mijne heeren! wanneer ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan, zoo rijst bij mij onwillekeurig de vraag op: wat is het eigenlijk, dat ons allen zoo vast samenbindt? Het is de gemeenschappelijke arbeid, de gemeenschappelijke gehechtheid voor onzen verheven monarch!"

Mortensen, die achter een venstergordijn aanteekeningen maakte, moest even lachen. Hij dacht aan de rede, die hij in deze zelfde zaal en over hetzelfde onderwerp had gehouden, doch voor een ander publiek.

Vandaag nam de rede van den minister eene hoogere vlucht dan gewoonlijk, inzonderheid schreef Mortensen zeer nauwkeurig het slot op.

"Ja, mijne heeren! Zooveel wordt er in onze dagen gesproken; dat de tijd, dien wij beleven, een tijd van werken is; maar slechts weinigen zijn er—en ik betreur zeer dat het zoo is—slechts weinigen zijn er, zeg ik, die recht begrijpen, wat de ware arbeid is en wie eigenlijk de ware arbeiders in het land zijn; Het zijn.... (de spreker zag rond) die kring van mannen, die de orde hooger schatten, dan hun eigen voordeel; die trouw en gehoorzaam verkleefd blijven aan de onomstootelijke waarheden, die ons door onze vaderen in hunne staatsinstellingen en in hun vroom geloof zijn nagelaten,.... die de diep gewortelde overtuiging hebben, dat hetgeen in een tijd van oplossing en verdeeldheid een' staat te zamen houdt, en eenen sterken band bindt om het beste wat de natie bezit, uitgaat van en zich concentreert in den heiligen persoon van den vorst. Mijne heeren! God beware Zijne Majesteit, onzen geëerbiedigden Koning!"

"Leve de Koning!" gilde de overste kolonel-luitenant Grobs, en hierop volgde een drievoudig hoera, dat de ruiten er van rinkelden; zelfs de meest stijve [ 215 ] bureaulisten schreeuwden, dat zij er blauw van zagen, terwijl zij elkander zijdelings aankeken om te zien of ieder zijnen plicht deed.

Toen de stilte wat hersteld was, kwam de bediende van den minister haastig binnenloopen, en met eene diepe buiging overhandigde hij een telegram op een zilveren presenteerblaadje.

De minister opende en las de dépêche; de grootste stilte heerschte in de zaal. Niemand van het gezelschap durfde bijna ademhalen.

"Mijne heeren! binnen een half uur kunnen wij den Koninklijken extratrein met den Koning verwachten."

Eene algemeene beweging ontstond: de minister hief even de hand op—weder werd het doodstil.

"Mijne heeren!" zeide hij op plechtigen toon, "ieder op zijnen post. Het oogenblik is ernstig; Zijne Majesteit verwacht, dat ieder zijnen plicht doe!"

Na deze woorden geuit te hebben, groette hij het gezelschap vluchtig, gaf den ambtman Hiorth een teeken hem te volgen, en verdween met dezen door de kleine deur, waarvan de portière onhoorbaar toeviel.

In geestdriftvolle stemming namen de gasten afscheid, en Mortensen schreef in zijn notitieboekje: Het was een van deze merkwaardige nooit te vergeten oogenblikken, in welke men als het ware den polsslag der wereldgeschiedenis voelt.

Mevrouw Bennecken had reeds vroeger de gasten verlaten. Al de gemoedsbewegingen, gedurende den ganschen dag ondervonden, hadden haar zoo geschokt, dat zij zich gekleed op haar bed had geworpen, waarop zij in hevig snikken was uitgebarsten.

In de salons wandelde Delphin eenzaam heen en weer. Hij behoefde eerst tegen het souper op het slot te verschijnen, en het was hem onmogelijk het huis te verlaten zonder Hilda te hebben ontmoet. De bedienden [ 216 ] namen de tafel af, dronken den nog in de glazen en flesschen aanwezige champagne en waren zeer vroolijk. Delphin kon dus onmogelijk langer in de eetzaal en het aangrenzend vertrek blijven, en trok zich in de verst afgelegen kamer terug ontevreden op zich zelf, weifelende wat hem te doen stond, maar voelende dat het hem niet mogelijk was heen te gaan, zonder haar gesproken te hebben. Eindelijk riep hij een der dienstmeisjes en vroeg, waar juffrouw Hilda was.

