In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/9

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VIII. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

IX.

X.


[ 66 ]
 

HOOFDSTUK IX.

 

 
Mijnheer en Mevrouw Leete schrokken niet weinig, toen zij spoedig daarna beneden kwamen, nu zij hoorden dat ik reeds door de heele stad was geweest, en het was duidelijk dat zij aangenaam verrast waren dat het geval mij zoo weinig had aangegrepen.

—"Uw wandeling moet natuurlijk zeer interessant zijn geweest," begon Mevrouw Leete, toen wij weldra om de ontbijttafel gezeten waren. "U zult heel wat nieuws hebben gezien."

—"Bijna alles wat ik zag was nieuw," antwoordde ik.

"Maar wat mij onder anderen verwonderde was dat ik geen winkels of bankierskantoren zag. Wat is er met de handelaars en de bankiers gebeurd? Zijn zij allemaal opgehangen, zooals de anarchisten vroeger wilden doen?"

—"Zoo erg niet," zeide Dr. Leete. "Wij hebben ze eenvoudig aan den dijk gezet. Hun functiën zijn niet noodig in de moderne wereld."

—"Wie verkoopt u dan de dingen die gij wenscht te koopen?" vroeg ik.

—"Er wordt tegenwoordig niet verkocht of gekocht; de verdeeling van goederen gaat nu anders. En bankiers — [ 67 ] omdat wij geen geld hebben, zijn die heeren ook overbodig."

—"Juffrouw," zeide ik, tegen Edith, "ik vrees dat uw vader een loopje met mij neemt. Ik neem het hem niet kwalijk, want de verleiding door mijn onnoozelheid moet heel sterk wezen. Maar er zijn toch grenzen aan mijn lichtgeloovigheid wat mogelijke wijzigingen in de maatschappij betreft."

—"Vader denkt niet aan scherts, dat weet ik zeker," antwoordde zij met een geruststellend lachje.

Het gesprek nam nu een andere wending; het onderwerp van dames-modes werd, als ik mij wel herinner, door Mevrouw Leete teberde gebracht, en niet voor na het ontbijt, toen de dokter mij uitgenoodigd had hem te volgen naar het dak, waar hij blijkbaar het liefste was, kwam hij op het chapiter terug.

—"Het verbaasde u, toen ik zeide dat er tegenwoordig geen handel en geen geld meer was, maar een oogenblik nadenken zal u overtuigen dat er handel bestond en geld in uw tijd noodig was alleen omdat de productie aan particulieren was overgelaten, en dat een en ander dus nu overbodig is."

—"Ik zie niet dadelijk hoe dat in elkaar zit," antwoordde ik.

—"Het is toch zeer eenvoudig," merkte Dr. Leete op. "Toen ontelbare en van elkander onafhankelijke personen de benoodigdheden voor het leven en voor uitspanning voortbrachten, was er een eindelooze ruil noodig tusschen de personen om hun te geven wat zij verlangden. Deze ruil was de handel en geld het onmisbaar ruil-middel. Maar zoodra de natie de eenige producente van alle soorten van goederen werd, was er geen ruil tusschen personen noodig. Alles werd verkrijgbaar gesteld in een magazijn [ 68 ] en nergens anders kon men iets ontvangen. Een stelsel van onmiddellijke verspreiding van uit de magazijnen kwam in de plaats van den handel en hiervoor had men geen geld noodig."

—"Hoe is die verspreiding ingericht?" vroeg ik.

—"Op de aller-eenvoudigste manier," antwoordde Dr. Leete. "Iedere burger van den staat wordt bij het begin van het jaar gecrediteerd in de grootboeken der natie met zijn aandeel in de jaarlijksche productie van het volk, en een krediet-kaart wordt hem ter hand gesteld, waarop hij in de openbare magazijnen die men vindt in elke gemeente,, kan krijgen alles wat hij verlangt en wanneer hij het verlangt. Deze schikking, zult gij zien, treedt in de plaats van allen koophandel tusschen producenten en consumenten. Misschien zult gij onze krediet-kaarten wel eens willen zien.

