Flora (Witte 1868)/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
53 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen door Heinrich Witte

54. Potentilla atrosanguinea pleniflora

55


[ Pl 54 ]
 

Pl. 54: POTENTILLA ATROSANGUINEA Lodd. PLENIFLORA (hybr.)

 
[ 213 ]
 

POTENTILLA ATROSANGUINEA Lodd. PLENIFLORA Hybr.

Nat. familie:

ROSACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

ICOSANDRIA POLYGYNIA (Twintigmannige-Veelwijvige) [1]

 

 

De gezamenlijke soorten van Potentilla stellen een geslacht daar, 't welk over een groot gedeelte der aarde, inzonderheid van het Noordelijk halfrond verspreid is. Het getal daarvan is wel op p.m. twee honderd te schatten, waarvan er 36 door Koch als in Duitschland en Zwitserland in 't wild groeijende vermeld worden. Ook in ons land komt een achttal daarvan oorspronkelijk voor, waarvan er twee zeer algemeen en de overige meer plaatselijk aangetroffen worden.

De meest algemeene is de Zilverschoon (Pontentilla anserina), die letterlijk overal langs wegen, slooten en dijken, veelal zelfs in groote menigte aangetroffen wordt; trouwens waar die plant zich eenmaal gevestigd heeft, kan 't niet anders of ze moet er weldra eene groote uitbreiding verkrijgen, daar ook hier, even als bij de Aardbezie (Fragaria vesca en F. elatior), een aantal lange ranken uit den zeer kort ineengedrongen, en dus als zoodanig onherkenbaren stengel ontspruiten, die, uit hare geledingen wortel schietende, dáár weldra eene nieuwe plant doen ontstaan. Daar zulks met ieder van die op deze wijze ontstane planten in een volgend jaar eveneens het geval is, ligt het voor de hand dat een enkel individu in korten tijd zijn gebied aanzienlijk uitbreiden, aan eene talrijke nakomelingschap het aanzijn geven kan en zal.

De bladeren van deze soort wijken van die der meeste andere Potentilla's in vorm aanzien[ 214 ] lijk af. In den regel zijn die toch bij de soorten van dit geslacht wat men „handvormig" noemt. Een zeker aantal blaadjes, gewoonlijk 3–5, ontspruiten namelijk uit den top van den algemeenen bladsteel, evenals dit b.v. met de bladeren van den wilden Kastanjeboom het geval is; bij die der Zilverschoon echter zijn ze gevind, en staan de blaadjes dus niet op den top, maar ter wederzijde van den bladsteel; bovendien treffen we hier tusschen ieder paar blaadjes een paar veel kleinere blaadjes aan, in welk geval zulk een blad „afgebroken gevind" genoemd wordt. Ze zijn aan de onderzijde fraai zilverachtig wit, het gevolg van eene zeer digte bekleeding met liggende, zilverglanzige haartjes.

De tweede die tot de meest algemeene onzer Flora behoort is de kruipende Ganserik (P. reptans) ook wel Vijfvingerkruid genoemd, wijl hier de blaadjes evenals de vijf vingers aan de hand, op den top des steels staan. Beider bloemen zijn geel, die van de eerstgenoemde soort, welke zich over 't algemeen door eene veel sterkere ontwikkeling kenmerkt, grooter dan van de laatste.

De bloemen der Ganserik-soorten—dit is de algemeene, zeker niet zeer fraaije Hollandscke benaming voor dit geslacht—mogen een weinig verschillen in grootte en ook in de kleur der bloemblaadjes, in vorm zijn ze alle volkomen aan elkander gelijk, en komen genoegzaam volmaakt overeen met die der Aardbezieplant, welke trouwens aan deze zeer na verwant is.

