Gebruiker:Vincent Steenberg/Zandbak

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Catalogus der schilderijen in het Museum Kunstliefde te Utrecht (1885) door De Vries
Publiek domein.
[ I ]

CATALOGUS DER SCHILDERIIEN


in het


MUSEUM KUNSTLIEFDE


te


UTRECHT.


door


Mr. A.D. de VRIES Az. en A. BREDIUS.

Conservator van ’s Rijks Prentenkabinet. Conservator van het Nederlandsch Museum.


met medewerking van


Mr. S. MULLER Fz.

Archivaris van Utrecht.


Catalogus der schilderijen in het Museum Kunstliefde te Utrecht p I emblem JLB.jpg


Utrecht, J. L. BEIJERS.

1885.

[ II ]

Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.

[ III ]  Deze catalogus heeft eene geschiedenis. Verscheidene jaren geleden wekte ik Mr. A. D. De Vries Az. op om met mij samen te werken aan eenen catalogus van het Museum Kunstliefde. Door verschillende omstandigheden bleef deze arbeid onvoltooid. In het begin van dit jaar ontving ik echter van de familie van mijn overleden vriend den half afgewerkten catalogus met het voor de rest bijeengebrachte materiaal terug. Ik noodigde toen den heer A. Bredius uit mij te helpen in mijn pogen om het vele, dat reeds verricht was, productief te maken door het voltooien en uitgeven van den catalogus. Aanstonds toonde deze zich geneigd dien plicht der piëteit te vervullen en met zijne gewone voortvarendheid heeft hij zijne belofte vervuld. De heer Mr. N. De Roever Az., de gelukkige erfgenaam van de door De Vries verzamelde aanteekeningen, was op ons verzoek dadelijk bereid om daaruit mede te deelen, wat hij over de voornaamste in dezen catalogus vermelde meesters in dien schat kon vinden. Ik behoef wel niet te zeggen, dat deze catalogus door zoo krachtige medewerking zeer [ IV ] belangrijk gewonnen heeft: vele biographiën zijn geheel van de hand des heeren Bredius. Van medewerking, ons door anderen welwillend geboden, maakten wij in de noten gewag: alleen dient nog vermeld te worden, dat de levensbizonderheden van vele moderne schilders ons door henzelven of door hunne nagelatene betrekkingen bereidvaardig verstrekt werden.
S. Muller Fz.      
[ V ]

GESCHIEDENIS VAN HET MUSEUM.




 Het genootsctiap Kunstliefde is opgericht den 12 October 1807. In de stichtingsoorkonde, die aan het hoofd der notulen prijkt, wordt over de oprichting van het genootschap medegedeeld, dat de heeren J. Kobell en P. C. Wonder, »kunstschilders,” en A. J. Van Mansvelt, F. C. Knoll en W. A. Haanebrink, »liefhebbers en werkende teekenaars” »in aanmerking genomen hebbende, dat de stad Utrecht zederd veele iaaren is beroemd geweest , binnen hunnen muuren te bezitten meesters van den eersten rang, en gaarne dien ouden roem dezer stad willende conserveeren en tot algemeen nut te doen herleeven, en daarbij dan ook opgemerkt hebbende, dat de tekenkonst alhier evenals in andere voorname steden van Holland kennelijk toenemende is”, »tot een spoediger aanwas als een point van behoeften tot vordering in die kunst” een »modern tekengezelschap naar het gekleed model” hadden tot stand gebracht, waarvan reeds dadelijk 31 personen leden werden. Als doeleinden van deze vereeniging werden genoemd het teekenen naar het gekleed model en het houden van maandelijksche kunstbeschouwingen [1]. Als model voor de inrichting van het genootschap schijnt gediend te hebben het oude Utrechtsche schilderscollege en zijne teekenacademie, die juist in 1807 door de vlucht van van haren directeur Van der Puyl den genadeslag ontvangen had, waarvan zij niet meer zou opkomen. Onder de directie van de leden Wonder en Kobell (later van Wonder alleen) won de jeugdige vereeniging allengs in krachten. Hare samenkomsten, aanvankelijk gehouden in »het Wapen van het Keizerrijk” Achter den Dom, werden in 1810 overgeplaatst naar de lokalen boven de stads-schermzaal in de Minderbroederstraat (thans het zoogenaamde gebouw Physica), waar zij


