In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/8

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VII. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

VIII.

IX.


[ 58 ]
 

HOOFDSTUK VIII.

 

 

Toen ik wakker werd gevoelde ik mij zeer opgefrischt en ik lag een langen tijd te soezen in het genot van [ 59 ] lichamelijken welstand. De aandoeningen van den vorigen dag, mijn ontwaken in het jaar 2000, het gezicht van het nieuwe Boston, mijn gastheer en zijn gezin, en de wonderlijke dingen die ik vernomen had, vormden een witte, open plaats in mijn brein. Ik dacht dat ik thuis in mijn slaapkamer was, en de fantasieën die ik, half droomende en half wakende maakte, hadden betrekking op de gebeurtenissen en indrukken van mijn vorig leven.

Droomerig overpeinsde ik de bijzonderheden van Decoratie-dag, mijn uitstapje met Edith en hare ouders naar den berg Auburn, en het eten bij hen na onzen terugkeer in de stad. Ik bedacht, hoe lief Edith er dien dag had uitgezien, en dat bracht mij op ons huwelijk, maar nauwelijks was ik aan dat genoegelijke onderwerp begonnen toen ik opgeschrikt werd uit mijn droom door de herinnering aan den brief dien ik den vorigen avond van den aannemer had ontvangen, waarin hij de nieuwe werkstakingen aankondigde, die tot in het oneindige de voltooiing van ons huis konden verschuiven. Het verdriet van deze herinnering deed mij geheel ontwaken. Ik herinnerde mij een afspraak met den aannemer tegen elf uur en deed mijn oogen open om op de klok aan het einde van mijn bed te zien hoe laat het was. Maar ik zag geen klok, en wat meer was, ik merkte dadelijk, dat ik niet in mijn kamer was. Ik sprong op in het bed en keek verschrikt rond in de kamer.

Ik denk wel eenige oogenblikken gezeten te hebben, rondkijkende, zonder in staat te zijn te gissen, wie en waar ik was. Vreemd dat de indruk van deze onpersoonlijkheid zoo rampzalig is, maar wij zijn zoo geschapen. Er zijn geen woorden voor den zieleangst, dien ik uitstond gedurende dit eindelooze, blinde zoeken naar mij-zelf in [ 60 ] de oneindige ruimte. Geen andere aandoening van het gemoed is mogelijkerwijze te vergelijken bij het gevoel van algeheelen geestelijken stilstand, tengevolge van het verlies van een grondslag voor de gedachten, een uitgangspunt, dat iemand overkomt in de oogenblikken van verduistering van de ikheid. Ik hoop dit gevoel nooit meer te zullen hebben.

Ik weet niet hoe lang deze toestand duurde—het scheen een onmetelijke tijd—toen, als een bliksemstraal, de herinnering aan alles terugkwam. Ik wist weer waar en wie ik was, en hoe ik daar kwam, en dat die tooneelen uit het leven van gisteren die aan mij waren voorbijgetrokken, een geslacht betroffen, lang, lang geleden tot stof vergaan. Ik sprong uit het bed, ik stond in het midden van de kamer met de handen aan de slapen van het hoofd, opdat zij niet zouden barsten. Toen viel ik voorover op het ledikant, met het gezicht in de kussens, onbewegelijk. De reactie die onvermijdelijk was ten gevolge van de opwinding en de geestelijke koortsachtigheid; die het eerste gevolg geweest waren van mijne ontzettende aandoening, was gekomen. De crisis die gewacht had op de volle erkenning van mijn toestand, en van alles wat er uit voortvloeide, had mij aangegrepen, en met gesloten tanden en hijgende borst lag ik terneer en streed voor mijn behoud. In mijn gemoed was alles in elkaar gestort, gevoelsgewaarwordingen, associaties van gedachten, denkbeelden over menschen en dingen, alles was opgelost en had den samenhang verloren en was ondergegaan in een kookende massa, in een oogenschijnlijk onherstelbaren chaos. Er waren geen rustpunten over, niets was op zijn plaats gebleven. Alleen de wil bleef over, maar was ooit een menschelijke wil krachtig genoeg om tot zulk een on[ 61 ] stuimige zee te zeggen: stil, houd u rustig! Ik durfde niet denken. Elke poging om te bevatten wat mij gebeurd was en wat daaruit volgde, veroorzaakte een ondragelijke spanning van het brein. De gedachte dat ik twee menschen was, dat mijn ikheid dubbel was, begon mij onweerstaanbaar te bekoren als een eenvoudige oplossing van het geval.