De lezer weet dat eene komplete bloem uit vier kransen of seriën is zamengesteld, welke kransen elkander omsluiten, en eigenlijk gezegd, 't moge zoo weinig zijn als 't wil, boven elkander geplaatst zijn, namelijk, van onderen of van buiten af, de kelkbladeren, vervolgens de bloembladeren, de meeldraden en eindelijk de stampers.

Bezien we echter de bloem eener Ganserik-soort wat naauwkeurig, dan bemerken we dat hier niet vier, maar vijf kransen aanwezig zijn. Ook met de Aardbeziebloemen is dit het geval.

Dat is dus ééne krans, eene serie van organen, want alle vijf verschillen ze in vorm, te veel. Hoe zal nu die overcomplete heeten?

We hebben hier namelijk met twee elkander omsluitende kelken te doen. De bloemkroon bestaat uit vijf bloemblaadjes en onmiddellijk daaronder en met deze afwisselende zien we vijf kelkblaadjes die kort, tamelijk breed, spits en alle aan elkaâr gelijkvormig zijn. Deze vertegenwoordigen dus zonder eenigen twijfel den kelk; vorm, standplaats en kleur wijzen het ten duidelijkste aan. Onmiddellijk dááronder en weder met die kelkblaadjes afwisselende, zoodat ze dus juist tegenover de bloemblaadjes komen te staan, zien we echter een tweeden krans, mede van groene blaadjes; deze zijn echter ongeveer de helft smaller, en daarbij langer dan de vijf daareven genoemde. Ook deze zijn volkomen aan elkaâr gelijkvormig. Nóg een kelk dus; we hebben hier alzoo met eene verdubbeling van dat bloemdeel te doen, en nu onderscheidt de kruidkundige gewoonlijk in zulke gevallen den bovensten, onmiddellijk onder de bloemkroon zittenden krans als de eigenlijke kelk en bestempelt die welke daaronder gevonden wordt met den naam van "bijkelk."

Een aantal meeldraden omringen, in het midden der bloem, een niet minder groot aantal zeer kleine stampers, die op een bollen bloembodem ingeplant zijn.

Die bloembodem is het, welke bij de Aardbezie, waar hij ná den bloei vleezig en saprijk wordt en nagenoeg over de kleine vruchtjes heen groeit, ons dit smakelijke fruit levert. [ 215 ] Hieruit blijkt dus reeds dat eene aardbezie eigenlijk geen ware vrucht is, maar een orgaan waarin een aantal drooge vruchtjes besloten zijn, de verdikte bodem van de bloem.

Bij de Potentilla's verdroogt die echter ná den bloei in plaats van saprijker te worden, zoodat het bij deze planten later duidelijker in 't oog loopt wat men hier voor de vruchten te houden heeft.—

Hoe rijk aan soorten dit plantengeslacht nu ook zij, toch bevat het er maar weinige die als sierplanten voor de tuinen in aanmerking kunnen komen, en onder deze is de donker bloedroode Potentilla atrosanguinea de voornaamste. Toch kenmerkt zich deze soort meer door de fraaije, donker fluweelroode kleur der bloemblaadjes als door de grootte der bloemen, in welk laatste opzigt zij door vele andere overtroffen wordt, die echter meest alle gele bloemen hebben.

De P. atrosanguinea, oorspronkelijk van het Himalaya-gebergte afkomstig, werd vandaar in 1822 in Engeland ingevoerd, en vier jaren later door Sims in Curtiss' Botanical Magazine (vol. 53) tab. 2689[2] afgebeeld.

Van deze, zoo mede van eene andere soort van gelijken oorsprong, P. nepalensis, verkreeg men, door hybridisatie met enkele andere, later eenige hybriden, die 't, zoowel wat de grootte der bloemen als ook hare bloemrijkheid betrof, van de beide genoemde soorten wonnen, terwijl de kleur tevens meer verscheidenheid opleverde. Tot vóór eenige jaren waren het inzonderheid de hybriden P. Macnabiana (voortgekomen uit P. atrosanguinea en P. argyrophylla), P. Russeliana (afkomstig van P. atrosanguinea en P. nepalensis) en P. Hopwoodiana (uit deze laatste soort en P. erecta voortgekomen), die als sierplanten vrij menigvuldig gekweekt werden, en dit ook nog ten volle waard zijn.

