Een wanklank in de harmonie der schepping (Lubach 1852)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een wanklank in de harmonie der schepping (1852) van Douwe Lubach
'Een wanklank in de harmonie der schepping' werd gepubliceerd in Album der Natuur (eerste jaargang (1852), p. 257-269. Dit werk is in het publieke domein.


[ 279 ]
 

EEN WANKLANK

IN

DE HARMONIE DER SCHEPPING.

DOOR

Dr. D. LUBACH.

 

 

Wanneer wij de geschiedenis van het leven der dieren, van hunne geboorte af tot aan hunnen dood toe, in al hare bijzonderheden nagaan, onze opmerkzaamheid daarbij vestigende op hun zamenstel en hunne daarmede in de volkomenste overeenstemming staande leefwijze,—op hunne vermogens en vatbaarheden,—op hunne behoeften en de middelen die zij ter bevrediging derzelve bezitten,—op hunne neigingen en hartstogten,—en eindelijk op het genot en het leed, dat zij ten gevolge der lotwisselingen van hun doorgaans vrij gelijkmatig daarheen vloeijend leven te wachten hebben,—dan worden wij gebragt tot de overtuiging, dat de Schepper ook voor hen met liefde gezorgd heeft, en dat hun leven, over het geheel genomen, een leven van genot mag genoemd worden. Valt ons dit, uit den aard der zaak, het duidelijkst in het oog bij de waarneming van het leven dier hoogere dieren, welke ons van allen het naaste staan, en wier wel en wee wij dus het best beoordeelen kunnen;—alles, wat wij van de levenswijze der lagere dieren weten, doet ons ook omtrent deze tot hetzelfde besluit komen, of levert ons althans geene daadzaken op, welke ons zouden beletten om, op grond eener zeer natuurlijke en verdedigbare gevolgtrekking, ook hun een geluk toe te kennen, dat wij de hoogere dieren zoo ruimschoots zien genieten. Zeker is dat geluk niet ongestoord; kreten van angst en smart wisselen vaak de toonen af, die het genot ontlokt; maar die kreten zijn de uitdrukkingen van een, [ 280 ] met geene knellende bezorgdheid lang vooruitgezien, lijden, dat meestal óf voorbijgaand is en ras vergeten wordt, óf door eenen spoedigen dood wordt geëindigd.—Ik heb natuurlijk hier het oog alleen op die dieren, die, niet door den mensch tot dienstbaarheid gebragt, vrij in hunnen natuurstaat leven. Het is toch, helaas, eene treurige waarheid, dat eene naauwere aanraking met den mensch hun al te dikwijls op ellende en lang en smartelijk lijden te staan komt, omdat hij, aan wien de heerschappij over hen is toevertrouwd, dat voorregt op de wreedste wijze misbruikt. Trouwens, verbittert hij ook niet vaak zich zelven en zijne medemenschen het groote feest des levens, waartoe een liefderijk Schepper al wat leeft en gevoelt genoodigd heeft?

Voor zoo ver echter de in den natuurstaat verkeerende, wilde dieren aangaat, zoo mag men vaststellen, dat in hun leven de som van het genot die van het lijden ver overtreft, en dat zij hun aanzijn in den vollen zin des woords genieten, zij het dan ook, dat elk dier het op zijne eigene wijze geniet. Wij moeten ons toch hier voor alle bekrompene oordeelvellingen wachten, en het geluk der gezamenlijke dieren niet met éénen maatstaf afmeten. Even als het geluk van den eenen mensch niet dat des anderen is, zoo is dit in nog hoogere mate met de dieren het geval. En gelijk bij de menschen de individualiteit, de ligchamelijke en geestelijke aanleg, de opvoeding en allerlei levensomstandigheden ten grond liggen aan het groot verschil in de wijze, waarop deze of gene het geluk begrijpt en opvat,—alzoo zijn het, bij de verschillende diersoorten, haar zamenstel, hare met dat zamenstel in verband staande neigingen, instincten enz., kortom haar geheele aanleg, welke den aard bepalen van datgene, wat voor elke van haar geluk is, en van de wijze, waarop zij dat geluk geniet.