Ik wist dat ik op het punt stond van mijn verstand te verliezen. Als ik daar bleef liggen denken was ik verloren. Afleiding, welke dan ook, moest ik hebben, en ten minste de afleiding van lichamelijke inspanning. Ik sprong op, en kleedde mij haastig aan, deed mijn kamerdeur open en ging de trappen af. Het was nog vroeg, nog niet geheel dag, en ik vond niemand beneden. Er was een hoed in de gang en ik ontsloot de straatdeur, die zoo losjes bevestigd was dat inbraak niet tot de gevaren van het moderne Boston bleek te behooren. Twee uren wandelde of rende ik door de straten van de stad, vooral in het schiereilandgedeelte van de stad. Niemand dan een oudheidkundige die iets weet van het verschil tusschen het Boston van heden met het Boston van de negentiende eeuw, kan zich eenigszins voorstellen welke reeks van ontzettende verrassingen ik onderging op mijn tocht. Van het dak gezien, den vorigen dag, was mij de stad inderdaad vreemd voorgekomen, maar dat was enkel de algemeene aanblik. Hoe volkomen de verandering geweest was begreep ik eerst nu ik door de straten ging. De weinige oude herkenningsteekens verhoogden enkel den indruk, want zonder hen zou ik mij hebben kunnen verbeelden in een andere plaats te zijn. Iemand zal in zijn kindsheid zijn geboortestad verlaten en vijftig jaar later terugkomen, wanneer hij haar in vele opzichten [ 62 ] veranderd zal zien. Hij is verwonderd, maar hij is niet ontzet. Hij weet dat er een groote tijdsruimte verloopen is en hij is zich evenzeer veranderingen bewust bij zichzelf. Hij herinnert zich de stad van vroeger nog maar flauw. Maar vergeet niet dat ik geen gevoel had van een groot verschil in tijd. Volgens mijn bewustzijn was het nog gisteren, eenige uren geleden, dat ik gewandeld had in dezelfde straten die nu bijna geen enkel punt van overeenkomst meer bezaten met de oude stad. Het beeld van haar was zoo versch en sterk dat het niet verdreven werd door den indruk van de nieuwe stad, maar daarmede worstelde, zoodat mij nu de eene en dan de andere voorkwam te bestaan. Niets zag ik dat hierdoor niet verkleurd was, zooals de gezichten van een verbleekte fotografie.

Eindelijk stond ik weer voor de deur van het huis waar ik uit was gekomen. Instinctmatig moeten mijne voeten mij naar de plek van mijn oude woning hebben gebracht, want ik had geen bepaald plan om terug te komen. Het was mij niet bekender dan eenige andere plaats in de stad van een vreemd geslacht, noch kon ik de bewoners beschouwen als mij minder vreemd dan alle andere mannen en vrouwen, die nu leefden. Indien de deur gesloten ware geweest, dan zou ik door de weerstand herinnerd zijn geworden dat ik er eigenlijk niets te maken had en zou heen gegaan zijn, maar zij gaf toe aan den druk van mijn hand, en met onvaste schreden door de gang gaande, kwam ik in een van de kamers. Ik viel op een stoel neer en bedekte mijn brandende oogen met de handen om de verschrikking van de vreemdheid buiten te sluiten. Mijn zieleangst was zoo groot, dat ik er lichamelijk door in de war raakte. De wanhoop [ 63 ] in die oogenblikken, toen het was alsof mijn brein wegsmolt en de verslagenheid van mijne hulpeloosheid — hoe kan ik haar beschrijven. Ik jammerde als een verloren mensch. Ik voelde, dat, als er geen hulp kwam, ik mijn verstand zou verliezen. En de hulp bleef niet uit. Ik hoorde het geruisch van kleêren en zag op. Edith Leete stond voor mij. Haar schoon gelaat vloeide over van innig medelijden.

—"O, wat scheelt u toch, mijnheer West," zeide zij.

"Ik was hier, toen u binnen kwam. Ik zag hoe vreeselijk bedroefd u was, en toen ik u hoorde klagen, kon ik niet zwijgen. Wat is u overkomen? Waar bent u geweest? Kan ik niets voor u doen?"

Misschien had zij onwillekeurig haar handen uitgestoken in een gebaar van medelijden, terwijl zij sprak. Hoe dit zij, ik had hen in de mijne gevat en hield mij vast met een zoo sterken drang, als iemand die op het punt staat te verdrinken het touw grijpt dat hem wordt toegeworpen. Terwijl ik naar haar gezicht vol erbarming opzag en hare oogen, vochtig van aandoening, hield mijn hoofd op te draaien. De teedere menschelijke ontferming, die in den zachten druk van hare vingers trilde, bracht mij den steun dien ik noodig had. Dit schonk mij de kalmte als van een tooverdrank.

