In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IX. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

X.

XI.


[ 79 ]
 

HOOFDSTUK X.

 

 

—"Nu ik u onze manier van koopen zal uitleggen," zeide mijne begeleidster, toen wij op straat waren, "moet gij mij de uwe vertellen. Ik heb dat nooit kunnen begrijpen, na alles wat ik er over gelezen heb. Bijvoorbeeld, toen gij zoo'n groot getal winkels hadt, elk met zijn verschillenden voorraad, hoe kon dan iemand ooit een keus doen voordat zij alle winkels had bezocht; want eerder kon men toch niet weten wat er te kiezen viel."

—"Zoo was het ook," antwoordde ik, "dat was het eenige middel."

—"Nu, vader noemt mij een onvermoeide koopster, maar ik zou gauw moe zijn als ik ook zoo moest doen," zeide Edith lachende.

—"Het tijdverlies," ging ik voort, "door winkel in, winkel uit te gaan, werd dan ook door de dames heel erg gevonden; maar voor de dames van de nietsdoende klasse, ofschoon zij er ook over klaagden, voor hen was het, geloof ik, eerder een uitkomst om den tijd zoek te brengen."

—"Maar aangenomen dat er duizend winkels in een stad waren, honderden misschien, van dezelfde soort, hoe kon iemand die den meesten tijd had nog gelegenheid vinden om overal te gaan?"

—"Zij konden natuurlijk niet werkelijk overal gaan," antwoordde ik. "Zij die veel kochten wisten ten slotte wel waar zij konden vinden wat zij noodig hadden. Deze klasse van personen hadden zich toegelegd op de wetenschap van de winkels en deden voordeelige inkoopen, zij kregen [ 80 ] altijd het meeste en het beste voor het minste geld. Maar om deze kennis op te doen moesten zij veel ondervinding hebben. Die te veel te doen hadden of te weinig kochten om ondervinding te krijgen, liepen slechte kansen en kregen het minste en het slechtste voor het meeste geld. Het was een uitzondering als menschen die geen verstand hadden van winkels, de waarde voor hun geld ontvingen."

—"Maar waarom werd zulk een verschrikkelijk lastig stelsel niet afgeschaft als gij toch de gebreken er van zoo goed opmerktet?"

—"Het was zoo met al onze maatschappelijke inrichtingen," antwoordde ik; "gij kunt hunne fouten kwalijk beter zien dan wij, maar wij wisten er niets op."

—"Hier zijn wij aan het magazijn van onze afdeeling," zeide Edith, terwijl wij de poort binnengingen van een van de prachtige openbare gebouwen die ik op mijn ochtendwandeling had ontdekt. Van buiten had het gebouw niets van een winkel in den vroegeren zin. Er was geen etalage van artikelen in de groote vensters, of geen toestel om dingen te adverteeren of klanten te lokken. Noch was er eenig teeken of opschrift voor den gevel van het gebouw om den aard van de koopwaren aan te duiden; maar in de plaats daarvan, boven den ingang, een indrukwekkende, levensgroote gebeeldhouwde groep, waarvan de voornaamste figuur de Overvloed was, met haren hoorn. Te oordeelen naar de samenstelling van de menigte die in en uitstroomde, bestond er ongeveer dezelfde verhouding tusschen de geslachten in de winkelbezoekers als in de negentiende eeuw. Terwijl wij binnengingen zeide Edith dat er een van zulke groote magazijnen in elke afdeeling van de stad was, zoodat niemand verder dan vijf of tien minuten te [ 81 ] loopen had. Het was de eerste keer dat ik een openbaar gebouw van de twintigste eeuw van binnen zag, en het schouwspel maakte een diepen indruk op mij. Ik kwam in een reusachtige zaal of hal, vol licht, niet alleen stroomend door de ramen aan beide kanten maar ook van uit den koepel, honderd voet boven den grond. Daaronder, in het midden van de hal, klaterde een prachtige fontein, die de atmosfeer heerlijk koel maakte. De muren in de zoldering waren beschilderd in zachte tinten om het felle licht te verzachten, zonder het op te slorpen. Om de fontein heen was een reeks zitplaatsen gebouwd, stoelen en sofa's, waar vele menschen zaten te praten. Opschriften op de wanden duidden aan, welke soorten van goederen verkrijgbaar waren aan de toonbanken er onder. Edith richtte hare schreden naar een van de toonbanken, waarop stalen van manufacturen in een verbazende veelsoortigheid waren uitgestald, en begon ze te bekijken.

—"Waar is de bediende?" vroeg ik, want er was niemand achter de toonbank en er scheen niemand te komen om de koopster te helpen.

—"Ik heb nog geen bediende noodig," zeide Edith. "Ik ben nog niet klaar met uitkiezen."

—"Het was vroeger juist de voornaamste bezigheid van de bedienden om de menschen te helpen kiezen," zeide ik.

