In het jaar 2000 (Bellamy 1890)/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XIII. In het jaar 2000 van Edward Bellamy

XIV.

XV.


[ 119 ]
 

HOOFDSTUK XIV.

 

 

Een geweldige regenbui was opgekomen gedurende den dag en ik had gedacht dat de toestand van de straten mijne gastheeren zouden gedwongen hebben het plan van buitenshuis te eten, te laten varen, ofschoon ik gehoord had dat de eetzaal dicht bij was. Ik was zeer verwonderd toen tegen het etensuur de dames verschenen gereed om uit te gaan, maar zonder parapluies of overschoenen.

Het raadsel werd opgehelderd toen wij op straat kwamen, want een dak was neergelaten, zoodat de trottoirs veranderd waren in droge en goed verlichte gangen, ge- [ 120 ] vuld met dames en heeren in avondcostuum. Ook aan de hoeken was de straat op deze wijze beschut. Edith Leete, met wie ik liep, vernam met groote belangstelling, wat voor haar volkomen nieuw bleek te zijn, dat met nat weer de straten van Boston in mijn tijd onbegaanbaar waren, behalve voor menschen voorzien van regenschermen, laarzen en dikke kleeren.—"Waren er in 't geheel geen bedekkingen van de trottoirs?" vroeg zij. Men had er wel, zeide ik haar, maar verspreid en onsystematisch, omdat zij aan particulieren behoorden. Zij deelde mij mee, dat tegenwoordig alle straten beschut werden tegen slecht weer op de manier die ik zag, het dak werd weggeruimd als het niet noodig was. Zij gaf te kennen dat het een groote domheid zou gevonden worden, de handelingen van de menschen door het weer te laten verstoren.

Dr. Leete, die voor ons uit wandelde, hoorde een gedeelte van ons gesprek en wendde zich tot mij om te zeggen dat het onderscheid tusschen de eeuw van het individualisme en die van samenwerking, aardig gekenmerkt werd door het feit dat in de negentiende eeuw de menschen in Boston als het regende, drie honderd duizend parapluies opstaken boven even zoovele hoofden en in de twintigste men er een houdt boven alle hoofden.

Terwijl wij verder gingen, zeide Edith: "die eigen parapluie is de geliefkoosde vergelijking van vader, als hij wil aanduiden de oude manier, toen iedereen leefde voor zich en zijn gezin. Er is een negentiende-eeuwsche schilderij in het museum, met een massa menschen in den regen, waarvan ieder zijn parapluie houdt boven zich zelf en zijn vrouw en den drup aan zijn buurman geeft; hij beweert dat dit een satyre is op uw tijd."

Wij kwamen nu in een groot gebouw waar veel men[ 121 ] schen binnen gingen. Ik kon den gevel niet zien wegens de bedekking, maar als die overeenkwam met het inwendige, dat nog mooier was dan de winkel die ik den vorigen dag had bezocht, zou hij prachtig geweest zijn. Ik hoorde dat vooral de gebeeldhouwde groep boven den ingang bewonderingswaardig was. Een grootsche trap opgaande, liepen wij een eind door een breede gang met vele deuren. Een van deze deuren, waarop de naam van mijn gastheer stond, gingen wij binnen, en ik bevond mij in een fraai eetvertrek met een tafel voor vier personen gedekt. De ramen zagen uit op een binnenplaats waar een fontein zijn hooge stralen opwierp en een opwekkende muziek vulde de lucht.

—"U schijnt hier thuis," zeide ik, toen wij gezeten waren en Dr. Leete een belknop bewoog.