"U merkt op, ging hij voort terwijl ik met belangstelling het bordpapier bezag dat hij mij gegeven had, dat deze kaart een zeker aantal dollars vertegenwoordigt. Het oude woord hebben wij overgehouden, maar niet de zaak. Het woord dollar staat niet voor iets werkelijks, maar dient alleen als een teeken waarmede wij de waarde van verschillende goederen berekenen. Daarom is alles, geprijsd, in dollars en in centen, als in uw tijd. De waarde van wat ik op deze kaart neem wordt aangeteekend door den beambte, die van deze hokjes zooveel afknipt als ik bestel."

—"Als u iets wilt koopen van uw buurman, zou u dan een gedeelte van uw krediet op hem kunnen laten overschrijven?" vroeg ik.

—"Vooreerst," was het antwoord, "hebben onze buren niets aan ons te verkoopen, maar in geen geval is ons [ 69 ] krediet verplaatsbaar, het is strikt persoonlijk. Voor dat de natie een dergelijke overdracht zou goedkeuren, zou zij zich eerst naar al de omstandigheden van de zaak informeeren, om de volstrekte eerlijkheid er van te kunnen waarborgen. Het zou reden genoeg zijn geweest, al ware er geen andere geweest, om het geld af te schaffen, dat het bezit van geld niet bewijst dat men er recht op heeft. In de handen van iemand die het gestolen heeft of er een moord voor gedaan heeft, is het evenveel waard als voor hen die het door vlijt hebben verdiend. Tegenwoordig geven de menschen elkaar geschenken uit vriendschap, maar koopen en verkoopen wordt beschouwd als volstrekt onbestaanbaar met de wederzijdsche welwillendheid en opoffering die onder burgers behooren te zijn, en met het gevoel van gemeenschappelijk belang waarop ons maatschappelijk stelsel berust. Naar onze denkbeelden is koopen en verkoopen ten eenemale onmaatschappelijk in alle opzichten, het is eene oefening van onze zelfzucht ten nadeele van anderen, en geen samenleving waarvan de leden in zulk een school worden grootgebracht, kan zich verheffen boven een zeer lagen graad van beschaving."

—"Wat gebeurt er als gij eens meer noodig hebt op een jaar dan uw kaart aanwijst?" vroeg ik.

—"De voorraad is zoo groot dat wij gewoonlijk overhouden," antwoordde Dr. Leete. "Maar als buitengewone uitgaven zouden maken dat er een eind aan kwam, kunnen wij eenig voorschot krijgen op het volgende jaar, ofschoon deze manier van doen niet aangemoedigd wordt en er een hoog disconto wordt gerekend om het tegen te gaan. Natuurlijk als iemand een verkwister bleek, dan zou hij zijn deel per maand of per week ontvangen, of zelfs in het geheel niet toegestaan worden het zelf te administreeren."

[ 70 ] —"Als gij uw portie niet opmaakt, zal zij waarschijnlijk aangroeien?"

—"Dat wordt alleen gepermitteerd tot op zekere hoogte wanneer een buitengewone uitgave in het vooruitzicht is. Maar als men geen kennis geeft van het tegendeel, neemt men aan dat de ingezeten die van zijn krediet niet ten volle gebruik maakt, er geen gelegenheid voor heeft, en het overschot wordt gedaan bij het algemeene overschot."

—"Dit is een stelsel dat geen spaarzaamheid bij de burgerij aankweekt," merkte ik op.

—"Daar dient het ook niet voor," was het antwoord.