Er bestaat een dier, hetgeen lang gegolden heeft voor eene uitzondering op dien algemeenen regel,—een dier, dat men langen tijd gehouden heeft voor een wezen, in welks zamenstelling de natuur zich vergist had, dat ten gevolge daarvan ten hoogste ellendig was, en uitgesloten scheen van het genot der weldaden, die Gods liefde over al wat leeft verspreidt.—Dat dier leeft in [ 281 ] de digte wouden van Zuid-Amerika; het is de zoogenaamde "Luijaard."—Nog zijn er, die, vooral op het gezag van buffon en cuvier, dit schepsel voor zulk een ongelukkig wezen houden. Laat ons eenige oogenblikken wijden aan de beschouwing van dat in vele opzigten merkwaardige dier, en onderzoeken, of het werkelijk voor zulk eenen wanklank in de schepping moet gehouden worden, als waarvoor het nog bij velen bekend staat.

De Luijaard behoort tot de orde der tandelooze zoogdieren (Edentata), aldus genaamd, omdat zij óf in het geheel geene tanden bezitten, zooals de miereneters en schubdieren, óf ten minste geene snijtanden bezitten en dus alleen van hoektanden en kiezen voorzien zijn, zooals de luijaards, de gordeldieren en de Chlamyphoren of manteldragers. Op de vlugheid der dieren, die tot deze orde behooren, valt reeds over het algemeen niet te roemen; de traagste van allen zijn echter de om die reden ook dusgenaamde Luijaards. Van dezen kennen wij vooral twee soorten, te weten den Aï of Drievingerigen[1], en den Unau of Tweevingerigen Luijaard. Ik zal hier alleen over den eersten handelen; hem toch geldt in de eerste plaats alles wat over de ellende van het dier, dat men Luijaard noemt, gezegd wordt; de Unau daarentegen, hoewel ook zeer te beklagen, is, zooals cuvier zich uitdrukt, "een weinig minder ongelukkig georganiseerd dan de Aï."

Ik geef hiernevens eene afbeelding van eenen zittenden Aï, volgens milne edwards, [ 282 ] welke afbeelding, ofschoon zij het dier in eene houding vertoont, die hem minder eigen is, toch een vrij goed denkbeeld geeft van zijne gedaante.—Op bladz. 265 vindt men eene afbeelding van den Unau in eene meer natuurlijke stelling. Zij is geteekend naar een levend voorwerp uit de schoone verzameling van levende dieren van het genootschap Natura artis magistra, eene inrigting, waarop de hoofdstad onzes vaderlands met het volste regt roem mag dragen.

De Aï bewoont de warmste gewesten van Zuid-Amerika, vooral Brazilië en Guijana, en wordt alleen in de digtste bosschen aangetroffen. Hij is ten naaste bij zoo groot als eene kat; zijne huid is bekleed met grof, ruw haar, dat op den kop, den rug en de buitenzijde der pooten vrij lang is, eene grijze, hier en daar bruinachtig grijze kleur bezit, en gelijkt op verdord gras of hooi, of, liever nog, op de harde, taaije vezelen, die de schil eener kokosnoot omgeven. De kop is klein en rond, het aangezigt kort en niet ongelijk aan dat van een aap; de oogen zijn klein, rond, zwart en verscholen onder het van het voorhoofd afhangende haar; de ooren zijn naauwelijks te bemerken. Het lijf is, wegens de buitengewone breedte des bekkens, van achteren zeer breed en plat; de zeer korte staart valt bijna niet in het oog. De het meest van den gewonen bouw der dieren afwijkende gedeelten des ligchaams zijn de vier ledematen. De voorpooten toch zijn meer dan eens zoo lang als de achterpooten; de laatste zijn niet alleen zeer kort maar wegens de breedte van het bekken, waaraan zij zijn ingewricht, kan het dier ze met geene mogelijkheid tot elkander brengen en staan zij dus altijd wijd van elkander. Daarbij zijn het scheen- en kuitbeen op zulk eene wijze met elkander verbonden, dat de achterpooten niet anders dan met den buitenkant der voeten, en niet met de voetzolen op den grond kunnen rusten. Zoowel die korte achterpooten, als de onevenredig lange voorpooten zijn bijzonder sterk gespierd, en allen zijn van drie vingers of teenen voorzien; maar de beenderen, waaruit deze teenen bestaan, zijn zoowel onderling, als met de beenderen van de voorhand en den voorvoet zóó vast vereenigd, dat zij bijna geene beweging toelaten, waarom zij dan ook bij oude luijaards eindelijk geheel vast[ 283 ] gegroeid en onbewegelijk gevonden worden. Bovendien bezit niet elke teen een afzonderlijk huidomkleedsel, maar alle teenen van elken voet zijn te zamen door de huid ingesloten, even als door eene want of handschoen zonder vingers, zoodat er van buiten geen spoor van teenen te onderkennen is. Des te meer vallen echter de geduchte, groote, naar de voetzool gekromde nagels of klaauwen in het oog, waarmede die teenen gewapend zijn.

