Arbeiders (Kielland)/XXIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXII Arbeiders van Alexander Lange Kielland

XXIII

XXIV


[ 223 ]

XXIII.

Het was buitengewoon heerlijk weer voor zóó vroeg in het voorjaar. De namiddagzon schitterde in de ruiten, en wierp over het slotpark een lichten sluier, waardoor het slot in al zijne schoonheid tegen den prachtig gekleurden voorjaarshemel uitkwam. De dikke kruitdamp van de saluutschoten, die te Akershus waren gelost, verspreidde zich, de vlaggen wapperden overal feestelijk, en van alle kanten stroomde het volk naar de Karel-Johanstraat, die langs de trottoirs reeds vol menschen stond.

In de geopende ramen zaten of lagen de dames in de nieuwe voorjaarstoiletten, de jonge heeren stonden achter hare stoelen en waren geestig, of deden hun best het te zijn. Vóór het perron van het station waren de politie-agenten ijverig bezig eene groote plaats open te houden; "het gele Corps" stond reeds in al zijne pracht voor het stationsgebouw; de groothandelaar Falck-Olsen zat stijf en deftig op zijne Isabella, en keek naar het volk.

[ 224 ] De trein, waarmee de Koning verwacht werd, kwam eindelijk aan en men wachtte op het einde van de ceremoniën, die bij de ontvangst op het perron gewoonlijk plaats vinden. Van de kade en uit alle kleine straten waren de menschen bij het stationsgebouw saamgestroomd: zeelui, sjouwers, vrouwen en werklieden.... een weinig voornaam publiek dus om mee te beginnen.

Toen eene stem uit die menigte luidkeels riep: "Leve de Koning! Hoera!" werden deze woorden slechts flauw door eenigen herhaald. Eene doodsche, onaangename stilte heerschte, terwijl de voorname heeren in de gereed staande rijtuigen stapten.

Voorop marcheerde het "gele corps," dan volgden de koninklijke equipages; over de markt ging de stoet en door de nauwe passage bij Dijbwadgaarden. Hier en daar riep een getrouw burger uit al zijne macht "Hoera!" maar de al te groote geestdrift van een' enkele scheen de menigte te weerhouden de kreten te herhalen; zoo ging het den geheelen tijd tot dat de optocht de kazerne van de brandweer voorbij was.

Toen ging het wat beter, en de Zweedsche heeren en het gevolg des konings knikten elkander verheugd toe; bij de Akerstraat en bij de Egermarkt werd het geroep meer algemeen.

De prachtige oprijlaan, die van het Storthing-gebouw naar het slot voert, werd in al hare schoonheid beschenen door de vroolijke voorjaarszon. De fraai uitgedoste gele ruiters in vollen draf, het groote aantal rijtuigen, de prachtige uniformen, de talrijke groepen van netgekleede personen, die een hoerageroep aanhieven—alles verhoogde de feestelijke stemming, zoo dat nu werkelijk met geestdrift het "leve de Koning!" werd geroepen. Toen de stoet voorbij was, zagen allen, die op de Karel-Johanstraat stonden, naar het slot, waar zij ruiters en rijtuigen als een glinsterende slang de hoogte zagen [ 225 ] beklimmen, terwijl het stof, door de koninklijke equipages in beweging gebracht, als eene goudgekleurde wolk omhoog steeg en zich over het volk uitbreidde, alsof het dit wilde zegenen.

Het plein voor het Stations-gebouw was spoedig geheel verlaten, want de meesten keerden naar hun werk terug. Niet allen evenwel: eene menigte vrouwen en jongelieden volgden den stroom naar de stad, zij waren eenmaal in eene feestelijke stemming en vonden, dat het tot niets diende den arbeid weder te beginnen.

Het was zoo zacht in de lucht, en het weer was zoo mooi, en dan had men gehoord, dat er eene illuminatie zou plaats hebben en meer dergelijks!

De koning had in den loop van den winter aan eene keelziekte geleden en om zijn herstel te vieren hadden de studenten een' fakkeltocht naar het slot geregeld, waar zij zouden zingen:

Hoor ons Svea! moeder van allen!"