—"Wat, om de menschen te vertellen wat zij noodig hadden?"

—"Ja, en meer nog om hun te laten koopen wat zij niet noodig hadden."

—"Maar vonden de menschen dat niet erg onhebbelijk?" vroeg Edith verwonderd. "Welk belang konden zij er bij hebben of de menschen kochten of niet?"

—"Het was hun eenig belang," antwoordde ik. "Zij [ 82 ] waren opzettelijk gehuurd om de goederen van de hand te doen, en moesten hun uiterste best doen, tot geweld plegens toe, om dat doel te bereiken."

—"O ja, natuurlijk, hoe dom van mij om dat te vergeten," sprak Edith. "De winkelier en zijn bedienden leefden van den verkoop. Dit is nu alles anders. Het goed is van de natie, en het ligt hier voor degeen die er van noodig heeft, en het is het werk van de bedienden om de menschen te helpen om hun bestellingen aan te nemen; maar het belang van het personeel is niet in 't minst betrokken bij dat wat de koopers niet noodig hebben." Zij glimlachte toen zij er bij voegde: "hoe bijzonder vreemd moet het geweest zijn bedienden te zien die hun best deden om iets te slijten dat de menschen niet wilden hebben of waar zij over twijfelden!"

—"Maar zelfs een twintigste-eeuwsche bediende zou nuttig kunnen wezen door u inlichtingen te geven, al behoefde hij u niet lastig te vallen om te verkoopen."

—"Neen," zeide Edith, "dat is niet het werk van het personeel. De gedrukte kaarten, waar de regeering voor verantwoordelijk is, geven ons al de inlichtingen, die wij maar kunnen wenschen."

Ik zag toen dat aan al de stalen een kaart gehecht was, die in beknopten vorm een volledig overzicht van alles betreffende de stof en de samenstelling van het artikel bevatte, met den prijs er bij, zoodat niets overbleef om naar te vragen.

—"Dus heeft de bediende niets mee te deelen over de dingen die hij verkoopt?" vroeg ik.

—"Volstrekt niets; het is niet noodig dat hij iets weet of voorwendt te weten van zijn artikelen. Beleefdheid en accuratesse is alles wat van hem gevergd wordt."

[ 83 ] —"Wat spaart die eenvoudige schikking een enorme massa leugens uit!" was mijn uitroep.

—"Bedoelt u dat alle winkeliers vroeger logen over hun waar?" vroeg het meisje.

—"De hemel beware mij voor zoo iets te zeggen," antwoordde ik; "want velen deden het niet, en dat was een bijzondere verdienste van hen, want als iemands bestaan met dat van zijn vrouw en kinderen afhangt van de hoeveelheid goederen, die hij aan den man brengt, is de verzoeking om den kooper te bedriegen, of niet te voorkomen dat hij zich vergist, zeer sterk, Maar, juffrouw Leete, ik houd u op door mijn gepraat?"

—"O neen," zeide zij. "ik ben klaar. Zij drukte op een knop en onmiddellijk verscheen een bediende. Hij noteerde hare bestelling op een blaadje papier, waarvan hij een copie maakte, een aan haar gaf en de andere ineen couvert in een bus wierp.

—"Het duplicaat van de bestelling," zeide Edith, terwijl zij heenging, nadat de bediende de waarde van het bestelde uit de kaart had geknipt, die zij hem gegeven had, "wordt aan den kooper gelaten, zoodat vergissingen gemakkelijk hersteld kunnen worden."

—"U was gauw klaar met uitzoeken," merkte ik op.

"Mag ik vragen, hoe u wist dat er in andere magazijnen niet iets was dat u liever hadt? Maar u moet misschien koopen in uw district."

—"O, neen," antwoordde zij. "Wij koopen waar wij willen, maar natuurlijk het meeste dicht bij huis. Maar het zou mij niet geholpen hebben om naar een anderen winkel te gaan. De keus is overal hetzelfde, in elk geval zijn er vertegenwoordigd alle stalen van wat door de Vereenigde Staten wordt gemaakt of ingevoerd. Daarom [ 84 ] kan iemand spoedig besluiten en behoeft nooit naar twee magazijnen te gaan."

—"En is dit alleen een winkel voor stalen?" vroeg ik. "Ik zie geen bedienden goed afsnijden of pakken maken."

—"Al onze winkels zijn alleen voor stalen," antwoordde Edith, "behalve voor enkele artikelen. Behalve die zijn alle goederen in het centrale stadsmagazijn, vanwaar zij onmiddellijk aan de koopers worden bezorgd. Wij bestellen op de stalen en op de gedrukte mededeeling aangaande de bijzonderheden. De orders worden naar het pakhuis gezonden en de goederen daar geëxpedieerd."