Dat men gewoonlijk deze drie, en nog enkele andere, somtijds als zelfstandige soorten beschouwt, berust dus blijkbaar op eene vergissing; trouwens tot dit vermoeden komt men reeds van zelf, wanneer men die planten met de beide genoemde soorten vergelijkt, ook zonder dat men met de afkomst ervan bekend is.

Men is echter daarbij niet stil blijven staan; trouwens de genoemde hybriden bewezen genoegzaam dat men niet te vergeefs zou behoeven te trachten naar de verbetering dezer planten, en we hebben inzonderheid in de laatste jaren kunnen zien wat kunstmatige behandeling ook op deze planten vermogt.

Niet alleen toch dat de bloemen gaandeweg grooter werden, maar men slaagde er ook in een ras te verkrijgen van dubbeldbloemige, waaraan steeds de beide genoemde soorten, maar inzonderheid de bloedroode, ten grondslag lagen.

Het getal der tegenwoordig gekweekte hybriden bedraagt meer dan dertig, van welke het grootste gedeelte dubbele bloemen hebben.

Deze zeer fraaije en mildbloeijende planten zijn, hoe min kostbaar ook, inderdaad veel te weinig bij de liefhebbers bekend, en in hoeverre ze waardeering verdienen moge blijken uit de nevenstaande plaat, waarbij ik de opmerking te voegen heb, dat deze op verre na niet eene der fraaiste voorstelt; deze stond mij echter ten dienste, en ze kwam mij werkelijk fraai genoeg voor om deze groep hier te vertegenwoordigen.

[ 216 ] Bevatten de bloemen der enkelde Potentilla's slechts een vijftal aan den top een weinig ingesneden bloemblaadjes, bij de dubbelde is dat getal veel grooter en bedraagt het vier à vijfdubbelde, ja nog meer, altijd ten koste van het aantal meeldraadjes, welke in dit geval in bloembladeren overgingen.

Ook in kleur leveren ze veel verscheidenheid op; immers de bloemen der verschillende hybriden wisselen tusschen donker geel, bruin tot donker fluweelachtig bloedrood af.

Ze bloeijen uiterst mild en lang, althans als ze niet op eene te heete, inzonderheid aan de middagzon blootgestelde plaats staan; donkere schaduw beminnen ze aan den anderen kant ook niet; dit zijn echter uitersten welke men gemakkelijk vermijden kan.

Wanneer men weet dat de dubbeldbloemige ontstonden door eene metamorphose van de meeldraadjes in bloembladeren, dan begrijpt de lezer reeds van zelf, dat, naarmate de bloemen meer gevuld zijn, men ook minder kans heeft op het verkrijgen van zaden, aangezien de bevruchtingsorganen dan óf te weinig in aantal, óf onvolledig ontwikkeld zijn, óf somtijds zelfs geheel ontbreken, zoodat dan ook deze planten in den regel in 't geheel geene of uiterst weinig zaden voortbrengen. Maar bovendien, al verkrijgt men er zaad van, dan is men nog zeer onzeker welke bloemen de daaruit gekweekte planten zullen voortbrengen, daar zaadplanten van hybriden steeds eene sterke neiging bezitten om te verloopen. Men kweekt ze dus bij voorkeur aan door scheuring der struiken, 't welk men des verkiezende tijdig in het najaar, maar beter vroeg in 't voorjaar bewerkstelligt. De bloei vangt in Juny aan en duurt onafgebroken tot in 't laatst van Augustus voort.

 

 
  1. Zie de noten onder bladz. 29 en 25.
  2. Afbeelding in Curtis's Botanical Magazine vol. 53, 1826 (Wikisource-Ed.)