Om dezelfde reden was er in "Tivoli" ook een "Groot Dankzeggings-Feest" met declamatie en vuurwerk. Eene verbazende menschenmassa was des avonds op de been inzonderheid in de buurt van "Tivoli;" en het "Studenten-boschje." Het rook er naar slechte sigaren, versche aarde en het pas ontsproten gras; nu en dan verspreidde zich de geur der populieren, welker kleverige knoppen op het punt stonden open te breken. Ministers en oud-ministers, militaire en civiele uniformen reden naar het slot, waarvan de vensters hel verlicht waren, terwijl de vlag op het dak, ten teeken dat de koning in de hoofdstad was, scherp tegen den lichtgekleurden hemel afstak.

Maar daar, waar het vaartuig voor de landverhuizers geankerd lag, werd hard gewerkt en geschreeuwd; er heerschte zulk eene verwarring, dat eenige der emigranten [ 226 ] op hunne kisten, die langs den waterkant stonden, gingen zitten en hartstochtelijk begonnen te schreien.

Toen Njaedel en de opperloods aan de haven kwamen ontmoetten zij hunnen vriend "den agent" maar hij riep, terwijl hij hen voorbij stoof slechts: "all right!" hij baadde letterlijk in zijn zweet en was zoo heesch, dat hij nauwelijks geluid kon geven.

Een paar sjouwers stonden vlak bij de loopplank van het vaartuig, en toen Njaedel, achter den opperloods over de plank liep, zei de een tot den ander: "Het is schande, dat die Amerikanen hier zulke reusachtige kerels vandaan mogen halen."

Njaedel hoorde deze woorden en reikte den spreker de hand toe.

Maar de sjouwer, die wat wantrouwend van karakter was, vreesde dat Njaedel niet veel goeds met hem in den zin had, en stak de hand naar de krachtige vuist, die hem gereikt werd, niet uit; toen echter zijn blik dien van Njaedel ontmoette, kreeg hij dadelijk vertrouwen in hem, schudde hem de hand en zei op half beschaamden toon:

"Ja, ja, je weet zelf wel het best, waarom je zoo ver weggaat. Vaarwel en eene voorspoedige reis!"

Aan boord was het leven en de verwarring nog grooter. De opperloods zette zich met de kalmte van eenen philosoof op zijne kist voor zijne kooi en liet de anderen schreeuwen, zooveel zij maar wilden. Njaedel daarentegen kon niet rustig blijven zitten, toen hij al die zware tonnen en balen aan boord zag brengen. Af en toe trad hij dichter bij en hielp met de kracht van een "beer" een handje mee; toen de matrozen hem verwonderd aanzagen, knikte hij hen toe en een glimlach verhelderde zijn gelaat.

Ten laatste nam hij voor vast plaats bij het luik van het ruim en daar de sjouwers juist met een heel zwaar stuk kwamen aanslepen, riep de bemanning: "Laat de "beer" een handje helpen!"

[ 227 ] Die woorden deden Njaedel goed: zij gaven hem het verloren zelfvertrouwen terug en verdreven zijne sombere gedachten. Hij voelde weer grooten lust met een recht zwaar werk te beginnen. Maar laat op den avond, toen het werk gestaakt was, en de lieden afscheid van elkander begonnen te nemen, werd hij "week als boter," zooals de opperloods zeide. Hij had niemand vaarwel te zeggen, en daarom voelde hij zich gedrongen allen de hand te drukken, die hem voorbij en naar wal gingen.

De opperloods bemerkte spoedig, dat hij en Njaedel tot de armste passagiers behoorden. De meeste andere landverhuizers waren welgezeten boeren, die jaren lang gewerkt hadden met het doel naar Amerika te gaan, wanneer zij geld genoeg hadden overgespaard. Anderen hadden reisgeld gekregen van hunne familie aan gene zijde des oceaans, die hun tevens het noodige geld voor de uitrusting had verschaft. Bij alles wat zij deden, zag men, dat zij alles met bedaardheid hadden overlegd. Groepsgewijze zaten zij op het tusschendek en haalden hunne provisie, die zij voor den overtocht hadden meêgenomen, voor den dag, terwijl zij de medepassagiers er van meedeelden. Zij hadden een open oog voor alles, wat rondom hen voorviel; spraken op half luiden toon tot elkaar, maakten gewillig plaats, wanneér zij in den weg zaten en schenen aan niets anders te denken, dan goed en wel over te komen, en de kinderen het best te beschermen.