—"Dit is werkelijk een gedeelte van ons huis, alleen wat verwijderd van het overige deel," antwoordde hij. "Elk gezin in de buurt heeft in dit groote gebouw een eigen kamer voor zijn uitsluitend en voortdurend gebruik tegen een kleine jaarlijksche huur. Voor toevallige gasten en afzonderlijke personen is er gelegenheid op een andere verdieping. Als wij hier denken te eten, sturen wij een boodschap den vorigen avond en kiezen iets uit van de markt naar de opgaven in de kranten. De maaltijd is even duur of goedkoop als wij verkiezen, ofschoon alles natuurlijk veel goedkooper en beter is dan als wij het thuis zouden klaar maken. Er is werkelijk niets waar de menschen meer belang in stellen dan in het huishoudelijk werk en het koken dat er voor hen gedaan wordt, en wij zijn eenigszins trotsch op het succes dat deze dienst heeft behaald. O, mijnheer West, andere zaken in uwe beschouwing waren zonder twijfel ernstiger, maar ik kan begrijpen dat niets [ 122 ] zoo zeer op uw humeur gewerkt heéft als het slechte eten, natuurlijk met uitzondering van de rijken."

—"Niemand van ons die u dat tegengesproken zou hebben," zeide ik.

De bediende, een goed uitziende jonge man, kwam binnen: hij droeg een uniform dat van een weinig in hét oog vallend herkenningsteeken voorzien was. Ik nam hem nauwkeurig op, daar het de eerste keer was dat ik gelegenheid had om van nabij de houding van een van de actieve leden van het arbeidsleger te bestudeeren. Ik had gehoord dat deze jonge man zeer beschaafd was en in alle opzichten de gelijke van hen die hij bediende. Maar het was duidelijk dat aan geen der beide kanten de toestand eenigszins onaangenaam gevonden werd. Dr. Leete sprak met hem, zooals natuurlijk ieder fatsoenlijk man zou doen, zonder eenige familiariteit, maar tevens volstrekt niet uit de hoogte, terwijl de manieren van den bediende iemand aanduidden, die begeert het werk waar hij voor staat te verrichten bescheiden, en zonder omslag. Men zou zeggen, de houding van een soldaat op zijn post, maar zonder militaire stijfheid. Toen hij de kamer uit was, zeide ik—"ik ben stom van verbazing, dat een jongmensch als hij zoo tevreden is in een knechtsbetrekking."

—"Wat is dat, knechts-betrekking, ik heb dat woord nooit gehoord?" vroeg Edith.

—"Het is een verouderd woord," hervatte haar vader.

"Als ik het wel versta, werd het gezegd van de positie van personen, die bijzonder onaangename of lastige dingen deden voor anderen en er werd een vernederende beteekenis aan gehecht. Was het zoo niet, mijnheer West?"

— "Ja," zeide ik, "ongeveer. Persoonlijke onderge[ 123 ] schiktheid, zooals tafeldienen, noemde men knechts-werk en werd zoo verachtelijk gevonden, dat in mijn tijd, menschen van beschaving en ontwikkeling liever gebrek zouden lijden dan zich daartoe verlagen."

—"Wat een wonderlijk en onnatuurlijk denkbeeld!" riep mevrouw Leete uit op een toon van verbazing.

—"En toch moesten die diensten verricht worden," zeide Edith.

—"Natuurlijk," antwoordde ik; "maar wij belastten er de armen mede en zij hadden geen andere keus dan sterven."

—"En dus verzwaardet gij hun lasten nog met uwe verachting," sprak Dr. Leete.

—"Dat begrijp ik niet goed," zeide Edith. "Meent u dat gij menschen dingen liet doen waarvoor gij hen verachtet, of dat gij diensten aannaamt die gij onwillig zoudt geweest zijn terug te geven? Dat kunt u toch niet meenen, mijnheer West?"

Ik moest wel zeggen dat het net zoo was als zij dacht. Dr. Leete kwam mij gelukkig te hulp.