Het inwendig zamenstel van den Ai biedt nog menige ongewone bijzonderheid aan. Behalve de buitengewone breedte van het bekken en de bijna volkomene onbeweegbaarheid der teenen of vingers, waarvan ik reeds gewaagde, verdient vooral nog opmerking, dat, terwijl alle andere zoogdieren, geen uitgezonderd, zeven halswervelen bezitten, de Aï alleen er negen schijnt te hebben. Ik zeg: schijnt te hebben; want de achtste en negende zoogenaamde halswervelen zijn niets anders dan de eerste en tweede ruggewervelen, welke dit bijzondere bezitten, dat er geene volkomene ribben aan ingewricht zijn, zooals aan de overigen, maar dat zij slechts voorzien zijn van korte, onvolkomene, niet ontwikkelde ribben, welke gelijken op uitsteeksels der wervelen zelve. Van die zeer merkwaardige bijzonderheid levert de nevensgaande figuur eene voorstelling.—Eindelijk vermeld ik nog onder de eigenaardigheden van het zamenstel van den Aï, dat zijne maag in vier afdeelingen verdeeld is, die veel overeenkomst bezitten met de vier magen der herkaauwende dieren.

Van eene inderdaad alleropmerkelijkste inrigting bij de takverdeeling der bloedvaten van de ledematen zal ik lager melding maken.

Alle die bijzonderheden maken den Aï tot een allerzonderlingst zoogdier, dat zamengesteld schijnt uit gedeelten, die niet bij elkander behooren. Maar wanneer men het dier op den vlakken grond ziet loopen, of liever kruipen, dan zou men werkelijk geneigd zijn het voor eene ver[ 284 ] gissing der natuur te houden. De Aï kan niet anders op den grond vooruit komen, dan met het ligchaam plat op de aarde liggende, de achterpooten wijd van elkander gestrekt en met den buitenkant op den grond rustende, terwijl hij van voren op den buitenkant der voorpooten steunt. Hij slaat dan de sterke, gebogene nagels der laatste in de oneffenheden van den grond, achter boomwortels, steenen of andere vaststaande voorwerpen, en sleept, zich met kracht daaraan vasthoudende, zijn ligchaam met groote inspanning eenige duimen voorwaarts. Dit gaat echter uiterst moeijelijk en langzaam in zijn werk, zoodat hij in een uur tijds slechts weinige ellen vordert, en daarbij een klagend geluid doet hooren, waarvan zijn naam "Aï" afkomstig is. Er zijn echter, die verklaren, dat zij den Aï dat geluid bij het kruipen nimmer hebben hooren maken. Wanneer hij tegen den stam van eenen boom opklimt, welks bladeren zijn eenig voedsel uitmaken, dan komt hij wel spoediger voort, dan op den vlakken grond, maar een aap of eekhorentje zou in even zoo vele seconden den weg afleggen, als de Aï daartoe minuten besteedt. Dit klimmen geschiedt overigens op dezelfde wijze als het voortslepen op den grond; het dier slaat de nagels der voorpooten in de oneffenheden van den stam, of om deszelfs takken, en hijscht zich aldus naar boven. Men heeft wel verhaald, dat zijne traagheid, ontspruitende uit de moeijelijkheid zijner bewegingen, zoo ver gaat, dat hij, wanneer hij eenen boom kaal gegeten heeft, en nu gedwongen is eenen anderen op te zoeken, zich liever daaruit op den grond laat vallen, dan den langen moeijelijken togt naar beneden langs den stam te ondernemen.