  1. Notulen van het genootschap Kunstliefde.
 
[ VI ] de stervende Teekenacademie vond, die in 1778 de bovenverdieping van dit gebouw voor hare teekenoefeningen had ingericht. Toen deze stichting omstreeks 1815 overleden was [1], bleef Kunstliefde in het bezit niet alleen van de vertrekken, maar ook van alle daar geplaatste eigendommen der academie, waaronder behoorde eene kleine collectie schilderden.


 Reeds in de 17e eeuw had het schilderscollege zich beziggehouden met het organiseeren van eene soort van schilderijmuseum of permanente schilderij-tentoonstelling in het Agnietenklooster [2]. De geëxposeerde stukken werden echter nu en dan ten bate van de exposanten verkocht, en toen de tentoonstelling in 1674 gesloten werd [3], zal dan ook zeker geene enkele schilderij in het bezit van het college gebleven zijn. Eerst veel later werd de dus gestaakte onderneming hervat. Waarschijnlijk bij reglement van 16 Januari 1805 werd aan ieder lid van het college de verplichting opgelegd »bij zijue intreede in het Schilders-collegie een stuk schilderye, ten minsten ter waarde van ƒ26—5—0— ten tijde van zijn lidmaatschap in dit collegie te doen ophangen. En de kunstenaren-leden, wanneer zij verkoren worden, een schilderye, tekening, graveersel of boetzeersel, het product van hun eigen genie of hand, ten laatsten zes maanden naar hun intreede, hetwelk hij edoch mag verwisselen, totdat het laatste, bij afsterven of bedanken van ’t lidmaatschap, alhier ter zijner gedachtenisse overblijve” [4]. Daardoor werd langzamerhand een museum gevormd, dat wel is waar klein was, daar de meeste leden hunne stukken bij overlijden mochten terugnemen, maar dat toch voortdurend aanwies; zeer zeker toch was niet te vergeefs gerekend op de royaliteit der leden, die er allicht geen bizonderen prijs op zouden stellen, eene schilderij, die zij levenslang


  1. Zie: Muller, Schildersvereenigingen te Utrecht, p. 42, 43. Denkelijk bezweek zij ten gevolge van de vermindering van het stadssubsidie, dat vroeger ƒ275 bedroeg en bij Arrêté van den Maire dd. 10 Juillet 1813 op fr. 183.17 verminderd werd.
  2. Zie meer hierover: Muller, Schildersvereenigingen te Utrecht, p 30—32.
  3. Deze „toonkamer” was in gebruik van 1644—1674, toen het Agnietenklooster tot Ambachtskinderhuis werd ingericht: den 31 Juli 1676 besloot de raad „den gemenen constschilders” ƒ100 toe te leggen voor „eenige glasen ende vorder hontwerek, int Agnietenclooster gelaten ende by de stadt overgenomen ende geëmplojeert int oprechten vant Ambachtshuys”. (Reg. v. gildenordonn. fol. 477. Stadsarchief.)
  4. Van der Puyl, Kort verhaal, p. 10, 11.
 
[ VII ] hadden moeten missen, aan hunne erfgenamen te verzekeren [1]. — Reeds spoedig schijnen bij deze collectie gevoegd te zijn vyf schilderstukken uit het St. Barbara- en St. Laurensgasthuis (gemeenlijk Kranengasthuis genaamd naar de daarvoor geplaatste kraan), dat tusschen 1796 en 1801 tot kazerne ingericht was en welks regenten blijde geweest zullen zijn, dat zij voor de zeer omvangrijke stukken een geschikt onderkomen gevonden hadden.