—"Om de verwondering van Edith te begrijpen," zeide hij, "moet gij weten dat het tegenwoordig een zedelijk axioma is, dat diensten aan te nemen die men niet zou willen verrichten, als het noodig ware, gelijk staat met geldleenen met de bedoeling het niet terug te betalen, terwijl zulk een dienst te gelasten door de armoede of de afhankelijkheid van iemand te misbruiken, een aanslag zou zijn als gewelddadige berooving. Het ergste van eenig stelsel dat de menschen verdeelt of toelaat dat zij verdeeld worden in klassen en kasten, is dat daardoor het gevoel van algemeene menschelijkheid wordt verzwakt. Ongelijke verdeeling van rijkdom, en nog erger, [ 124 ] ongelijke kansen in opvoeding en beschaving, splitste de menschen in uw tijd in klassen die in veel opzichten elkaar beschouwden als afzonderlijke rassen. Er is werkelijk zulk een groot onderscheid niet tusschen onze manier van denken over deze dienst-quaestie. Dames en heeren van den beschaafden stand zouden vroeger ook niet hebben toegelaten dat menschen van hunne soort hun diensten hadden bewezen, die zij beneden zich zouden geacht hebben om wederkeerig te verrichten; evenmin als wij dat nu van iemand aannemen. De armen en de onbeschaafden hielden zij evenwel voor een ander soort van wezens. Gelijke welvaart en gelijke aanspraak op ontwikkeling die alle menschen thans genieten, hebben ons eenvoudig gemaakt tot leden van éene klasse, die overeenkomt met de meest bevoorrechte klasse bij u. Voordat deze voorwaarde van gelijkheid verwezenlijkt was, kon nooit het denkbeeld van broederschap onder de menschen geworden zijn de feitelijke overtuiging en de praktische grondslag van onze daden, zooals thans het geval is. In uwe dagen gebruikte men dezelfde woorden, maar alleen als woorden."

—"Zijn de bedienden dan ook vrijwilligers?" vroeg ik.

—"Neen," antwoordde Dr. Leete. „Dat zijn jongelieden van de eerste jaren uit het leger die beschikbaar zijn voor alle soorten van arbeid die geen bijzondere bekwaamheid vereischen. Tafeldienen hoort daar bij, en elke recruut doet daar korten tijd aan mede. Ik heb zelf hier bediend ruim veertig jaar geleden. U moet nooit vergeten dat er geen onderscheid wordt gemaakt in de waardigheid van eenige bezigheid die de natie voorschrijft. Niemand beschouwt zich hier of wordt door anderen beschouwd als de knecht van hem dien hij bedient, hij is de knecht van [ 125 ] de natie. Er is geen verschil tusschen het werk van dezen jongen man en het werk van iemand anders. De omstandigheid dat hij huishoudelijken arbeid verricht is voor onze zienswijze onverschillig. Zoo is het ook met den arbeid van den geneesheer. Ik zou even weinig verwachten dat onze bediende op mij neerzag omdat ik hem als dokter behandelde, als ik op hem neerzie voor wat hij doet."

Na het eten liet mijn gastheer mij het gebouw zien, waarvan de uitgestrektheid, de prachtige bouworde en de rijkdom der versiering mij verbaasden. Het scheen niet enkel een restauratie te zijn, maar tevens een groot uitspannings-lokaal en een plaats van samenkomst voor de buurt, voorzien van alle inrichtingen voor vermaak en uitspanning.

—"Gij vindt hier toegelicht," zeide Dr. Leete, toen ik mijn bewondering te kennen had gegeven, "wat ik u verhaalde in ons eerste gesprek betreffende de pracht van ons openbaar en gezamenlijk leven, vergeleken bij den eenvoud van ons huiselijk en bijzonder leven, en het onderscheid, in dit opzicht, tusschen de 19e en de 20e eeuw. Om ons onnoodigen omslag te besparen hebben wij thuis alles zoo beknopt ingericht als met het gemak bestaanbaar is, maar de gezellige helft van ons leven is zoo verfraaid en zoo weelderig als de wereld nog niet gekend had. Alle gilden van arbeid en wetenschap hebben vereenigings-gebouwen zoo uitgebreid als dit, zoowel als buitenverblijven, berg-hôtels en zee-villa's voor sport en uitspanning in de vacanties."