Max Havelaar of de Koffij-veilingen der nederlandsche Handelmaatschappij - Deel 13

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Max Havelaar of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Proloog - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38


Havelaar had den kontroleur verzocht, de hoofden die te Rangkas-Betoeng, aanwezig waren, uittenoodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om de Sebah[1] bijtewonen, die hij beleggen wilde. Zulk een vergadering had gewoonlijk eens in de maand plaats, doch hetzijd-i aan sommige Hoofden die wat ver van de hoofdplaats woonden – want de Afdeeling Lebak is zeer uitgestrekt – het onnoodig heen-en weerreizen wilde besparen, hetzijd-i wenschte, terstond en zonder den vastgestelden dag aftewachten, hen op plechtige wijze toetespreken, hij had den eersten Sebah-dag op den volgenden morgen bepaald.

Links voor zijn woning, doch op 'tzelfde "erf" en tegenover 't huis dat mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelijk de bureaux der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde, en gedeeltelijk bestond in een vrij ruime open galerij, die een zeer goede gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook den volgenden morgen de Hoofden vroegtijdig vereenigd. Havelaar trad binnen, groette, en nam plaats. Hij ontving de geschreven maandelijksche berichten over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die tot nader onderzoek ter-zijde.

Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op den vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem bij zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe hij, bij toespraken als deze, zich opwond en door zijn eigenaardige wijze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich dan zijn houding oprichtte, hoe zijn blik vuur schoot, hoe zijn stem van 't vleiend zachte in 't vlijmend scherpe overging, hoe de beelden van zijn lippen vloeiden als strooide hij iets kostbaars om zich heen dat toch hèm niets kostte, en hoe, als hij ophield, ieder hem aanstaarde met open mond als om te vragen: "mijn God, wie zijt ge?"

Het is waar dat hijzelf, die bij zulke gelegenheid sprak als een apostel, als een ziener, later niet juist wist hoe hij gesproken had, en zijn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te treffen, dan door bondigheid van redeneering te overtuigen. Hij zou den krijgslust der Atheners, zoodra tot den oorlog tegen Philippus besloten was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed waarschijnlijk zou hij geslaagd zijn, als zijn taak geweest ware hen door redeneering tot dien oorlog te bewegen. Zijn aanspraak tot de Lebaksche hoofden was natuurlijk in 't maleisch, en ontleende hieraan een eigenaardigheid temeer, daar de eenvoudigheid der oostersche talen aan veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in ònze idiomen door litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwijl aan den anderen kant het zoetvloeiende van 't maleisch moeijelijk in eenige andere taal is weertegeven. Men bedenke bovendien, dat het meerendeel zijner hoorders uit eenvoudige, doch geenszins domme menschen bestond, en tevens dat het Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.

Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:

Mijnheer de Radhen Adhipatti, Regent van Bantan-Kidoel, en gij, Radhens Dhemang die Hoofden zijt der distrikten in deze Afdeeling, en gij, Radhen Djaksa die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gij, Radhen Kliwon die gezag voert op de hoofdplaats, en gij Radhens, Mantries, en allen die Hoofden zijt in de afdeeling Bantan-Kidoel, ik groet u! [2]
En ik zeg u dat ik vreugde voel in mijn hart, nu ik hier u allen vergaderd zie, luisterende naar de woorden van mijn mond.
Ik weet dat er onder u lieden zijn, die uitsteken in kennis en in braafheid van hart: ik hoop mijn kennis door de uwe te vermeerderen, want zij is niet zoo groot als ik wenschte. En ik heb wel de braafheid lief, maar dikwijls bespeur ik dat er in mijn gemoed fouten zijn, die de braafheid overschaduwen en daaraan den groei benemen... gij allen weet hoe de groote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u, die uitstekend zijn in deugd, om te trachten beter te worden dan ik ben.
Ik groet u allen zeer.
Toen de Gouverneur-generaal mij gelastte tot u te gaan om adsistent-resident te zijn in deze afdeeling, was mijn hart verheugd. Het kan u bekend zijn dat ik nooit Bantan-Kidoel had betreden. Ik liet mij dus geschriften geven, die over uwe afdeeling handelen, en heb gezien dat er veel goeds is in Bantan-Kidoel. Uw volk bezit rijstvelden in de dalen, en er zijn rijstvelden op de bergen. En ge wenscht in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in Bantan-Kidoel!
Maar niet hierom alleen was mijn hart verheugd. Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben.
Doch ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blijde in het binnenste mijner ziel.
Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hij rijkdom geeft aanwien hij beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hij wie zijn woord spreekt, opdat zij zich oprichten in hun ellende.
Geeft Hij niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den bloemkelk die dorst heeft?
En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg, daar hun knieën niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt? Zou niet mijn hart opspringen als het ziet gekozen te zijn onder velen, om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween?
Ja, ik ben zeer blijde geroepen te zijn in Bantan-Kidoel!
Ik heb gezegd tot de vrouw die mijne zorgen deelt en mijn geluk grooter maakt: "verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van ons kind! Hij heeft mij gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is afgeloopen, en Hij keurde mij waardig daar te zijn vóór den tijd van den oogst. Want niet in het snijden der padie is de vreugde: de vreugde is in het snijden der padie die men geplant heeft. En de ziel des menschen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat eenmaal zeggen zal: "weet ge dat ik zijn zoon ben?" En dan zullen er wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen leggen op zijn hoofd, en zeggen zullen: "zet u neder aan ons maal, en bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wij hebben, want ik heb uwen vader gekend."
Hoofden van Lebak, er is veel te arbeiden in uwe landstreek!
Zegt mij, is niet de landman arm? Rijpt niet uw padie dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zijn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?
Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van Bandoeng[3] dat daar ten-oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: "waar zijn de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik den gamlang niet, die blijdschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der padie uwer dochters?"
Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de bergen te zien die geen water dragen op hunne zijden, of de vlakten waar nooit een buffel den ploeg trok?
Ja, ja, ik zeg u dat uw en mijn ziel daarover bedroefd is! En daarom juist zijn wij Allah dankbaar dat hij ons macht heeft gegeven om hier te arbeiden.
Want wij hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners weinig zijn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zijn rotsen die plaats weigeren aan den wortel, want op veel plaatsen is de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hij ons wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die de padie vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die den patjol nutteloos maakt. [4] Noch zijn er zonnestralen, heeter dan noodig is om het graan te doen rijpen dat u en uw kinderen voeden moet, noch banjirs die u doen jammeren: "wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb!" [5]
Waar Allah waterstroomen zendt, die de akkers wegnemen... waar Hij den grond hard maakt als dorre steen... waar Hij Zijn zon doet gloeien ter verschroejing... waar Hij oorlog zendt, die de velden omkeert... waar Hij slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt... daar, Hoofden van Lebak, buigen wij deemoedig het hoofd, en zeggen: "Hij wil het zoo!"
Maar niet aldus in Bantan-Kidoel!
Ik ben hier gezonden om uw vriend te zijn, uw ouder broeder. Zoudt gij uw jongeren broeder niet waarschuwen als ge een tijger zaagt op zijn weg?
Hoofden van Lebak, we hebben dikwijls misslagen begaan, en ons land is arm omdat we zooveel misslagen begingen.
Want in Tjikandi en Bolang, en in het Krawangsche, en in de ommelanden van Batavia, zijn velen die geboren zijn in ons land, en die ons land verlaten hebben. [6]
Waarom zoeken zij arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders begroeven? Waarom vlieden zij de dessah[7] waar zij de besnijdenis ontvingen? Waarom verkiezen zij de koelte van den boom die dáár groeit, boven de schaduw onzer bosschen?
En ginds in 't noordwesten over de zee, zijn velen die ònze kinderen moesten zijn, maar die Lebak hebben verlaten om rondtedolen in vreemde streken met kris en klewang, en schietgeweer. En ze komen ellendig om, want er is macht van de Regeering daar, die de opstandelingen verslaat. [8]
Ik vraag u, Hoofden van Bantan-Kidoel, waarom zijn er zoovelen die weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zijn? Waarom vraagt de boom, waar de man is dien hij als kind zag spelen aan zijn voet?