 Toen het genootschap Kunstliefde bij beschikking van Burgemeesteren dd. 11 December 1815 »het gebruik” der op de teekenzaal van het ingeslapene schilderscollege voorhandene »meubilaire en andere goederen” verkreeg, kwam het daardoor dus dadelijk in het bezit van een niet te versmaden artistieken schat. Blijkens den overgelegden inventaris bevonden zich daarbij de volgende schilderijen [2]:

  No. 1. Een grote historieele ordonnantie door Jordaans, behorende aan den heer A. J. Van Mansveld.
» 2. en 3. Twee dito dito voorstellende Jupiter en Io en de wederga Jupiter en Mercuur.
» 4. De werken van barmhartigheid door Droogsloot.
» 5. De landing van Paulus op ’t eiland Milete, en
» 6. De barmhartige Samaritaan, beide door Willaerts.
» 7. en 8. De gast zonder bruiloftskleed en een dito.
Deze vijf genoemde behoren aan ’t Krane gasthuis [3].
» 9. Een heilige familie in een landschap door Bloemaert.
» 10. Herders en herderinnen in een landschap door J. Van den Bijlert.
» 11. Een Protestantsche kerk. Kaarslicht door D. De Blieck.
» 12. Een zinnebeeldige voorstelling op de schilderkunst door D. De Blieck.
» 13. Een oude man en vrouw in een binnehuis.
» 14. Een battaille door J. Van Hugtenburg.
» 15. Een biddende Petrus door Bloemaert.

  1. Als voorbeelden van schilderijen, die op deze wijze in de collectie gekomen zijn, noemen wij de Nos. 28, 61 en 98, geschonken door de leden van het college Grothe en Smissaert.
  2. „Notitie der meuhelaire en andere goederen, welke op de stads tekenzaal bevonden worden. 1. Op de Vergaderzaal. 1. Schilderijen.”
  3. Het blijkt niet duidelijk, maar het schijnt, dat ook No. 2 en 3 aan het gasthuis behoorden: bedoelt de steller de „vijf” nommers of de „vijf” schilderijen? Het eerste zou men gissen, omdat ook No. 1 niet aan het college behoorde: eerst met No. 9 begint de eigenlijke eollectie der Teekenacademie.
 
[ VIII ]
  No. 16. Democriet nevens de wereld door dito.
  » 17. Een gezicht op den Dom over de Gaardbrug te zien door Liender.
  » 18. Een Brabandsch landschap door Zwagers.
  » 19. Een Italiaansch landschap met ruïnes.
  » 20. Drie stuks met schepen door A. Stork.
  » 21. Agt stuks getekende academiebeelden in lijsten en glazen.
  » 22. De smeeders van Vulcaan geboetseerd.
  » 23. Twee pleisterhoofden op consoles.” [1]

 Rustig en ongestoord bleef deze kleine collectie in het gebouw aan de Minderbroederstraat tot 1830 toe. In dat jaar werd het geheele gebouw, waarin zij geplaatst was, aan de hoogeschool in gebruik gegeven. Wel verkreeg Kunstliefde toen van het stedelijk bestuur de kostelooze beschikking over een ander gebouw »het huis van Themaat” Achter den Dom, maar eene gelegenheid om de meerendeels zeer groote schilderstukken daar te bergen bestond niet, en de stad moest dus de in depot gegevene schilderijen terugnemen. In het stadsarchief berust eene lijst van »overgenomen schilderijen van den heer W. A. Haanebrink [2] 20 November 1830.” Men vindt daarop:

»Twee groote historische ordonnantien, voorstellende Jupiter en Io en de wedergade Jupiter en Mercuur. (No. 26 [3]).
Een heilige familie in een landscliap door Bloemaart. (No. 47.)
Herders en herderinnen in een landschap door Bylaardt. (No. 28.)
Een Protestantsche kerk bij kaarslicht door D. De Blieck. (No. 15.)
Een zinnebeeldige voorstelling der schilderkunst door Wigman. (No. 83.)
Een oude man en vrouw in een binnenhuis (als Heemskerk). (No. 14.)
Een bataille door J. Van Hugtenburg. (No. 56.)
Een biddende Petrus door Bloemaart. (No. 53.)
Democriet nevens de wereld door Bloemaart [4].
Een gezicht op den Dom door Liender. (No. 61.)
Een Brabandsch landschap door Zwagers. (beschadigd.)(No. 148.)
Een Italiaansch landschap met ruïnes. (No. 27.)