"De natie is rijk en verlangt niet dat iemand zich het gebruik van iets goeds ontzeggen zal. In uw dagen waren de menschen verplicht geld en goed te sparen voor het geval van toekomstig gebrek en voor hunne kinderen. Deze noodzakelijkheid maakte dat karigheid een deugd werd. Maar nu zou zij zulk een prijzenswaardig doel niet hebben, en met de nuttigheid is ook de lofwaardigheid verdwenen. Niemand kent eenige zorg voor de toekomst, noch voor hem-zelf, noch voor zijn kinderen, want de natie waarborgt het onderhoud, de opvoeding en het welvaren van elken burger, van de wieg tot aan het graf."

—"Hoe kan die dat waarborgen?" zeide ik. "Welke zekerheid heeft men dat de waarde van iemands arbeid de natie zal schadeloos stellen voor hare uitgaven te zijnen behoeve? Over het geheel kan de maatschappij mogelijk al hare leden onderhouden, maar sommigen zullen meer verdienen dan wat zij noodig hebben, en anderen minder. Dit brengt ons terug op de loonquaestie, waarover gij tot nu niet gesproken hebt. Het was juist [ 71 ] het punt, als gij u herinnert, waar wij gisteren-avond bij gebleven zijn, en ik zeg weer, evenals ik toen zeide, dat naar mijn idee uw arbeidsstelsel hier op de grootste moeielijkheid zal stuiten. Hoe, vraag ik nog eens, hoe kunt gij op een bevredigende wijze het loon of de vergoeding bepalen van de menigte beroepen, die noodig zijn voor de behoeften van de samenleving? Bij ons was de marktwaarde de prijs van den arbeid van alle soort, zoowel als van alle goederen. De werkgever betaalde zoo weinig als hij kon, de werkman vroeg zoo veel mogelijk. Het was zedelijk wel geen zeer fraai systeem, dat erken ik, maar het verschafte ons toch een ruwe en gemakkelijke formule om een quaestie uit te maken, die duizend keer per dag moet uitgemaakt worden zoolang de wereld niet stilstaat. Wij wisten geen andere praktische manier om ons te redden."

—"Ja," antwoordde Dr. Leete, "dat was de eenige praktische manier in een orde van zaken die de belangen van ieder particulier vijandig stelde tegenover de belangen van ieder ander; maar het zou jammer geweest zijn, indien het menschdom geen beter plan had kunnen maken, want het uwe was eenvoudig de toepassing op de onderlinge betrekkingen van de menschen, van de hondsche leuze: "de een zijn dood is den andere zijn brood." Het loon voor diensten hing niet af van het gevaar, de moeite of de inspanning die er aan verbonden was; want over de geheele wereld schijnt het dat de gevaarlijkste, de lastigste en de onaangenaamste bezigheid verricht werd door de slechtst-betaalde klassen; maar enkel van den nood van diegenen, die de diensten moesten gebruiken."

— "Dat geef ik alles toe," zeide ik. "Maar, met al de gebreken, was het systeem om de prijzen te regelen naar [ 72 ] de marktwaarde een praktisch systeem, en ik kan niet begrijpen welk voldoend middel gij in de plaats daarvan hebt uitgedacht. Als de regeering de eenige werkgeefster is, is er natuurlijk geen arbeidsmarkt of marktprijs. De loonen van alle soorten moeten willekeurig door de regeering worden vastgesteld. Ik kan mij geen samengestelder en lastiger werkkring denken dan deze, die, hoe ook vervuld, steeds algemeene ontevredenheid moet kweeken."

—"Ik geloof, met uw verlof," hervatte Dr. Leete, "dat gij de moeilijkheid overdrijft. Neem aan een lichaam van verstandige lieden, dat belast is met het vaststellen van alle soorten van loonen en dat bij een maatschappelijke organisatie die, zooals de onze, werk verschaft voor iedereen en de keuze van beroep vrij laat. Denkt gij niet dat, hoe onbevredigend de eerste tarieven ook mochten wezen, de fouten spoedig verbeterd zouden worden? De bevoordeelde bedrijven zouden spoedig te veel vrijwilligers tellen en de te min betaalde zouden te kort komen, totdat de onrechtvaardigheden verdwenen zouden zijn. Maar dit is buiten de quaestie, want, ofschoon dit plan uitvoerbaar zou wezen, het maakte geen deel uit van ons stelsel."