—"God zegene u," zeide ik na eenige oogenblikken.

"Hij moet u mij gezonden hebben. Ik denk dat ik krankzinnig zou geworden zijn als gij niet gekomen waart."

De tranen stonden haar in de oogen.

—"O, mijnheer West," riep zij uit. "Hoe onhartelijk moet gij ons hebben gevonden! Hoe konden wij u ook zoo lang alleen laten! Maar nu is het toch over, niet waar? U bent nu zeker beter, is 't niet?"

[ 64 ] —"Ja," zeide ik, "dank zij u. Als u nog niet dadelijk weg wilt gaan, zal ik gauw weer mijzelf wezen."

—"Ik ga zeker niet weg," hernam zij, met een kleine trilling in het gelaat, dat meer medelijden uitdrukte dan duizend woorden. "U moet het niet onhartelijk vinden, dat wij u zoolang aan uw lot overlaten. Ik heb haast niet geslapen van nacht, zoo dacht ik er over, hoe vreemd gij van morgen zoudt ontwaken; maar vader zeide, dat u lang zoudt slapen. Hij zeide, dat het beter was u niet te veel medelijden te toonen in het begin, maar u afleiding trachten te bezorgen en u op uw gemak te zetten."

—"Dat doet u inderdaad," zeide ik. "Maar u ziet dat het nog al een sprong is, honderd jaar, en ofschoon ik het gisteravond minder voelde, had ik van ochtend heel rare gewaarwordingen." Nu ik hare handen vasthield en mijn oogen op haar gevestigd had, kon ik zelfs een weinig spotten met mijn ellende.

— "Niemand dacht er aan dat gij van morgen zoo vroeg alleen zoudt zijn gaan wandelen," vervolgde Edith. "O, mijnheer West, waar bent u toch geweest?"

Toen vertelde ik haar mijn indrukken van mijn ontwaken tot het oogenblik dat ik haar vond, juist zoo als ik het beschreven heb. Het verhaal overstelpte haar met aandoenlijk medelijden, en ofschoon ik een van hare handen had losgelaten, trachtte zij niet de andere terug te trekken, omdat zij wel zag hoeveel goed het mij deed.

—"Ik kan mij wel eenigszins voorstellen wat voor een gevoel dat geweest is," sprak zij. "Het moet verschrikkelijk geweest zijn. En dat wij u zoo alleen hebben laten tobben! Zult u ons ooit kunnen vergeven?"

—"Maar nu is het weg. Voor het oogenblik hebt u het totaal op de vlucht gejaagd."

[ 65 ] —"Zult u dan oppassen dat het niet terug keert?" vroeg zij angstig.

—"Daar kan ik nog niet voor instaan," antwoordde ik.

"Het is nog te vroeg om daar iets van te zeggen, omdat alles nog zoo vreemd voor mij wezen zal."

—"Maar u moet tenminste niet probeeren er alleen tegen te vechten," ging zij voort. "Beloof ons dat u bij ons zult komen en goede vrienden met ons zult worden en ons toestaan u te helpen. Misschien kunnen wij niet veel doen, maar dat zal toch beter zijn dan alleen blijven met zulke gevoelens."

—"Als ik mag zal ik altijd bij u komen," zeide ik.

—"O ja ja, dat moet u zeker doen," hernam zij haastig.

"0m u te helpen zou ik alles doen wat ik kon."

—"Alles wat ik vraag is dat u mij eenigszins beklagen zult, zooals u nu schijnt te doen," was mijn antwoord.

—"Dat is dan afgesproken," zeide zij lachend door hare tranen; "den volgenden keer komt u het mij zeggen, inplaats van in uw eentje heel Boston door te loopen."

De afspraak dat wij geen vreemden voor elkaar zouden zijn, scheen mij niet anders dan natuurlijk, zoo dicht bij elkander hadden ons gebracht mijn verdriet en hare liefdevolle tranen.

"Ik beloof," voegde zij er bij, met een uitdrukking van bekoorlijke schalkschheid, terwijl zij sprak allengs overgaande in geestdrift, "dat, als gij bij mij komt, ik u zoo erg beklagen zal als ge maar wilt, maar u moet geen oogenblik denken dat ik u wezenlijk beklaag, opdat uw droefheid lang zal duren. Ik weet dat de wereld tegenwoordig een hemel is vergeleken bij de wereld in uw tijd, en dat het eenige gevoel dat u spoedig zult krijgen, een [ 66 ] gevoel van dankbaarheid aan God zal zijn, dat uw leven toen op zulk een zonderlinge manier werd weggenomen en u werd teruggeschonken nú."