Havelaar hield hier een oogenblik op. Om eenigszins den indruk te begrijpen dien zijn taal maakte, had men hem moeten hooren en zien. Toen hij sprak van zijn kind, was er in zijn stem iets zachts, iets onbeschrijfelijk roerends, dat uitlokte tot de vraag: "waar is de kleine? Reeds nu wil ik 't kind kussen, dat zijn vader zoo spreken doet!" Maar toen hij kort daarna, schijnbaar met weinig geleidelijkheid, overging tot de vragen waarom Lebak arm was, en waarom er zooveel bewoners van die streken verhuisden naar elders, klonk er in zijn toon iets dat denken deed aan 't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt geschroefd in hard hout. Toch sprak hij niet luid, noch drukte hij bijzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zijn stem, maar hetzij studie of natuur, juist deze eentonigheid maakte den indruk zijner woorden sterker op gemoederen die zoo bijzonder ontvankelijk waren voor zulke taal.

Zijn beelden, die altijd genomen waren uit het leven dat hem omringde, waren voor hem werkelijk hulpmiddelen tot begrijpelijk maken van wat hij bedoelde, en niet, zooals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de zinsneden der redenaars bezwaren, zonder eenige duidelijkheid toetevoegen aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toetelichten. We zijn thans gewoon aan de ongerijmdheid van de uitdrukking: "sterk als een leeuw" maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hij zijn vergelijking niet had geput uit de zielepoëzie die beelden geeft voor redeneering en niet anders spreken kan, doch zijn aanvullende gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek – uit den bijbel misschien – waarin een leeuw voorkwam. Want niemand zijner hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus veeleer noodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelijking van den leeuw met iets waarvan de kracht hun bij ervaring bekend was, dan omgekeerd.

Men erkenne dat Havelaar werkelijk dichter was. Ieder gevoelt dat hij, sprekende van de rijstvelden die er waren op de bergen, de oogen daarheen richtte door de open zijde der zaal, en dat hij die velden inderdaad zag. Men beseft, als hij den boom liet vragen waar de man was die als kind aan zijn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de verbeelding van Havelaars toehoorders in werkelijkheid vragend rondstaarde naar de heengegane bewoners van Lebak. Ook verzon hij niets: hij hoorde den boom spreken, en meende slechts natezeggen wat hij in zijn dichterlijke opvatting zoo duidelijk verstaan had.

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelijke in Havelaars wijze van spreken niet zoo onbetwistbaar is, daar zijn taal denken doet aan den stijl der profeten van 't Oude-Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hij in oogenblikken van vervoering werkelijk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poëzie-ademende atmosfeer van het oosten, en alzoo scheppende uit gelijksoortige bron als de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te vergelijken, gissen wij dat hij niet ànders zou gesproken hebben, ook wanneer hij nooit de heerlijke dichtstukken van het Oude-Testament gelezen had. Vinden we niet reeds in de verzen die van zijn jeugd dagteekenen, regels als deze, die geschreven waren op den Salak – een der reuzen, maar niet de grootste, onder de bergen van de Preanger Regentschappen – waarin alweder de aanhef de zachtheid zijner aandoeningen teekent, om op-eens overtegaan in 't naspreken van den donder dien hij onder zich hoort:

't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven...
't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij...
Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:
Men is zijn God op bergen meer nabij!
Hier schiep Hijzelf altaar en tempelkoren,
Nog door geen tred van 's menschen voet ontwijd,
Hier doet Hij zich in 't raat'lend onweer hooren...
En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*)
(*)Frits zegt: ijd en eit rijmt niet, althans niet in Friesland en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken, die deugen. 't Is waar, 't was in zijn jeugd.
B. Droogstoppel[9]

... en gevoelt men niet, dat hij de laatste regels niet zóó had kunnen schrijven, als hij niet werkelijk had meenen te hooren en te verstaan hoe Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van 't gebergte toeriep?

Maar hij hield niet van verzen. "Het was een leelijk rijglijf" zeide hij, en als hij er toe gebracht werd iets te lezen van wat hij "begaan" had, zooals hij zich uitdrukte, schiep hij er vermaak in, zijn eigen werk te bederven, òf door 't voortedragen op een toon die 't belachelijk maken moest, òf door op-eenmaal, vooral bij een hoogst-ernstigen passus, aftebreken, en er een kwinkslag tusschen te werpen, die de toehoorders pijnlijk aandeed, maar die bij hem niets anders was dan een bloedige satire op de onevenredigheid tusschen dat keurslijf en zijn ziel die zich daarin zoo benauwd voelde.

Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondgediende ververschingen iets gebruikten. Havelaar had namelijk met een wenk gelast, de bij zoodanige gelegenheid onvermijdelijke thee met maniessan[10] rondtedienen. Het scheen dat hij met voordacht na de laatste zinsnede zijner toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was reden toe. "Hoe, moesten de Hoofden denken, hij weet reeds dat er zoovelen onze Afdeeling verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is hem bekend hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden, om de armoede te ontwijken die hier heerscht? En zelfs weet hij dat er zooveel Bantammers zijn onder de benden die in de Lampongs de vaan des opstands hebben ontrold tegen 't nederlandsch gezag? Wat wil hij? Wat bedoelt hij? Wien gelden zijne vragen?

En er waren er die Radhen Wiera Koesoema, het distriktshoofd van Parang-Koedjang aanzagen. [11] Maar de meesten sloegen de oogen ter-aarde.

"Kom eens hier, Max!" riep Havelaar, die zijn kind gewaar werd, spelende op het erf, en de Regent nam den kleine op den schoot. Maar deze was te wild om daar lang te blijven. Hij sprong weg, en liep den grooten kring rond, en vermaakte de Hoofden door zijn gekeuvel, en speelde met de gevesten van hun krissen. Toen hij bij den Djaksa kwam, die de aandacht van 't kind trok omdat hij sierlijker dan de anderen gekleed was[12] scheen deze iets op 't hoofd van kleinen Max te wijzen aan den Kliwon die naast hem zat en een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen.

– Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft iets aan die heeren te zeggen.

De kleine liep weg nadat hij met kushandjes gegroet had.

Hierop ging Havelaar aldus voort:

– Hoofden van Lebak! Wij allen staan in dienst des Konings van Nederland. Maar Hij, die rechtvaardig is, en wil dat wij onzen plicht doen, is vèr van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja, meer dan zooveel, zijn gehouden zijn bevelen te gehoorzamen, maar hij kan niet wezen nabij allen die afhangen van zijnen wil.
De Groote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zijn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hij is, en gebiedende over al wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de oudsten zijn, en beschikkende over de macht des legers en over de schepen die op zee varen[13] ook hij kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blijft verre van hem.
En de resident te Serang, die heer is over de landstreek Bantam, waar vijf-maal-honderd-duizend menschen wonen, wil dat er recht geschiede in zijn gebied, en dat er rechtvaardigheid heersche in de landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hij verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zijn aangezicht omdat hij straffe vreest.
En de heer Adhipatti, die Regent is van Zuid-Bantam, wil dat ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zij over de landstreek die zijn regentschap is.
En ik, die gisteren den Almachtigen God tot getuige nam dat ik rechtvaardig zou zijn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder vrees en zonder haat, dat ik zal zijn: "een goed adsistent-resident"... ook ik wensch te doen wat mijn plicht is.
Hoofden van Lebak! Dit wenschen wij allen!
Maar als er soms onder ons mochten zijn, die hun plicht verwaarloozen voor gewin, die het recht verkoopen voor geld, of die den buffel van den arme nemen, en de vruchten die behooren aan wie honger hebben... wie zal ze straffen?
Als een van u het wist, hij zou 't beletten. En de Regent zou niet dulden dat zoo-iets geschiedde in zijn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als noch gij noch de Adhipatti noch ik het wisten...
Hoofden van Lebak! Wie toch zal dan recht doen in Bantan-Kidoel?
Hoort naar mij, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden.
Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen bij het gereedmaken van ons doodkleed, en de voorbijganger zal zeggen: "daar is een mensch gestorven." Dan zal wie aankomt in de dorpen, tijding brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt zal vragen: "wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen:
"Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en verstootte den klager niet van zijn deur. Hij hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet drijven kon door den grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hij zoeken naar den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hij den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hij het loon niet, en hij ontnam de vruchten niet aan wie den boom geplant hadden. Hij kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme behoorde."
Dan zal men zeggen in de dorpen – "Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zijn wil geschiedde... er is een goed mensch gestorven."
Doch andermaal zal de voorbijganger stilstaan voor een huis, en vragen, "wat is dit, dat de gamlang zwijgt, en het gezang der meisjes?" En wederom zal men zeggen: er is een man gestorven."
En wie rondreist in de dorpen, zal 's avonds zitten bij zijn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hij zal zeggen:
"Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn akker met het zweet van den arbeider dien hij had afgeroepen van den akker des arbeids. Hij onthield den werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hij is rijk geworden van de armoede der anderen. Hij had veel gouds en zilvers en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zijn kind. Hij glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zijn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden."
Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: "Allah is groot... wij vloeken niemand!"
Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen!
Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wij gezag hadden? En wàt door de voorbijgangers die de begrafenis aanschouwen?
En wat zullen wij antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: "waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gij gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zijner vrouw?"

Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwijgen ging hij op de eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets dat indruk maken moest, voort:

– Ik wenschte gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u mij te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben kan op een zacht oordeel van mijn kant staat-maken, want daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zijn... niet althans in de gewone dienstvergrijpen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van groveren aard... over knevelarij en onderdrukking, spreek ik niet. Zoo-iets zal niet voorkomen niet waar, m'nheer de Adhipatti?
– O neen, mijnheer de adsistent-resident, zoo-iets zal niet voorkomen in Lebak.
– Welnu dan, mijne heeren Hoofden van Bantan-Kidoel, laat ons verheugd zijn dat onze Afdeeling zoo verachterd en zoo arm is. Wij hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wij zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de vruchten zijner inspanning, lijdt het geen twijfel dat binnen weinig tijds de bevolking zal toenemen, zoo in zielental als in bezittingen en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u nogmaals mij te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hij kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede beveel ik mij zeer aan in uwe medewerking.
Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en justitie met mijn beschikkingen doen teruggeworden.
Hoofden van Bantan-Kidoel! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeeren, ieder naar zijne woning. Ik groet u allen zeer! [14]

Hij boog, bood den ouden Regent den arm, en geleidde hem over het erf naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalerij.

Voetnoten[bewerken]

  1. Sebah. De beteekenis blijkt uit den tekst. Ik weet niet of 't woord 'n verbastering is van pasehbah, 'n gebouw, dat wel zou kunnen genomen worden voor de plaats waar men dergelijke vergaderingen houdt. EDD
  2. Bantan-Kidoel: Zuid-Bantam. De m waarmee wij 't woord Bantam sluiten, is niet korrekt. De naam is: Bantan. Mantrie: opziener. Dhemang: distriktshoofd. In centraal en oostelijk Java heet deze beambte Wedhono. De schrijver van een fransch werk: Felix Batel, waarin de Havelaar wordt nageschreven, en--tegen de bedoeling van den auteur, voorzeker!--geparodieerd, verraadt o.a. z'n letterdieverij door in den javaschen Oosthoek waar hij z'n stuk spelen laat, van Dhemangs te spreken. Dit klinkt ongeveer als... grietman van Utrecht. In dat werk gaat de zon op, juist zooals dat werd waargenomen door Saïdjah. Ook de buffel-epizode wordt letterlijk overgenomen, en de auteur heeft de goedheid te erkennen dat dit voorval ook door zekeren Multatuli beschreven werd. Welnu, die Felix Batel is door nederlandsche recensenten uitvoerig behandeld, doch nergens vindt men 'n spoor van protest tegen dien onbeschaamden diefstal! Ik noem dit even slecht als de piraterie zelf. Als 'n vreemdeling zich de eer aanmatigde der diepzinnige uitvinding van 't haringkaken, zou men moord en brand schreeuwen, maar de "nationale eer" kan wèl verdragen dat Havelaar bestolen wordt. Bepaalde zich de oneerlijkheid maar tot litteratuur! Maar ook op maatschappelijk, politisch en wijsgeerig terrein loopt ze tot in 't onbegrijpelijke. De natie kan nog altijd niet lezen. Of wil ze niet verstaan wat men haar te lezen geeft? EDD
  3. Bandoeng: afdeeling, regentschap of adsistent-residentie in de Preanger-regentschappen. EDD
  4. Patjol: houweelachtige spade. EDD
  5. Banjirs. Omtrent deze natuurverschijnselen verwijs ik naar 't stukje: "Wijs mij de plaats waar gij gezaaid hebt" een geschrift dat aan dezen regel uit den Havelaar z'n naam ontleende. EDD
  6. Zie Noot 37: Uitgewekenen naar Tjikandi en Bolang. De bevolking der partikuliere landerijen in 't Bataviasche en Buitenzorgsche bestaat voor 'n groot deel uit lebaksche vluchtelingen. "Als er in Lebak niet gekneveld wordt, heb ik 'n landheer hooren zeggen, hebben wij gebrek aan volk." EDD