—"Hoe worden de loonen dan bepaald?" vroeg ik wederom.

Dr. Leete antwoordde niet dan na eenige oogenblikken van peinzend stilzwijgen.—"Ik weet natuurlijk," sprak hij vervolgens, "genoeg van de oude orde van zaken om precies te begrijpen wat gij met die vraag bedoelt; en toch is de tegenwoordige inrichting op dit punt zoo geheel verschillend dat ik zoeken moet naar de beste manier om u te beantwoorden. Gij vraagt mij hoe wij de [ 73 ] loonen bepalen; ik kan u alleen zeggen dat er geen begrip is in de tegenwoordige staathuishoudkunde dat overeen komt met hetgeen in uw tijd onder loonen werd verstaan."

—"Gij meent, houd ik het er voor, dat gij geen geld hebt om loonen uit te betalen," zeide ik. "Maar het krediet dat de arbeider krijgt in de regeerings-magazijnen is toch zooveel als zijn loon. Hoe wordt het bedrag van het loon bepaald voor de werklieden in de verschillende beroepen? Krachtens welk recht vraagt ieder persoon zijn deel. Wat is de grondslag van de toewijzing?"

—"Zijn recht," antwoordde Dr. Leete, "is zijn menschzijn. De grondslag van zijn aanspraak is het feit dat hij een mensch is."

—"Het feit dat hij een mensch is?" herhaalde ik ongeloovig. "Gij bedoelt toch waarlijk niet dat iedereen een even groot aandeel heeft?"

—"Zeer zeker."

De lezers van dit boek hebben nooit een ander stelsel in werking gezien, of misschien met attentie de berichten uit vroegere eeuwen gelezen toen een zeer verschillend stelsel heerschte, en zij zullen daarom de uiterste verbazing niet begrijpen waarin de eenvoudige mededeeling van Dr. Leete mij dompelde.

—"U ziet," zeide hij glimlachend, "dat wij niet alleen geen geld hebben om loonen meê te betalen, maar wij hebben, zooals ik u meêdeelde, niets wat overeenkomt met uw begrip van loon."

Ik was nu zoover dat ik eenige aanmerkingen kon laten hooren die bij mij, als man van de negentiende eeuw, dadelijk opgerezen waren.—"Maar sommige menschen doen dubbel zooveel werk als anderen!" riep ik [ 74 ] uit. "Zijn de knappe werklieden tevreden met een stelsel waarin zij op gelijke lijn staan met de alledaagsche?"

—"Wij laten geen enkele reden van ontevredenheid bestaan," antwoordde Dr. Leete, "door van iedereen precies evenveel dienst te verlangen."

—"Ik zou wel willen weten hoe gij dat gedaan krijgt, als de menschen niet dezelfde vermogens hebben."

—"Niets is zoo eenvoudig, wij verlangen de zelfde mate van inspanning, wij vragen zooveel diensten als het in ieders macht staat te leveren."

—"En gesteld dat iedereen zijn best doet," zeide ik, "dan is toch de productie van den een grooter dan die van den ander."

—"Dit is waar," hernam mijn gastheer; "maar de hoeveelheid van de productie heeft niets uit te staan met de quaestie, die een quaestie voor verdienste is. Verdienste moet met een zedelijken, het bedrag van de productie met een stoffelijken maatstaf worden gemeten. Het zou een zonderlinge redeneering zijn, om een zedelijke waarde te willen bepalen met een stoffelijken maatstaf. De hoogte van de inspanning bepaalt alleen wat, iemands verdienste is. Alle menschen die hun best doen, doen in dezen zin even veel. Iemands begaafdheden, hoe verheven ook, bepalen enkel de maat van zijne verplichtingen. De mensch met groote begaafdheden die niet alles doet wat hij kan, ofschoon hij mogelijk meer doet dan iemand van geringer talent, die zijn best doet, wordt beschouwd als een minder verdienstelijk werkman dan de laatste, en sterft als een schuldenaar van zijn natuurgenooten. De Schepper geeft iedereen zijn taak naar gelang van de hun geschonken bekwaamheden; wij verlangen eenvoudig dat ieders taak wordt volbracht."

