Keulemans Onze vogels 2 (1873)/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
56 Onze vogels in huis en tuin, deel 2 van John Gerrard Keulemans

57. De roode patrijs

58


[ Pl57 ]

Keulemans Onze vogels 2 57.jpg

[ 221 ]
 

DE ROODE PATRIJS.

PERDIX RUBRA.


De Roode Patrijs is een der fraaiste Europesche vogels; doch wordt tegenwoordig weinig in gevangenschap aangetroffen.

Hij behoort in Zuid-Europa, de Gewone soort (P. cinerea) daarentegen meer in Midden-Europa te huis. Het vaderland van den eerstgenoemde is namelijk het Zuiden van Frankrijk, voorts Spanje, Italië en een groot gedeelte van het Zuid-Oosten van Europa en, volgens Sonnini, ook Klein-Azië tot Perzië. De Gewone soort daarentegen laat zich in laatstgenoemde streken nimmer zien en is reeds in den omtrek van Constantinopel zeer zeldzaam.

Bij den Rooden Patrijs is minder verschil in de kleur der seksen op te merken, dan bij de Gewone soort. Het verschil bestaat alleen daarin, dat de kleuren der mannetjes iets donkerder en meer helder zijn; de eenjarige jongen zijn slechts een weinig fletser dan de ouden. De jongen hebben in hun donskleed veel overeenkomst met de jonge Californië-Patrijzen, maar zijn veel grooter dan dezen, terwijl ook hunne kleuren iets meer naar het grijze trekken. Het wijfje (de Hen) maakt haar nest op den grond, onder struiken, of in graanvelden. In sommige heuvelachtige streken van Zuid-Europa ligt het nest ook wel tusschen het hooge mos, doch op deze wijze nestelen deze vogels alleen dan, wanneer de streek niet al te druk wordt bezocht en zij er vroeger niet verstoord werden. Zij legt tien tot zestien, soms meer, vuil zandkleurige eijeren (ongeveer de tint van vochtigen oliesteen).

De Roode Patrijs leeft evenmin in polygamie, als de Gewone soort; evenwel heeft men waargenomen, dat ook van eerstgenoemde soort de Hanen niet altoos hunne wijfjes getrouw blijven. In Brehm's Leven der vogels lezen wij dienaangaande: „Een Spaansch spreekwoord zegt, dat, omstreeks het feest van den Heiligen [ 222 ] Antonius (half-Januarij), bij den Rooden Patrijs, elke Hen haar Haan heeft, en dit paar voortaan als echtelieden getrouw bijeenblijft. Omstreeks Maart begint de Spanjaard zijne jagt met den reclamo, een tammen Rooden Patrijshaan, wordt in eene kooi opgehangen, digt bij de plaats, waar de jager zich verborgen houdt. Deze Haan lokt door zijn geroep de wilde Hanen uit tot den strijd. Op dit geroep verschijnen alle Hanen, die verliefd zijn, dat is, allen zonder onderscheid, en worden voor en na door den jager geschoten. Met April echter houdt de jagt met den reclamo op, omdat de meeste Hanen tegen dien tijd hun wijfje hebben en niet meer op avontuur behoeven uit te gaan. Dan brengt de jager een tam wijfje op de lokplaats, en oogenblikkelijk zijn de Hanen er weêr bij, en zelfs niet alleen de oude vrijers, maar ook de eerzame huisvaders, wier wijfjes te huis op de eijeren zitten en de uitstapjes van hun heer gemaal niet kunnen nagaan. Het bewijs, dat ook de gepaarde Hanen de lokstem van het vreemde wijfje volgen, geven de talrijke weduwen, die men in Junij en Julij aan het hoofd van hare halfvolwassen kinderscharen kan zien. Of onze Patrijs zich evenzoo zou laten verleiden, is nog niet waargenomen. Ik twijfel echter, of hij er wel eervoller zou afkomen."

De jongen of kuikens blijven lang onder de hoede van het oude wijfje; bij het minste gevaar legt zij zich vlak op den grond neder, en de kuikens verschuilen zich dan onder hare vleugels en borstveêren. Op dezelfde wijze schuilen zij 's nachts en gedurende het warmste gedeelte van den dag. Steeds zijn de kuikens in de onmiddellijke nabijheid der moeder te vinden. Over dag loopt, de geheele familie tusschen het hooge gras, en heelt dan een der kuikens zich op een kleinen afstand van de moeder gewaagd, op haar geroep keert hij dadelijk, zooveel zijne zwakke pooten het toelaten, op een drafje tot het gezelschap terug. Zij herkennen elkander aan hun zacht geroep, 'tgeen trouwens ook bij onze gewone Hoender-kuikens het geval is. Heeft het jonge kroost zich te veel verspreid, dan weet de moeder ze spoedig weder bij elkander te halen; zij heeft namelijk een lokgeluid, dat de jongen onmiddellijk verstaan en met een zacht geroep (tsuk, tsuk) beantwoorden. Opmerkenswaardig is het schouwspel, hoe de moeder den geheelen dag in de weer is, om aan hare talrijke familie het noodige voedsel aan te wijzen. Zij verkeert steeds in ongerustheid, let op het minste geluid, dat zich in den omtrek laat hooren, en hare bewegingen verraden de grootste zorg en oplettendheid.