  7. Dessah: dorp. Elders: kampong en negrie. De inlandsche oorsprong dezer beide laatste woorden--javaansch, soendasch of maleisch dan--komt me verdacht voor. EDD
  8. Opstandelingen in de Lampongs. Er bestaat 'n brochure over de hier bedoelde expeditie, welker titel ik niet kan opgeven. Ze is waarschijnlijk van '61 of '62, en werd, meen ik, geschreven door den kommandant onzer troepen. Die schrijver loochent dat er veel lebaksche uitgewekenen waren onder de door hem bevochten opstandelingen. Ik houd evenwel m'n opgaaf staande, en beroep me op 't getuigenis der officieren die onder hem aan dien veldtocht deelnamen. Juist door een hunner heb ik m'n bewering met 'n zeer sterke uitdrukking hooren bevestigen. Er was 'n tijd dat het ontkennen mijner assertien zekere welgezienheid in den Haag meebracht, en dááraan schreef die officier toe, wat hij in z'n gewezen kommandant plompweg 'n: "vervloekt gemeene leugen" noemde. Indien me had mogen blijken dat Nederland belang stelde in waarheid, zou ik sedert lang bewijzen geleverd hebben. Maar 't is vervelend pleiten voor 'n rechtbank die verzot is op leugens. EDD
  9. IJd en eit. Dit Nootjen is van den heer Van Lennep. Als aardigheid kan het er door, maar in de oogen van 'n volwassen mensch is dat purisme op 't rijm waarlijk komiek. Laat de Zeeuwen op z'n zeeuwsch, de Friezen op z'n friesch rijmen! En wie in 't geheel niet rijmt, doet ook goed, ja... beter nog! Bij Göthe en Schiller rijmt Ritter op Jezuïter, ehren op währen, Kaiser op weiser, führen op probiren, enz. Boileau koppelt audace aan Parnasse, pucelle aan modèle, e.a. De sop is de kool niet waard. Jammer maar dat nog altijd zoo velen hun wijsheid over dergelijke kinderachtighedens aan den man weten te brengen als Letterkunde en zelfs als poëzie! EDD
  10. Maniessan: zoetigheid, konfituren. Het gebruiken hiervan bij de thee is van chineschen oorsprong. EDD
  11. Distriktshoofd van Parang-Koedjang. Hij was schoonzoon en handlanger van den Regent. Ten zijnen huize werd mijn voorganger vergiftigd. EDD
  12. Kleeding van den Djaksa. Deze inlandsche ambtenaar was 'n Javaan--geen Soendanees--en daarom eenigszins anders, en opzichtiger, gekleed dan de Hoofden die te Lebak thuis hoorden. EDD
  13. Onder de titels van den Gouverneur-generaal behoort ook die van: Opperbevelhebber van Zr Ms Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop. EDD
  14. Deze aanspraak aan de Lebaksche Hoofden wordt, naar mij van vele zijden bleek, vrij algemeen gewaardeerd. Waarom keurde men dan Havelaar's handelingen die daarmee stipt overeenstemden, geen aandacht waard? Om te beoordeelen in hoever ik bij 't benaderend in druk geven van die ongeschreven toespraak kan afgeweken zijn van stipt-letterlijke waarheid, is 't misschien niet onbelangrijk toon en inhoud daarvan te vergelijken met zeker stuk van eenige jaren tevoren. Ik bedoel de Publikatie aan de Inl. Hoofden der Minahassa van 1 April 1851, waarin naar ik meen dezelfde geest heerscht. Het Weekblad "Oost en West" en daarna de Spectator (26 Juli 1879), namen 't over uit de indische couranten die dat dokument de moeite der reproduktie hadden waard gekeurd, misschien wel om de velen terecht te wijzen die voorgeven den Havelaar te ontkrachten door 't boek voor 'n fiktie uittemaken. Bedoelde Publikatie is 'n officieel stuk en heeft niets te maken met romanschrijverij. Ik noodig den lezer uit, het aangehaalde nummer van den Spectator intezien, en zich de vraag voorteleggen of 't billijk is dat ik ruim dertig jaar na 't schrijven van de daarin meegedeelde Publikatie, nog telkens door den eersten den besten kwajongen straffeloos word uitgescholden? (Zie voorts over dit onderwerp de Noten 101 en 115.) EDD


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Max Havelaar of de Koffij-veilingen der nederlandsche Handelmaatschappij - Deel 13) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.