  1. Notulen van Kunstliefde. 1 April 1816.
  2. De heer W. A. Haanebrink was in 1830 secretaris van bet genootschap Kunstliefde. De lijst is van de hand van den chef der secretarie (tevens opzichter van het Museum van oudheden) W. A. Boers.
  3. De schilderij Juno met Argus en Io berust zwaar beschadigd ten stadhuize.
  4. Pendant van het voorgaande nommer, thans ten stadhuize.
 
[ IX ]
Drie stuks met scheepen door A. Stork. (No. 68, 100, 101.)
De smeders van Vulkaan geboetseerd [1].
Een mansportrait. (No. 93.)”

 Zonder eenigen twijfel is dit de lijst der door Kunstliefde aan de stad overgegevene schilderden. Het feit van de afgifte leeft nog in de herinnering der leden, al is het nergens geboekt, en de overeenkomst van deze lijst met die van 1816 neemt alle onzekerheid weg. Kunstliefde had de haar toevertrouwde schatten getrouw beheerd: men mist alleen de schilderij van den heer Van Mansveld, die zeker door den eigenaar teruggenomen was, — de vijf stukken van het Kranegasthuis, die evenwel later allen ten stadhuize aanwezig waren, — en de geteekende »academiebeelden” met de »pleisterhoofden,” die denkelijk met de verzameling modellen van het genootschap vereenigd en niet meer te identificeeren waren. Vermeerderd was de collectie in dien tijd trouwens ook niet [2]. Beter lot wachtte haar in dit opzicht op het stadhuis, waarheen ze nu overgebracht werd.  Sedert de verbouwing van het stadhuis in 1824 had de kunstlievende burgemeester Van Asch van Wijck zich beziggehouden met de samenstelling van een museum van oude Utrechtsche kunst, dat uit verschillende bestanddeelen langzamerhand bijeenkwam en in 1838 geopend werd. Van ouds was de stad Utrecht natuurlijk in het bezit van verscheidene schilderijen. De talrijke van harentwege geadministreerde, later geannexeerde kloosters zullen zeker vele kunstvoortbrengselen bezeten hebben; en daar reeds ééne geseculariseerde broederschap aan de stad vier schilderijen van Jan Van Scorel leverde, zullen zeker de overige niet geheel ontbloot geweest zijn van geschilderde altaarstukken en andere kerkelijke kunstwerken, die niet van edel metaal vervaardigd waren en dus aan de vernietigende hand der commissarissen van 1578 [3] ontsnapt waren. Daarbij bestelde de stad Utrecht evenals hare 17e eeuwsche zusters nu en dan schilderijen


  1. Dit stuk berust thans in het Museum van oudheden ten stadhuize (No. 413), waar het beter thuis behoort dan in een schilderijenmuseum. Het is eene kopie naar eene gravure van Corn. Bos.
  2. Het „mansportrait” (No. 93 van dezen catalogus) mag geene vermeerdering heeten: het behoorde blijkens het achterop geplakte briefje reeds aan de Teekenacadcmie en was bij de vroegere inventarisatie blijkbaar vergeten.
  3. Zie over de overgave der kerkelijke kunstschatten van Utrecht aan deze commissie: Inventaris van het goud- en zilverwerk der Utrechtsche geestelijke gestichten, in: Archief van het aartsbisdom Utrecht. VII. p. 284.
 