Wanneer wij alles, wat ik tot dus ver over den Aï gezegd heb, te zamen vatten, dan is het juist niet te verwonderen, dat dit dier, bij het denkbeeld van ondoelmatige zamenstelling en misvorming, tevens dat van ongeluk en ellende bij de natuuronderzoekers moest opwekken. Onhandig en traag, schijnt elke poging om aan zijne begeerte te voldoen, elke beweging, hem moeite en pijn te veroorzaken. Hulpeloos, en aan de willekeur van alle, zelf zwakkere dieren overgelaten, schijnt hij eene gereede prooi voor elk verscheurend dier, waartegen hij zich niet alleen niet verdedigen kan, niettegen[ 285 ] niettegenstaande de forschheid zijne pooten en het geducht aanzien zijner klaauwen, maar dat hij zelfs niet vermag te ontvlugten.

"Alles," zegt buffon, na eene optelling van eenige der kenmerkende eigenaardigheden van den Aï, "alles kondigt zijne ellende aan, alles herinnert ons aan die monsters door gebrekkige vorming der deelen, aan die onvolledige schetsen, duizendmaal door de natuur ontworpen en uitgevoerd, welke, naauwelijks het vermogen bezittende om te bestaan, slechts eenen korten tijd hebben kunnen aanwezig zijn, en vervolgens zijn uitgewischt uit de rij der wezens. En in waarheid, zoo de landstreken, welke de Unau en de Aï bewonen, geene wildernissen waren, zoo de menschen en de grootere roofdieren er zich van ouds vermenigvuldigd hadden, dan zouden die soorten niet eens tot ons gekomen zijn; zij zouden door de andere uitgeroeid zijn geworden, gelijk ook eenmaal met haar gebeuren zal. Wij hebben gezegd, dat alles, wat wezen kan, ook werkelijk is: dit schijnt eene treffende bevestiging van die stelling te zijn; de Luijaards zijn de laatste term van het bestaan in de orde der dieren, die vleesch en bloed bezitten; nog één gebrek meer zou hen belet hebben te bestaan. Zulke ongevormde schetsen te beschouwen voor even volkomene wezens als de overige dieren; eind-oorzaken aan te nemen voor zoodanige tegenstrijdig gevormde schepsels, en te vinden, dat de natuur er evenzeer in uitblinkt als in hare schoone werkstukken—dat is haar slechts door eene naauwe buis te aanschouwen, en de doeleinden, die ons verstand verzint, voor haren oogmerken aan te nemen."—Buffon treedt hierna in eene beschouwing over de ellende van menschen en dieren, en komt dan tot het besluit, dat "de Unau en de Aï misschien de eenige diersoorten zijn, welke de natuur mishandeld heeft, de eenige, die ons het beeld der aangeborene ellende vertoonen." De eenige verzachting van hun ongeluk vindt hij nog in de geringe fijnheid van hun gevoel.

Buffon, schoon doorgaans meer stijlist en declamator, dan naauwkeurig en waarheidlievend onderzoeker der natuur, is hier echter naar alle waarschijnlijkheid geheel ter goeder trouw. Na hem vindt men een dergelijk oordeel over den toestand van den Aï meest [ 286 ] overal terug. Om van anderen te zwijgen, zoo spreekt cuvier—in bijna alle opzigten het tegenbeeld van buffon—nog in de tweede uitgave van zijn Règne animal van "de buitengewone traagheid der Luijaards, het gevolg van eene waarlijk onregelmatige structuur, waarbij de natuur zich schijnt te hebben willen vermaken met iets onvolmaakts en grotesks voort te brengen." Hij somt naauwkeurig de eigenaardigheden op van hun "ongeëvenredigd maaksel," zooals hij het noemt. Zij zijn, volgens hem, "ongelukkig georganiseerd"—de Unau echter eenigzins minder dan de Aï.—En op het gezag van buffon en cuvier vinden wij elders gewaagd van den "rampzaligen Aï," en hem voorgesteld als een "uitwerpsel der natuur," als een "wanklank in de schepping," als een wezen, wiens hooggaande ellende een scherp contrast oplevert met het levensgenot van alle overige dieren.