Op het achterdek, (eerste kajuit), ging het levendiger toe. De passagiers waren meest jonge menschen, die aan boord kwamen, gevolgd van eene schaar vrienden, die ter eere van de vertrekkenden zongen en leven maakten. Een welgekleed jong man werd zelfs stom dronken aan boord gedragen en dadelijk naar de kooi gebracht.

Er waren onder hen eenige handelsreizigers, een bankroetier en een misnoegd ingenieur, "die het ondankbare vaderland den rug toekeerde," zooals een zijner vrienden, [ 228 ] met het afscheidsglas in de hand, in het salon zeide—dadelijk nadat men aan boord was gekomen, had men een afscheidsfeestje gearrangeerd.

Verder was er nog een verloopen student, die door de familie weggezonden werd, en nog twee of drie andere half verloopen individuën in nieuwe pakken, "die het dankbare vaderland wegzond," zooals de student zich uitdrukte.

Tegen elf uur kwam dokter Bennecken met zijne zuster aan boord. Zij waren alleen. De minister was op het slot, Alfred had zich verontschuldigd en mevrouw lag ziek te bed. Toen zij begreep, dat het met de reis ernst was, voelde zij toch iets, dat naar berouw zweemde, want zij omhelsde Hilda heel lang en prevelde binnensmonds, dat zij—Hilda—hare moeder moest vergeven, wanneer deze soms wat onrechtvaardig tegen haar was. geweest.

De twee "mislukten" verlieten het ouderlijke huis treurig gestemd en Hilda leed aan zulk een hevige hoofdpijn, dat zij dadelijk naar de dameskajuit ging, die haar geheel alleen gedurende den overtocht ten dienste stond. Het rumoer in het salon werd minder naarmate het gezelschap in meer sentimenteelen toestand kwam. De dokter ging op het dek, en wandelde heen en weer.

Het was stil, helder weder, maar in het Zuidwesten vertoonden zich donkere wolken, en spoedig zou het beginnen te regenen. Geen geluid hoorde hij dan het geraas, dat in de machinekamer door het kolen inscheppen veroorzaakt werd, en het geluid van zijne voetstappen.

Van tijd tot tijd voerde de wind het geknal van het vuurwerk naar het vaartuig, dat op het "Dankzeggingsfeest" werd afgestoken, of drongen eenige tonen van eene fanfare tot zijn oor door.

Raketten en het licht van bengaalsch vuur zag men [ 229 ] over de daken der huizen, en voor dit geheel was uitgedoofd, wierp het nog een oogenblik een lichtglans langs den hemel.

Johan Bennecken ging geruimen tijd op het halfdek heen en weer en tuurde naar de stad, die hij zoo goed kende; naar de stad waarin hij zijn leven had gesleten. De kleine ruimte, die zich tusschen het vaartuig en de kade bevond, scheen hem een gapende afgrond te zijn, waarin hij al zijne zorgen, al zijne teleurstellingen achterliet. En toch was hij moedeloos. Duizenden herinneringen hadden hare kleine scherpe klauwen in zijn gemoed gedrukt, en het deed pijn ze weg te rukken.—Hij verwachtte niet veel van het leven aan de andere zijde des Oceaans.

De trouwe vrienden beneden in het salon moesten eindelijk van boord gaan, en zij plaatsten zich op de kade om een afscheidslied te zingen. Doch dit plan kon niet tot uitvoering komen: zij waren al te geroerd, en wandelden rustig naar stad. En stil werd het op het vaartuig, en stil werd het in de stad, terwijl de machine als een uit zijnen slaap gewekten reus zware zuchten slaakte.

Johan Bennecken zag op zijn horloge: het was half één. De regenwolken zagen er dreigender en dreigender uit. Hij keek nog eenmaal om zich heen als wilde hij, voor hij naar beneden ging, het leven, dat achter hem lag, beschouwen in het schoone vreedzame beeld van den voorjaarsnacht.

Daar hoorde hij een rijtuig langs de kade rollen; het reed de gaslantaarns voorbij en hield stil bij de Engelsche stoomboot. Een heer met eenen steek op en in eenen mantel gehuld kwam er uit en sprak een paar woorden met den koetsier.

Een oogenblik later hoorde Johan eene stem, die hij meende te kennen, den Steward vragen waar Dokter Bennecken was.