[ X ] tot opluistering van haar raadhuis: zoo weten wij o. a., dat zij in 1662 tot versiering der nieuwe raadkamer bestelde eene afbeelding van het stadhuis zelf door A. Honich, — eene afbeelding van het oude kasteel Vredenhurg door W. Van Swaenenhurch, — en de afbeeldingen van de burgemeesters van Utrecht in hun eigenaardig oud kostuum en van de oude stadsbanier, beiden naar oude kerkglazen geschilderd door denzelfden W. Van Swaenenburch. Ook aan schoorsteenstukken was het oude Utrechtsche stadhuis niet arm: de raadkamer prijkte met eene afbeelding van de Nederlandsche maagd door W. Doudyns, de gerechtskamer met eene voorstelling der Gerechtigheid door J. Buys.
 Dit alles en nog veel meer vormde na verloop van jaren een imposant geheel, dat over verschillende stedelijke gebouwen verdeeld schijnt te zijn. Een groot gedeelte was in de Aalmoezenierskamer (in de Brigittenstraat) geborgen, — een lokaal, dat tevens als bergplaats voor de fraaie oude meubelen der stad schijnt gediend te hebben. Dat er kunststukken in dit gebouw schuilden, blijkt wel uit het feit, dat zich daaronder eene schilderij van Poussin, Christus’ doop in den Jordaan voorstellende, moet bevonden hebben [1]. Het lot van deze verzameling was treurig: in den Franschen tijd, toen allerwege gebrek heerschte, had de Aalmoezenierskamer een buitengewoon grooten voorraad turf op hare zolders doen opslaan, maar het oude wrakke gebouw (een gedeelte van het oude Brigitten-klooster) kon de zware vracht niet dragen en bezweek plotseling bij nacht [2]. Den volgenden morgen vonden de buren een hoop puin en turf, waaronder hier en daar de overblijfselen van Utrechts kunstschatten te voorschijn kwamen. Men zal zich in die dagen niet sterk om die ramp bekommerd hebben: alles werd naar het stadsvenduhuis aan de Mariaplaats gevoerd en daar verkocht. Ouden van dagen herinneren zich nog, dat de schilderijen op de straat gezet met de vlakke zijden tegen elkander een lange rij vormden, die op een goeden dag bij de voet of bij de el aan de meestbiedenden verkocht werd! Men verhaalt daarbij, dat onder dezen chaos nog vele vrij goed bewaarde kunstwerken gevonden werden, die den koopers belangrijke winsten bezorgden.
 Een ander gedeelte van de stedelijke schilderijen, op het stadhuis gebleven, had geen beter lot. Tijdens den afbraak van het eerwaardige gebouw werden volgens den architect
  1. Vlg. Utr. Volksalm. 1867. p. 148.
  2. Kramm in: Utr. Volksalm. l. c.
 
[ XI ] Kramm »de oude meubelen, schilderijen en verdere historsche voorwerpen door het bestuur opgeruimd en naar stadswerkhuis vervoerd bij de Maliepoort, om later er weder in te plaatsen. Dit alles is geschied zonder de minste zorg, aan het werkvolk overgelaten, die de schilderijen als oude prullen beschouwden, en smeten die maar tegen en op malkanderen, zoodat veele gescheurd en met lappen er bij hingen. Ik heb dien toestand ontdekt”, dus vervolgt de heer Kramm, »omdat de beroemde zeeschilder Schotel mij verzegt, of ik hem niet eene afbeelding konde bezorgen van een echt Spaans gallioen, daar hij geen afbeelding van kende. Daar ik wist dat er eenige schilderijen, zeeslagen door Vroom geschilderd, op het oude stadhuis in de vierschaar gehangen hadden [1], en die kon gebruiken, ging (ik) naar gemeld magazijn en na vele moeiten tusschen dien hoop schilderijen vond ik wat ik hebben moest, en nam de gevraagde afbeelding daarvan af, die voor den titelprent van Mr. J. Scheltema’s Onoverwinnelijke vloot gediend heeft. Nu vraag ik: waar zijn bijna de meeste schilderijen gebleven? slechts eenige zijn op het nieuwe stadhuis teruggekomen” [2]. Wij kunnen de vraag niet beantwoorden, maar zeker is het, dat er voor eene aanzienlijke stad als Utrecht zéér weinig is overgebleven; ook de aangehaalde schilderijen van Vroom zijn te gronde gegaan!