Er zijn evenwel in lateren tijd sommigen geweest, die aan de waarheid van deze beschouwingswijze getwijfeld hebben. Zoo beweerde de Duitsche reiziger a. von sack, die Suriname in 1804 bezocht, "dat de Ai, ondanks zijne jammerlijke traagheid, zoo verwonderingswaardig geschapen is, dat hij niet ongelukkiger is, dan eenig ander zintuigelijk voorwerp in de natuur."—Laat ons onderzoeken, wat ten dezen opzigte waarheid is; eene korte beschouwing van de leefwijze van den Aï, gelijk latere onderzoekingen ons die hebben doen kennen, zal daartoe voldoende zijn.

Wanneer de Aï op den grond geplaatst is, dan verkeert hij nagenoeg in dergelijke omstandigheden, als een visch die zich buiten het water op het drooge bevindt, of, juister, als een hond, dien men tusschen de takken van een hoogen boom geplaatst heeft;—hij is dan niet op zijne plaats; hij is, om zoo te zeggen, geheel buiten zijn element. Hij is niet bestemd om op den grond te leven, maar op boomen, en wel daarop bij uitsluiting. Zelfs bij het opklimmen van eenen boomstam bevindt hij zich in een ongewonen toestand, welken hij altijd vermijdt, daar hij, met zijnen wil, niet ligt op den grond komen zal. De meeste Aï's komen zelfs gedurende hun gansche leven nimmer aan den voet der boomen, op welke zij leven. Hun eigenlijk verblijf is boven in de boomen, tusschen de met [ 287 ] bladeren bedekte takken, en, dewijl in de digte wouden der tropische gewesten de boomen met hunne takken in elkander groeijen, zoo heeft de Aï, wanneer hij zich op een anderen boom wil begeven, nimmer of althans hoogst zelden noodig om af te stijgen en wederom naar boven te klimmen, maar hij kan, in de hoogte, van tak tot tak en van boom tot boom, uren ver voorttrekken zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Men heeft zelfs opgemerkt, dat op meer opene plaatsen in de bosschen, waar de boomen minder digt inéén gegroeid zijn, de Aï partij weet te trekken van winderig weder, ten einde van den eenen boom op den anderen te komen, nemende hij dan het oogenblik waar, wanneer de takken des laatsten door den wind in aanraking gebragt worden met die van diengenen, op welken hij zich bevindt. Dat hij zich uit de boomen zou laten vallen, blijkt dus al aanstonds een fabeltje te zijn.—De Aï leeft echter niet op de takken der boomen, zooals de apen en eekhorens, maar, en dit is hoogst opmerkenswaardig, er onder.


Albumdernatuur52-53 0289.png


De houding, die hem de natuurlijkste en de gemakkelijkste is, en welke hij daarom 't meest en 't liefst aanneemt, is die, waarbij hij met zijne pooten aan een horizontalen of schuins opwaarts klimmenden tak hangt. Zijne kromgebogene nagels slaat hij daarbij in [ 288 ] of om den tak, en blijft zoo zonder eenige inspanning hangen. De buitengewone gespierdheid der pooten en de stevige wijze, waarop de gewrichten der teenen met elkander verbonden zijn, dragen er toe bij, dat het gewigt des ligchaams zonder vermoeijing door de ledematen gedragen wordt; terwijl de breedte van het bekken het dier veroorlooft zelfs zeer dikke takken met de korte achterpooten te omvatten. Wegens die stevige verbinding van de teenen met elkander zijn deze wel is waar onbewegelijk; maar de Aï behoeft ook niet te loopen, en evenmin iets aan te vatten. Wil hij de dunnere takken, waaraan de bladeren zitten, die zijn voedsel uitmaken, onder zijn bereik brengen, dan steekt hij een zijner lange voorpooten uit, en haalt die takken als met eene haak naar zich toe. Dat ook de naar binnen gekeerde rigting zijner voetzolen hem in de beschrevene houding even zoo veel gemak verschaffen moet, als zij hem bij het loopen op den grond hinderlijk is, zal wel geene verklaring noodig hebben. De lengte zijner voorpooten is hem niet alleen van dienst om zijn voedsel gemakkelijk te bereiken; zij komt hem ook zeer te stade, wanneer hij zich naar eene andere plaats begeven wil. Hij wordt daardoor in staat gesteld zijne klaauwen te slaan om takken, die zich op eenigen afstand van hem bevinden, waarna hij zijne geheele ligchaam met veel gemak daarnaar weet heen te trekken. Aldus van tak tot tak voortklimmende en voortslingerende, legt de Aï dikwijls aanmerkelijke afstanden af, zeker niet zoo vlug, als vele andere met hem op de boomen levende dieren dit doen, maar toch vlug genoeg, om dan althans den naam van Luijaard niet te verdienen.