[ 230 ] "Hier.... wil iemand mij spreken," riep Johan van het halfdek.

De onbekende liep de trap op en de dokter herkende de kamerheer George Delphin.

"Goeden avond, dokter. Gij denkt zeker, dat ik te veel gedronken heb, wat ook eigenlijk het geval is. Ik ben in ongenade gevallen, en heb door een goed glas wijn mijne smart verdoofd. Is uwe zuster ook aan boord?"

"Ja, zij slaapt al, hoop ik."

"Kom, laat ons liever binnengaan," zeide Delphin en hij opende de deur van de rookkamer. Hier kunnen wij een afscheidsglas met elkaar drinken. Gij hebt toch geenen slaap Dokter?"

"Neen, in het geheel niet," antwoordde Johan en hij draaide de lamp wat op, "wilt gij eene sigaar rooken?"

"Ja, maar gaarne had ik wat te drinken."

De kamerheer deed zijn mantel af, en wierp zich in zijne met goud geborduurde en met allerlei ordeteekenen bezaaide uniform op de sofa. Johan Bennecken ging naar beneden om een flesch wijn te halen, maar het eenige, wat de Steward zoo laat in den nacht kon vinden, was whiskey en water.

De kamerheer verzekerde hem, dat dit zijne lievelingsdrank was, wat werkelijk het geval scheen te zijn. Nadat hij een glas geledigd had, zeide hij: "uwe zuster is dus aan boord?"

"Ja, ik hoop dat zij sedert lang slaapt," antwoordde Johan eenigszins verbaasd.

"Dat gij de stad kunt verlaten... dokter, in zulk een interessanten tijd als wij beleven! Hoor wat er is voor gevallen. Ten eerste: de kamerheer George Delphin in ongenade gevallen, ten tweede: de groothandelaar Falck-Olsen, wegens een Isabella-paard met een orde gedecoreerd; ten derde: de assistent-commiezen Hiorth en Bennecken tot kamerjonkers bevorderd —en de eerste daarbij verloofd...."

[ 231 ] "Een beetje minder snel, s.v.p. Wie is verloofd zegt gij?"

"Hiorth.... want toen zijn vader tot minister werd benoemd, nam zij hem; ja, gij begrijpt wel, wie ik bedoel, zij.... de Isabella van Falck-Olsen, Sophie heet zij, geloof ik. De andere.... die met dat bolbleeke gezicht heeft haar engagement verbroken."

"Maar kamerheer, is het mogelijk," riep de dokter "alles draait mij voor de oogen."

"Ja mij ook. Al het nieuws, dat ik opgedaan heb, komt uit den koker van Mortensen, die niettegenstaande zijne lucifers, aan het hof is voorgesteld geworden. O, wat benijd ik u, dokter, dat gij dien geheelen rommel verlaat."

Op zijn gelaat lag plotseling zulk een slappe, oudachtige trek, dat Johan oprecht medelijden met hem voelde. "Gij moest maar met ons meegaan kamerheer."

"Ik ben immers in uniform."

Toen Johan op dit gezegde glimlachte, zeide hij.

"O, gij vondt dit zeker eene flauwe geestigheid. Neen beste vriend, 't was bittere ernst. Ziet gij, de met uniform bekleeden blijven in dit land achter en nemen in aantal toe .... de in uniform gedosten en de in lompen gehulden. De laatste rat, die het schip zal verlaten, is zeker een directeur van een armenkamer. Dit is een post der toekomst: Koninklijk Noorsch opperstaatsarmendirecteur, met den rang en de uniform van een krijgscommissaris. Ik zou zelf naar dien post gesolliciteerd hebben, zoo ik niet in ongenade was gevallen. Buitendien," ging hij voort, en maakte een nieuw glas gereed, "zoo ik het al zonder de stad kan redden, zoo kan de stad het waarachtig niet zonder mij doen. Hoe zou het met de stakkers van menschen gaan, die nu in die caricatuur van eene hoofdstad slapen, als zij morgen wakker werden en de kamerheer misten. Want— [ 232 ] ziet gij, beste emigrant, wat ons eigenlijk pijnigt, dat is de twijfel, de vrees, die wij koesteren, dat alles hier niet geheel, comme il faut is.... niet volkomen zoo als alles op het vaste land, en—dat kan men ook werkelijk niet van Mortensen met zijne lucifers beweren. Maar dan heeft men gelukkig nog den kamerheer Delphin en een paar anderen die de wereld hebben gezien, of ten minste doen of zulks het geval is, en over alles kunnen praten; die alle namen en bijnamen weten; die de kunst verstaan iedere ernstige zaak door eene wending van de hand tot eene grappige te maken; die de ingewikkelste zaken in zakformaat weten te brengen; die de questions brûlantes van den dag samen vatten in vijf of zes bons mots, die ze zich elk oogenblik herinneren en dadelijk bij de hand hebben; en die ten laatste te midden van de meest onzinnige bureaupraatjes volkomen op de hoogte zijn der dames-toiletten en met den grootsten ernst daar over redeneeren. Ziet gij, dit zijn de onontbeerlijke personen voor de hoofdstad! Ach!" riep hij "plotseling uit en zijn hoofd viel op tafel: ik ben dit leven zoo moe, ik ben zoo moe van alles!"