"Juffrouw Hilda is op hare kamer bezig met pakken. Weet u niet, dat de juffrouw van avond naar Amerika vertrekt," vroeg zij en hare mooie oogen hadden van de Champagne een nog helderder glans gekregen.

Delphin, die door deze woorden onaangenaam getroffen werd, zeide kortaf:

"Vraag juffrouw Bennecken uit mijnen naam, of zij de goedheid wil hebben een oogenblik hier te komen; ik zou haar gaarne even willen spreken."

Toen het dienstmeisje was weggegaan, bleef hij verschrikt voor den spiegel staan. Wat had hij gedaan?

Wat wilde hij eigenlijk van haar? Was hij niet te ver gegaan? hoe zou hij er zich weer uithelpen? En wenschte hij dit niet het meest?

Na verloop van eenige minuten kwam Hilda binnen. Aan hare oogen kon men zien, dat zij geschreid had, maar toch lag er over haar gelaat eene bijzondere kalmte. Delphin bemerkte dit dadelijk.

"Arme mama!" zeide zij, terwijl zij hem beide handen reikte; het is haar zoo zwaar gevallen zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat Johan en ik zulk eene verre reis gaan ondernemen. Ja, ik zelf heb moeite te gelooven, dat zij door zal gaan."

Delphin vergat haar te antwoorden, zoo veranderd kwam zij hem voor. Hare verlegenheid, bijna zou men het hebben kunnen noemen, schuwheid was geheel [ 217 ] verdwenen. In haar eenvoudig toilet zag zij er zoo vastberaden en reisvaardig uit, en er was zoo iets zekers in hare stem en in geheel haar voorkomen, dat het hem niet gelukken wilde den half schertsenden, half beschermenden toon, waarop hij gewoonlijk met haar sprak, aan te slaan.

Meer door de toon zijner stem, dan door de woorden, die hij sprak, keek Hilda op. Hunne oogen ontmoetten elkander voor eene seconde en er ontstond eene pauze.

"Er is niets, dat u terughoudt niet waar?" vroeg hij op bitteren toon.

"O ja, dat weet gij heel goed," luidde haar antwoord en hare oogen vulden zich met tranen.

Hij zag haar van ter zijde aan; zoo als zij daar stond het hoofd wat voorover gebogen, terwijl zij zenuwachtig met haren zakdoek speelde, vroeg hij zich af, of zij dan werkelijk zoo leelijk was?

"En er is niets, dat u terughoudt?" Hij wist niet, dat hij dit reeds had gevraagd.

"Waarom wilt gij mij het afscheid zwaarder maken, dan het reeds is," vroeg zij bijna onhoorbaar en begon te schreien. George Delphin ging het vertrek een paar maal op en neer. Hij gevoelde, dat het leven hem eene goede kans bood en dat het nu voor het laatst zou zijn. Al het goede dat in hem was, trachtte hij te verzamelen, maar toen hij voor haar stond, hief zij even het hoofd op, en zeide:

"Neen, ik wil niet meer schreien. Ik voel, dat een gelukkiger leven mij daar wacht, dan mij ooit hier ten deel zou kunnen vallen. Vaarwel kamerheer—hartelijk zeg ik u dank voor uwe vriendschap."

Zij reikte hem de hand en keek hem met de trouwe gazellen-oogen, die vol tranen stonden, moedig aan. Op dit laatste oogenblik zag hij dat zij schoon was—maar toen was het te laat. Zij verliet het vertrek en liet de deur [ 218 ] half open. Het leven, dat de bedienden in de zaal maakten, drong weer tot hem door. Hij stond voor een oogenblik roerloos, nam toen zijnen hoed en verliet het huis. Op de trap werd hij ingehaald door den jongen Hiorth en door Bennecken, die juist van den zolder kwamen. Met levensgevaar hadden zij eene vlag uit het dakvenster gestoken.



  1. Zweden