Carlisle heeft in 1800 opmerkzaam gemaakt op eene opmerkenswaardige bijzonderheid in de takverdeeling van de bloedvaten der ledematen bij den Aï, van welke bijzonderheid echter eerst in 1848 door onze landgenooten de hoogleeraren schroeder van der kolk en w. vrolik eene juiste voorstelling gegeven is. Ik mag haar hier slechts aanduiden, zonder daaromtrent in bijzonderheden te treden, die alleen voor den in de ontleedkunde ingewijde verstaanbaar zouden zijn.—De slagaderen en aderen splitsen zich boven aan de pooten in een aantal takken, die met elkander [ 289 ] eenen vaatbundel vormen, welke bestaat uit eene slagaderlijke vlecht, die door eene aderlijke vlecht als door eene schede omgeven wordt. Uit dezen vaatbundel komen lager de gewone slagaderlijke en aderlijke takken voort. Men vindt deze inrigting nog bij eenige andere zoogdieren en vogelen, welke vaak eene aanhoudende sterke krachtsinspanning van de spieren hunner ledematen vergen moeten. Men stelt, dat het nut daarvan in 't algemeen hierin gelegen is, dat de door die menigvuldige takverdeelingen natuurlijkerwijze vertraagde bloedsomloop aanleiding geeft tot eene uitgebreidere stofwisseling tusschen de digt naast elkander liggende slagaderen en aderen; hoedanige stofwisseling juist dáár noodig is, waar eene aanhoudende sterke inspanning der spieren gevorderd wordt. Bij den Luijaard in het bijzonder mag men bovendien veronderstellen, dat, bij het langdurig hangen aan de pooten met den rug naar beneden en de daartoe vereischte aanhoudende krachtsinspanning, de beschrevene inrigting der bloedvaten de belemmering voorkomt, welke eene aanhoudende drukking der spieren op den bloedsomloop uitoefent, en dus het zoogenaamde doof worden of slapen der ledematen met de daaruit voortvloeijende magteloosheid belet te ontstaan.

In de houding, waarin de Aï gewoonlijk aan de takken hangt, kan hij zich niet ligt omkeeren en zijn ligchaam ginds en herwaarts wenden, en toch moet hij aan alle kanten zijn voedsel opsporen en tegen eenen naderenden vijand op zijne hoede zijn. Maar hij kan daarentegen zijn kop met het grootste gemak naar alle zijden heen bewegen, waartoe vooral de omstandigheid bijdraagt, dat bij de beweging van den hals twee wervelen meer medewerken, dan bij andere zoogdieren. De twee bovenste ruggewervelen toch, ofschoon zij, ontleedkundig beschouwd, geene halswervelen zijn, zijn toch, wegens die eigenaardigheid, waarop ik vroeger opmerkzaam maakte, voor zoo ver hunne verrigting aangaat, met halswervelen gelijk te stellen.—Verder heeft de Aï aan de kleur en het bijzondere aanzien van zijne vacht, in verband met de omstandigheid, dat de boomen der keerkringslanden immer nevens de groene ook dorre bladeren dragen, te danken, dat hij, wanneer hij stil hangt, zooals hij over dag meestal doet, niet ligt opge[ 290 ] merkt wordt; wordt hij evenwel aangevallen, dan verdedigt hij, hoe zacht van aard anders ook, zich met zijne sterke pooten en groote klaauwen dapper en vaak met goed gevolg. Overigens is hij, zooals ik daar reeds aanduidde, een nachtdier, dat, even als alle nachtdieren, over dag slaperig en lusteloos is; iets, hetgeen zonder twijfel alweder veel heeft bijgedragen om hem zijnen naam van alles te boven gaande traagheid te bezorgen.