 Men zou lichtelijk denken, dat na twee zulke grondige opruimingen de aankomst ten stadhuize van de schilderijen der Teekenacademie met vreugde werd begroet. Juist was men bezig met het samenstellen van een museum van oude kunst en de aanwinst was dus zeer belangrijk. Maar verre van daar: van eenige ingenomenheid geen spoor! Streng vasthoudende aan het denkbeeld om alleen voorwerpen op te nemen, die op Utrecht betrekking hadden[3], nam men alleen het kleine schilderijtje van


  1. Het is vreemd, dat deze schilderijen door Kramm in zijne Levens der schilders. VI. p. 1814 niet genoemd worden.
  2. MS. aanteekeningen van C. Kramm. (Stadsarchief.)
  3. Deze overdrevene vasthoudendheid aan een systeem schijnt Utrecht ook het bezit van een uitgebreid schilderij-museum, het Museum Boymans, gekost te hebben. Mag men den heer Kramm gelooven, dan werd dit museum door den eigenaar herhaaldelijk aan de gemeente Utrecht aangeboden, maar stuitte het plan steeds af op den onwil van burgemeester Van Asch van Wijck om daarvoor een lokaal in te richten, zelfs toen de daartoe zoo uiterst geschikte kazerne Leeuwenberch (thans het Chemisch Laboratorium), die aan de stad behoorde, vacant kwam. (MS. aanteekeningen van C. Kramm. Stadsarchief. — Vgl. ook: Kramm, Levens der schilders. I. p. 144.) Vreemde tegenstelling! de
 
[ XII ]

P. Van Liender (gezicht op de Oude gracht. No. 61) in het museum op, en verwees alle overige stukken naar den zolder, waar ze blijkbaar vergeten werden. Immers hoe anders het feit te verklaren, dat in de 2e editie van den Catalogus van bet museum van oudheden (omstreeks 1847 verschenen) uit de verzameling der Teekenacademie, behalve het genoemde stuk van Van Liender, alleen werden opgenomen »De biddende Petrus” en Huchtenburgs »Bataille”, terwijl alleen de drie stukken van Droochsloot werden uitgezocht uit de collectie van het Kranegasthuis, die toch, als afkomstig uit een Utrechtsch gesticht, volgens het aangenomene systeem in haar geheel had behooren geëxposeerd te worden? Op den zolder van het stadhuis bleef de collectie der Teekenacademie liggen, totdat in 1873 het genootschap Kunstliefde daarvan de beste stukken redde; de overigen werden in 1874 daar nog gevonden en toen eindelijk op de portalen opgehangen en voor verder bederf beveiligd. Tot deze verlatenen behooren twee van de schilderijen uit bet Kranegasthuis (Paulus op Malta door Adam Willaerts en de Barmhartige Samaritaan), het bovenvermelde schoorsteenstuk van J. Buys, en de »wederga” van de in dit museum berustende schilderij »Jupiter en Mercurius” van J. G. Van Bronchorst, voorstellende Juno met Argus en Io. Het laatste kolossale stuk was door een lek zoodanig beschadigd, dat aan eene restauratie voorloopig niet gedacht kon worden [1].
 Maar genoeg, wenden wij ons thans tot dat gedeelte der stedelijke verzameling, dat in het Museum van oudheden sedert 1838 eene behoorlijke huisvesting gevonden had. Dat gedeelte was klein. Het bestond uit hetgeen van de oude stedelijke collectie was overgebleven: de Jeruzalemsbroeders, van Scorel, — de afbeeldingen van het kasteel Vredenburch, de burgemeesters en de stadsbannier door Van Swaenenburch, — Honichs stadhuis, — eene afbeelding van de St. Salvatorskerk, in 1758 aan de stad geschonken door den heer C Meijen — en eene geschilderde kaart van de vrijheid der stad (thans nog in het Stedelijk museum onder No. 2111 berustende), in 1539 voor de stad Utrecht geschilderd door E. Van Schayck. Verder vond men daar eenige geschenken (waaronder uitmuntten Scorels altaarstuk van het Kruisgasthuis en Droochsloots