—"Dat moet heel wat werk uitsparen," zeide ik. "In ons stelsel verkocht de fabriekant aan den groothandelaar, de groothandelaar aan den winkelier en de winkelier aan den verbruiker, zoodat de goederen elken keer moesten verzonden worden van den een naar den ander. Gij wint den kleinhandelaar uit en zijn behandeling van het artikel, met zijn groote winst en het leger van bedienden dat hij noodig heeft. Dus is dit magazijn alleen een bestelhuis van een grossierskantoor, met niet meer dan zijn personeel. Met onze manier, het overhalen van de klanten om te koopen, de dingen in te pakken en te bezorgen, zouden tien bedienden niet doen, wat hier een doet. Het is eene enorme bezuiniging."

—"Dat denk ik wel," zeide Edith, "maar wij zijn nooit anders gewend geweest. En u moet vooral niet vergeten om vader te vragen u het centrale pakhuis te laten zien, waar zij de bestellingen uit de verschillende winkels opnemen en de goederen verpakken en verzenden. Onlangs heeft hij mij eens meegenomen, en het was een wonderlijk schouwspel. Het systeem, is zeker volmaakt, zie bij [ 85 ] voorbeeld eens in dat kantoor den expediteur van de orders. Naarmate zij overal in het magazijn worden ontvangen, krijgt hij ze door buizen. Zijn helpers sorteeren ze en doen ze in doozen, soort bij soort. De expediteur heeft voor zich een dozijn luchtdruk-buizen voor de verschillende hoofdafdeelingen van de artikelen, die verbonden zijn met de overeenkomstige afdeelingen in het pakhuis. Hij doet de doos met bestellingen in de bepaalde buis en eenige oogenblikken later wordt die ontvangen in de bepaalde kamer van het centrale kantoor, waar alle dergelijke bestellingen van alle winkels samen komen. De orders worden opgelezen, geboekt en verzonden om te worden uitgevoerd, alles met den meesten spoed. De uitvoering vind ik het interessantst. Balen laken worden op assen gezet en rondgedraaid door een machine, en de afsnijder, die ook een machine heeft, bewerkt de eene baal na de andere, tot hij moe is, dan komt er een andere man in zijn plaats; en zoo gaat het overal waar bestellingen worden uitgevoerd. De pakken worden dan door grootere buizen naar de verschillende wijken van de stad bezorgd, en zoo naar de huizen. Hoe gauw dit alles gaat zult u begrijpen als ik zeg, dat mijn bestelling eerder thuis zal wezen dan wanneer ik het goed van hier naar huis moest dragen."

—"Hoe gaat het in de weinig bevolkte plattelandsdistricten?" vroeg ik.

—"Het stelsel is hetzelfde," verklaarde Edith; "de dorpswinkels zijn in verbinding met de dorpspakhuizen, die wel eens twintig mijlen verder zijn. Maar het gaat zoo gauw dat het tijdverlies luttel mag genoemd worden. Om werk uit te sparen, zijn in veel provinciën verscheidene dorpen door éen buizennet met het pakhuis aangesloten en dan is er eenig tijdverlies door het wachten [ 86 ] van den een op den ander. Soms duurt het twee of drie uur voordat men de dingen heeft. Zoo was het waar ik verleden zomer logeerde en ik vond het heel lastig."

—"Ook nog in andere opzichten zal de dorpswinkel achterstaan bij den stadswinkel," gaf ik te kennen.

—"Neen, dat niet," antwoordde Edith, "overigens zijn zij even goed. Het bestelhuis van het kleinste dorp geeft u de keus van alles wat de natie bezit, want het landelijk pakhuis wordt voorzien precies als het stedelijk pakhuis."

Terwijl wij naar huis gingen, vroeg ik over het groote verschil in de afmetingen en de kostbaarheid van de huizen.—"Hoe kan dit onderscheid samengaan met het feit dat alle ingezetenen hetzelfde inkomen hebben?"

—"Het inkomen," zeide Edith, "is wel hetzelfde, maar de persoonlijke smaak beslist hoe ieder het besteden zal. Sommigen houden van mooie paarden, anderen, zooals ik, meer van mooie kleeren, en weer anderen van een uitvoerig menu. De huur die de natie krijgt voor de huizen wisselt af naar de grootte, de fraaiheid en de ligging, zoodat iedereen kan hebben wat hij verlangt. De grootere huizen worden in den regel door groote gezinnen bewoond, waarvan verscheidene leden samen de huur betalen; kleine families, zooals wij, vinden kleinere woningen gemakkelijker en goedkooper. Het is heelemaal een quaestie van smaak en van gemak. Ik heb gelezen dat in oude tijden de menschen dikwijls leefden op een groeten voet om elkaar wijs te maken dat zij rijker waren dan zij waren. Is dat wezenlijk zoo, Mijnheer West?"

—"Ik kan het niet tegenspreken," was mijn antwoord.

—"Nu, u ziet dat dit tegenwoordig niet zou kunnen, want ieders inkomen is bekend en het is bekend dat [ 87 ] wat men op de eene manier verteert, op een andere moet worden uitgewonnen."