Daar de Aï een grof en sterkgespierd ligchaam bezit en desniettemin uitsluitend van boombladeren leeft, een voedsel, dat zeer arm aan voedingsstoffen is, zoo moet hij niet alleen tot zijn onderhoud eene zeer groote hoeveelheid van dat voedsel gebruiken, maar het moet ook lang in de maag en in de darmen vertoeven, opdat al de voedende bestanddeelen, die er maar in aanwezig zijn, er uit mogen worden afgezonderd. Hij staat hierin gelijk met de dieren, die tot de orde der herkaauwers behooren; zijne maag is dan ook even als bij dezen ingerigt, en de Aï herkaauwt, even als eene koe, een kameel, of een hert. Hij verkiest evenwel bepaaldelijk de jonge, zachte boombladeren, die zich altijd nevens de oudere en de verdorde op de boomen van zijn vaderland bevinden; deze nu laten zich met vrij wat meer gemak met de lippen afplukken, dan het taaije gras of de stengels van de kruiden des velds, welke de eigenlijke herkaauwers met hunne voorste of snijtanden af- en doorsnijden; de Aï heeft daarom geene snijtanden noodig, en de schijnbare tegenstrijdigheid, die zijn maaksel in dit opzigt vertoont, wordt zoo op eene voldoende wijze opgelost.

Uit dit alles blijkt ten duidelijkste, dat het zamenstel van het ligchaam van den Aï even zoo verwonderlijk geschikt is voor zijne wijze van leven, als bij eenig ander dier het geval kan zijn. Die levenswijze mag zeker zonderling genoemd worden, in zoo verre zij grootelijks afwijkt van die der overige zoogdieren, die met hem de wouden bewonen,—is het dan wonder, dat zijn zamenstel, volkomen geschikt en ingerigt naar die levenswijze, een aantal bijzonderheden aanbiedt, die bij den eersten opslag allerzonderlingst schijnen en bij geene andere dieren worden gevonden?

De Aï is dientengevolge geen "ongelukkig georganiseerd schep[ 291 ] sel," geene "vergissing der natuur," geen wezen, dat tot ellende geschapen is, en dus geen wanklank in de schepping, waarvoor men hem gehouden heeft. Integendeel; wanneer wij voorbeelden moesten opgeven van die bewonderenswaardige harmonie, die wij overal in het dierenrijk ontwaren tusschen de wijze van bewerktuiging der dieren en de wijze, waarop zij leven,—van die harmonie tusschen den bouw der onderscheidene deelen des ligchaams van elk dier, waarover ik bij eene vroegere gelegenheid (bladz. 28) een enkel woord heb aangemerkt, dan zoude zonder twijfel de Aï daarvan een der schitterendste opleveren. En wel verre dat hij ons medelijden zou moeten opwekken, als een door de natuur stiefmoederlijk behandeld wezen, behoeft hij, gelijk door buckland teregt wordt aangemerkt, dit niet meer te doen, dan de visschen, omdat deze geene pooten bezitten.

Zoo vindt een grondiger en naauwkeuriger onderzoek der natuur vaak de oplossing der tegenstrijdigheden, die eene meer oppervlakkige en onvolledige waarneming in het werk des Scheppers meent te ontwaren;—even als latere ervaring en de ontdekking van den zamenhang der gebeurtenissen niet zelden een heerlijk licht verspreiden over veel onbegrijpelijks in het Godsbestuur, dat den kortzigtigen mensch wel eens tot ontevredenheid en twijfeling vervoert.

 

 

  1. Eene opgave van de soorten en variëteiten des Drievingerigen Luijaards, die men in den laatsten tijd door bijzondere benamingen onderscheiden heeft, meen ik hier gerustelijk te mogen weglaten. De meest bekende zijn de eigenlijke Aï (Bradypus tridactylus, bij de Botocuden Ihó cudgi of kleine Luijaard), en de Luijaard met den halsband (Br. torquatus, de Ihó gipakiou of groote Luijaard.)