[ 75 ] —"Dat is zeker een zeer mooie leer," zeide ik, "niettemin schijnt het onbillijk dat iemand die tweemaal zooveel voortbrengt dan zijn kameraad, zelfs al doen beiden hun best, niets meer zou krijgen."

—"Schijnt u dat werkelijk onbillijk?" vroeg Dr. Leete; "weet gij wel dat dit mij nu weer vreemd schijnt? Wat de menschen tegenwoordig vinden is dat iemand die tweemaal zooveel kan produceeren dan een ander, in plaats van beloond te worden als hij het doet, gestraft verdiend te worden, als hij het niet doet. In de negentiende eeuw zult gij een paard beloond hebben als hij meer trok dan een bok, nu zouden wij hem een pak slaag hebben gegeven als hij niet meer trok, omdat hij, als zooveel sterker, daartoe verplicht was. Het is aardig zooals ideeën over goed en kwaad veranderen." Dr. Leete zeide dit met zulk een vroolijke uitdrukking in zijn oogen, dat ik er om lachen moest.

—"Ik denk," hervatte ik, "dat de ware reden waarom wij menschen beloonden voor hunne talenten, hierin gelegen was, dat menschen alleen tot uiterste inspanning konden gebracht worden door een vergoeding naar gelang van de waarde van hun arbeid, terwijl de krachten van dieren alleen werden beschouwd als maatstaf van de diensten die wij van hen vergden, en zij, als onredelijke schepsels, niet nadachten maar van zelf deden wat zij konden. En dit doet mij u vragen, waarom, als de menschelijke natuur niet veranderd is, bij u dezelfde noodzakelijkheid niet wordt gevoeld."

—"Die gevoelen wij wel," antwoordde Dr. Leete. "Ik denk niet dat in dit opzicht de menschelijke natuur sedert uw tijd eenigszins veranderd is. Het is nog altijd zoo gelegen, dat bijzondere prikkelen, in den vorm van [ 76 ] prijzen en voordeelen, noodig zijn om van de gewone menschen de uiterste inspanning in welke richting dan ook, gedaan te krijgen."

—"Maar welk voordeel," vroeg ik, "kan iemand verlokken om zijn beste krachten te gebruiken, indien, hoe veel of hoe weinig hij tot stand brengt, zijn loon hetzelfde blijft? Groote karakters kunnen worden bewogen zich te wijden aan het algemeen belang, maar is de gewone mensch, bij deze inrichting, niet eerder geneigd om de riemen er bij neer te leggen, met de gedachte dat het nutteloos is zich te zeer te vermoeien, aangezien zijn inspanning zijn inkomen niet vergrooten zal, of zijn traagheid haar niet doen slinken?"