    man, die Utrecht een Museum van oudheden bezorgde, beroofde het van een Museum van schilderijen! Was het aanbod aangenomen, de collectie Boymans ware niet verbrand. Tot verontschuldiging van den burgemeester diene, dat de collectie bij het leven van haren stichter niet zeer gunstig bekend was.

  1. Het ware zeer te wenschen, dat men thans nog van dit stuk door verdoeking redde wat er van te redden valt.
 
[ XIII ] Waardgelders), enkele aankoopen meestal van zuiver topographisch belang (maar toch ook de Verzoeking van St. Antonius). Van Lienders Oude gracht en enkele stukken van onzekere herkomst. — De 2e editie van den catalogus, kort na 1847 verschenen, bevatte meer: men vond er behalve de bovenvermelde twee stukken van de Teekenacademie (De biddende Petrus en Huchtenburgs Bataille) en de drie Droochsloots uit het Kranegasthuis nog het schoorsteenstuk van Doudijns, dat bij de verbouwing van de raadzaal in 1845 zeker van daar verwijderd was, en verschillende geschenken, waaronder vermelding verdienen Droochsloots Ganzenmarkt en de portretten van D. De Goyer, Karel V en den »Oude van 39 jaren;” ook Rosemales St. Janskerk was sedert 1838 verkregen.


 Eene schenking van meer omvang verdient afzonderlijke vermelding. Wij kunnen aannemen, dat de schilderijen van de kloosters en de broederschappen, voor zooverre die aan de stad Utrecht ten deel gevallen waren en niet op het stadhuis geëxposeerd waren (zooals de portretten van de Jeruzalembroeders), bij de instorting van de Aalmoezenierskamer zijn ondergegaan; ook enkele stukken van gilden [1], waarvan eenigen in het gebouw der Aalmoezenierskamer vergaderden, kunnen daarbij geweest zijn. Eene derde categorie van schilderijen-collectiën was die der gasthuizen. Deze collectiën waren zeker niet onbelangrijk. Wij weten, dat het St. Jobsgasthuis alleen 51 schilderijen bezat [2]; van het Kranegasthuis zijn vijf kapitale stukken tot ons gekomen; het H. Kruisgasthuis bewaarde tot voor eene halve eeuw een altaarstuk van Scorel; het St. Antoniusgasthuis een groot stuk van G. Van Honthorst [3]. Wie weet,


  1. De schilderijen van het Smedengild alleen zijn nog bewaard. Zij hangen thans in het Eloyengasthuis in de Boterstraat. Het meerendeel dezer collectie is onbeduidend: er is echter een R. Savery, veel gelijkende op No. 73 van dezen catalogus.
  2. Zie de lijst van 34 daarvan bij: Muller, Schildersvereenigingen te Utrecht, p. 133.
  3. Dit stuk werd eerst in de vorige eeuw aan het gesticht geschonken. De eigenlijke collectie van het gasthuis, vermeerderd met enkele zeker merkwaardige oude stukken uit het Karthuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht, is spoorloos verdwenen. Ziehier wat daarover de inventarissen der meubelen van het St. Antonie-gasthuis mededeelen:

    I. (1603?)

    „Een schilderije van St. Anthonis temtatie met vergulde lijsten. (Niet dezelfde als de onder No. 2 hierna beschrevene schilderij.)
    Een schilderije gecommen van Octaviaen dell Ponto met ut supra. (Zie hierna p. XVII Noot 2.)