[ 223 ] Hier te lande behooren broeijende Roode Patrijzen tot de zeldzaamheden. De voorwerpen, die ons, hoofdzakelijk in het voor- en najaar, komen bezoeken, zijn dan ook grootendeels slechts zwervers, die zich, vóór en na den paartijd, van de eene streek naar de andere begeven, en bij zulke gelegenheden eenigen tijd in onze provinciën vertoeven. In gevangenschap treft men ze daarentegen zeer dikwijls aan, maar toch tegenwoordig minder dan vroeger. Dit laatste schijnt wel voor een goed deel te moeten toegeschreven worden aan de concurrentie der Californië-Patrijzen, die, wat de voortteling in gevangenschap betreft, veel gunstiger resultaten opleverden, terwijl daarentegen vele liefhebbers, die Roode Patrijzen kweekten, in dit opzigt werden teleurgesteld.

Het menigvuldigst echter zien wij den Rooden Patrijs in het najaar, op de wildmarkten der groote steden van Europa. Te Londen en Parijs, bij voorbeeld, komen zij even talrijk voor als de Gewone soort, en worden zij tegen denzelfden prijs als de laatstgenoemde verkocht. Evenwel zijn de voorwerpen, welke men te Londen bij de poeliers en op de wildmarkten aantreft, slechts voor een klein gedeelte uit Engeland afkomstig; de meesten worden er uit Schotland, Frankrijk en Duitschland aangevoerd.

In gevangenschap bekleedt de Roode Patrijs eene voorname plaats onder het tam gevogelte; inderdaad zijn er maar weinig Fazanten of Hoenders, die, wat schoonheid van veeren en bevalligheid van vormen betreft, met hem kunnen wedijveren. Voor 't overige is het een zeer tamme, zachtaardige vogel, en de zachte kleur zijner vederen stemt dan ook met zijne geaardheid volkomen overeen.

Het kweeken van Roode Patrijzen brengt meestal deze moeijelijkheid mede: dat, bij eene tweede of derde generatie, de Hennen onbevruchte eijeren leggen; voorts, dat elk broeisel, in den regel, meer Hanen dan Hennen oplevert, en dat de laatsten gewoonlijk spoediger sterven en aan meer ongemakken zijn blootgesteld, dan de Hanen.—Het leggen van onbevruchte eijeren is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het minder sterke gestel der vogels, hetgeen wederom daarvan het gevolg is, dat zij, vooral in het voorjaar, niet krachtig genoeg gevoed worden, of wel dat men gedurende eene reeks van jaren van een en hetzelfde paar kuikens verkrijgen wil. Wenscht men van deze vogels gestadig jongen te hebben, dan dient men, om de twee of drie jaren, den Haan of de Hen door een éénjarig voorwerp te doen vervangen, liefst door een, die in vrijheid geteeld en als kuiken gevangen en tam geworden is.

[ 224 ] Het niet of gebrekkig broeijen dezer vogels, in gevangenschap, kan ook veroorzaakt worden doordien men te na verwante voorwerpen bij elkander plaatst, en zoodoende voorwerpen van eene en dezelfde generatie onderling of met die van eene vroegere generatie laat paren.

Wil men dus van het kweeken dezer vogels betere resultaten verkrijgen, dan behoort men hen, gedurende den geheelen winter, zoo veel en zoo krachtig mogelijk te voeren en, van September tot het voorjaar, de beide seksen gescheiden te houden. Men sluite, bij voorbeeld, de Hanen in eene afzonderlijke volière, zoodat zij buiten het gezigt der Hennen blijven, en plaatse omstreeks Februarij of Maart elken Haan in eene kleine kooi, in de nabijheid der Hennen; alsnu voêre men beide seksen sterk met raauw gehakt vleesch, met fijngemalen boekweit en hennepzaad, of, indien zij geen vleesch willen eten, alleen met hennepzaad, en tegen het einde van Maart late men, vroeg in den ochtend, al de Hanen gelijktijdig in de volière, waarin zich de Hennen bevinden. Nu ontstaan er hevige gevechten tusschen de Hanen, hetgeen dikwijls eenige dagen achtereen wordt herhaald, doch waarop gewoonlijk zeer spoedig paren volgt. Is dit laatste echter niet het geval—doch dit behoort tot de uitzonderingen—dan sluite men één paar bij elkaêr in eene kleine kooi, en plaatse die in een uiterst stillen hoek.

Zoodra het tot paringen gekomen is, dient men vooral op het leggen der eijeren te letten: onmiddelijk na de legging moeten de eijeren weggenomen worden, daar men anders gevaar loopt, dat ze door de Hen zelve of door den Haan worden opgegeten of vernield. Men legge dus de eijeren onder eene broeische Kriel- of andere Kip, en ga hiermede op gelijke wijze te werk, als bij de Fazanten; men legge namelijk de eijeren, van verschillende paren, doch niet meer dan veertien stuks, onder dezelfde broeister.

De kuikens moeten even als jonge Fazanten behandeld worden, zoowel wat het voedsel, als wat de kooijen aangaat. Veel meelwormen, bij voorbeeld, en later miereneijeren zijn voor de Patrijzen uiterst doelmatig. Zoodra zij volwassen zijn, geve men hun hetzelfde voêr, als den ouden, namelijk, havergort, boekweit, wit- of kanarie- en hennepzaad, en late ze op een grond loopen, waar zij aardwormen, larven van kevers en mieren kunnen oppikken.