—"Meent gij dan werkelijk," was de wedervraag van Dr. Leete, "dat de menschelijke natuur ongevoelig voor andere drijfveeren is dan vrees voor gebrek en liefde voor overvloed? Gelooft gij, dat men niet onbekommerd en rustig kan leven zonder deze prikkels tot arbeid? Uwe tijdgenooten dachten er anders over, al verbeeldden zij zich, dat zij dit niet deden. Als er sprake was van de hoogste soort van inspanning, van de opperste zelfverloochening, verlieten zij zich op geheel andere prikkels. Geen hooger loon, maar eer en hoop op de dankbaarheid van de menschen, vaderlandsliefde en plichtbesef waren de beweegredenen, die zij aan hunne soldaten voorhielden als het er op aankwam te sterven voor het volk, en te allen tijde hebben deze motieven het beste en het edelste in den mensch wakker geschud. Maar dit niet alleen, want als gij de geldzucht, die de algemeene drijfveer tot inspanning was in uwe dagen, gaat ontleden, vindt gij, dat vrees voor gebrek en neiging tot weelde, maar éen van de redenen was, waaruit deze geldzucht was samen[ 77 ] gesteld; de andere, en misschien wel de machtigste waren begeerte naar macht, naar een positie in de maatschappij, en de roem van bekwaamheid en succes. Zoo ziet gij, dat, ofschoon wij armoede en vrees voor armoede hebben afgeschaft, en onmatige weelde met de zucht naar overdaad, wij geen inbreuk hebben gemaakt op die dieper liggende motieven, die in vroeger dagen den grondslag uitmaakten van de geldzucht, en tevens de inspanning van een hoogere orde inspireerden. Die grovere drijfveeren, die ons niet meer bewegen, zijn vervangen geworden door betere belangen dan die aan de loonslaven van uw tijd bekend waren. Nu arbeid niet meer is voor het individu, maar voor het geheele volk, bezielen vaderlandsliefde en eerzucht den arbeider, evenals vroeger den soldaat. Het leger van nijverheid is een leger inderdaad, niet alleen wegens de volmaakte organisatie, maar ook wegens de toewijding en de zelfopoffering van de leden.

"En evenals gij de vaderlandsliefde pleegdet aan te wakkeren door op het eergevoel te werken, handelen wij. Omdat ons arbeidsdoel berust op het beginsel van iedereen te vorderen dezelfde eenheid van inspanning, dat wil zeggen, het beste wat hij doen kan, zult gij begrijpen dat de middelen om de werklieden aan te sporen hun best te doen, een zeer belangrijk deel van het stelsel moeten uitmaken. Bij ons is naarstigheid in openbaren dienst de eenige en de zekere weg tot roem, maatschappelijke onderscheiding en ambtelijk gezag. De waarde van iemands diensten jegens de maatschappij bepaalt zijn rang in de maatschappij. Vergeleken bij de werking van ons systeem, dat de menschen dwingt om in het algemeen belang vlijtig te zijn, vinden wij de begeer[ 78 ] lijkheid van overdadige weelde of de vrees voor bittere armoede even barbaarsche als zwakke drijfveeren. Want zelfs in uwe dagen, bewoog eerzucht de menschen tot merkbaar grooter inspanning dan liefde voor geld."

—"Ik zou bijzonder gaarne," zeide ik, "eens zien hoe deze maatschappelijke inrichting is."

—"De onderdeelen van het stelsel," antwoordde mijn gastheer, "zijn natuurlijk uiterst talrijk, want daar is in begrepen de geheele inrichting van het arbeidsleger; maar in weinig woorden kunt gij er wel een algemeen denkbeeld van krijgen."

Op dit oogenblik werd ons gesprek op de aangenaamste wijze onderbroken door de verschijning op het luchtige plat waar wij zaten van Edith Leete. Zij was gekleed om uit te gaan en moest haar vader spreken over een boodschap die zij voor hem moest doen.

—"Ja, hoor eens, Edith," zeide hij, toen zij klaar was om weer heen te gaan; "misschien zou mijnheer West wel nieuwsgierig wezen om met u het magazijn eens te bezoeken. Ik heb hem een en ander van ons verdeelingssysteem vertelt, en nu zou hij het in de praktijk kunnen zien."

—"Mijn dochter," ging hij voort tot mij, "is een onvermoeibare koopster, en zij kan u meer van de magazijnen vertellen dan ik."

Het voorstel was natuurlijk voor mij zeer aangenaam en Edith was zoo vriendelijk om te zeggen, dat zij mijn gezelschap op prijs stelde, zoodat wij samen het huis verlieten.