Eensklaps lag er zoo iets ernstigs over den eleganten cavalier, die met het hoofd tegen den arm geleund voor hem zat, dat Johan Bennecken begreep, dat deze woorden niet alleen aan den roes, waarin hij verkeerde, toe te schrijven waren. Hij legde de hand op zijnen schouder, en zei met oprechte deelneming: "luister naar mij Delphin! Gij zijt niet gelukkig, evenmin als ik.... hier zijn gewis niet vele gelukkige menschen aan boord. Maar kom,.... ga met ons mee, hier moogt ge niet blijven."

De kamerheer beurde het hoofd op, zijn gelaat zag er weêr uit als in vroegere dagen, de ironische glimlach zetelde er weêr:

"Gij doet mij levendig aan uwen vader denken.... [ 233 ] diezelfde woorden zeide hij een paar uren geleden, tot mij: Het is werkelijk noodzakelijk voor u, hier vandaan te gaan," zei hij; en ik wil ook zijnen raad volgen, ik wil solliciteeren naar de betrekking van chef van de politie te Aalsund."

Johan Bennecken ging teleurgesteld een paar schreden achteruit: deze woorden krenkten hem.

De kamerheer trok zijne overjas aan om weg te gaan; maar talmde voortdurend; het scheen alsof hij nog iets zeggen wilde, maar niet wist, hoe zich uit te drukken; de dokter vond zijn gedrag al vreemder en vreemder. Eindelijk draaide hij zich op de loopplank even om, en drukte innig de hand van den dokter, terwijl hij mompelde: "Groet uwe zuster van mij, en zeg haar van mij.... zeg haar van mij.... " de laatste woorden waren onverstaanbaar, zij losten zich op in een geluid, dat veel van snikken had. Toen ging hij spoedig naar wal en stapte in het rijtuig, dat op hem wachtte.

De koetsier, die op den bok had zitten dutten, nam schielijk het dek van de paarden af. De hemel was geheel bewolkt; een uur lang had het reeds geregend.

De dokter tuurde naar het rijtuig en naar de lange schaduw, die de pooten der paarden in de plassen op de straat maakten, wanneer zij voorbij eene gaslantaarn kwamen. Dit was het laatste, wat hij van de stad zag, toen hij zich naar kooi begaf. Vroeg in den morgen lichtte het Engelsche vaartuig het anker. Het was reeds zes uur, vóór alles gereed was en de machine begon te werken. Juist toen het schip in de nabijheid van het grootste eiland van de Fjord was gekomen, steeg er van den kant der vesting eene rookwolk op, en hoorde men kanonschoten dreunen. Op het achtergedeelte van het schip vroeg iedereen nieuwsgierig waar die saluutschoten toch voor dienden.

Johan Bennecken was zoo moede, dat hij er bijna niets [ 234 ] van hoorde; ook op het voordek bekommerde men er zich weinig over; men had daar het gevoel alsof men met het vaderland en zijne saluutschoten had afgerekend.

En terwijl de een en twintig schoten plechtig over de stad dreunden, dreef het vaartuig met de landverhuizers uit de Fjord, en de dikke gele rook verborg de vesting aan aller oog, en verbreidde zich over de daken der huizen in het grauwe regenachtige morgenuur.