Noorsche Volksvertellingen/De bewoners van Lunde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een avond in de keuken van den landheer Noorsche Volksvertellingen van Peter Christen Asbjørnsen

De bewoners van Lunde

Een ouderwetsche kerstavond


[ 117 ]
 

DE BEWONERS VAN LUNDE.

 

 

Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen, een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden, praatzieken voerman.

't Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord.

[ 118 ] Toen wij een eind weegs de »Odden" voorbij waren, kreeg het paard den inval op een’ heuvel te blijven staan. Bijna recht voor ons uit lag de kerk van Biri op eenigen afstand, en ter linkerzijde verder op lag op eene hoogte eene hoeve, met een’ donkeren bergtop op den achtergrond. Ik herinnerde mij den naam dier hoeve niet en vroeg er naar.

»Dat is Lunde," zeide de voerman. »’t Is zonderling, dat gij, die hier zoo goed bekend zijt, dit niet weet. Ge hebt toch zeker hooren spreken van »Lunde-bloed en Lunde-dol," dat zijn welbekende woorden hier in Biri."

Neen, ik kende ze niet en vroeg hem de verklaring daarvan, die hij aanstonds bereid was mij te geven.

»Op Lunde heeft altijd een vreemd slag van volk gehuisd; men zegt, dat de Huldren daar gewoond hebben, en geheel anders dan gewone menschen waren zij zeker; daarom spreekt men nog van »Lunde-bloed" en »Lunde-streken."

»Eens woonde er eene oude vrouw op de hoeve, die Aase heette. Terwijl zij in ’t kraambed lag, was zij op eens verdwenen, en een eikenblok lag op hare plaats. Sedert dien tijd pleegt men hier een mes boven de deur te steken, wanneer eene vrouw in arbeid gaat, opdat ze niet betooverd worde. De aardgeesten hadden haar weggevoerd, en ’t was niet de eerste maal, dat zij haar hadden vervolgd; reeds in hare bruidsdagen hadden zij haar met ’t hoofd voorover in een watervat gedompeld, maar er waren toen verscheiden menschen op ’t erf en zoo werd ze dadelijk gered. En terwijl ze er uit werd gehaald, hoorde men eene stem op den heuvel bij ’t kookhuis, dat ’t kwam, wijl ze geen’ trouwring aan den vinger had. Sinds dien tijd draagt ook ’t armste meisje, dat een’ vrijer heeft, een’ trouwring.

[ 119 ] »Aase had een' zoon, die Dagfin heette; 't was een onbarmhartige kerel. Zoo gierig was hij, dat 't niet te zeggen valt. Wanneer hij naar 't bosch moest, om hout te hakken, zette hij een groot blok voor de keukendeur en zei tot de arme menschen: »Ga maar niet naar binnen, want mijne vrouw is zoo karig, dat ge toch niets van haar krijgt." Maar dat was logen. Eli was een goedhartig mensch; doch met den gierigaard liep 't slecht af: hij hing zich op aan een' berk, die vlak bij 't woonvertrek stond. Een' stomp van den boom kan men nog zien.

»Deze Dagfin had drie kinderen: Aase, Per en Armund; de laatste leeft nog. Ellendiger lui heeft men nooit gezien. Aase was zoo mager en leelijk, dat zelfs de duivel bang voor haar zou geworden zijn. Bijna altijd lag ze in eene groote kist; ja, de ritmeester zou 't kunnen bevestigen, want hij wilde eens 't deksel toeslaan, maar als eene haviksklauw sloeg ze hare dorre hand uit, greep 't deksel en deed 't den ritmeester tegen den neus vliegen.

»Per was geheel en al behekst. Hij spitte overal diepe groeven in zijne akkers en haalde er alle frambozenstruiken en aardbeiplanten uit, opdat de kinderen ze er niet zouden komen plukken. Des zomers zwierf hij op de bergvlakten rond om naar de paarden te kijken. Hij kende dan ook alle paarden van 't vlek en verscheiden uit andere dorpen. Zelf had hij ook altijd sterke en flinke paarden, en hij maakte ze nooit tam eer ze zes, zeven jaar oud waren; dan nam hij ze met zich naar 't bosch, velde een' grooten den, spande hen er voor en liet ze den boom naar huis sleepen; zoo kreeg hij ze wel mak. Wanneer hij paarden of koeien wou verkoopen, had hij ook eene zonderlinge gewoonte. Dan boorde hij een gat in den wand van den stal, stak het [ 120 ] eind van den staart er in en sloeg eene houten pen in de opening. Wanneer ’t beest dan werd weggehaald, bleven er eenige haren in ’t gat zitten. Dit deed hij, opdat ’t verkochte vee niet het geluk uit de hoeve zou meenemen. De gansche zuidelijke wand zit vol pennen en haren tot op den huidigen dag. Per Lunde ging dikwijls naar de kerk, maar er in kwam hij nooit, of ’t Avondmaal moest worden gevierd.

»Terwijl de andere menschen naar Gods woord luisterden, zwierf hij rond op de hoeven en praatte met de paarden. En wanneer het Avondmaal zou worden gevierd, dan sloop hij in den grafkelder en bleef daar, tot de gemeente naar het altaar ging. Dan kwam hij te voorschijn, maar zoodra hij ’t sacrament had genoten, ging hij weer in den kelder, tot de menigte de kerk had verlaten. Per mocht ook gaarne alles met teer bestrijken; soms deed hij ’t zich zelven en dikwijls ’t vleesch in ’t kookhuis en sloeg dit dan vol met schoenmakerspennen. Na zijn’ dood vond men een heel vertrek vol ongehekeld vlas en wol, en vleesch en vet, dat daar jaren lang had gelegen en geheel bedorven was; met planken en latten had hij ’t vertrek van alle kanten afgesloten en toegespijkerd. Ja, ’t was een rechte zonderling, die Per; toen onze vorige schout nog leefde, verkocht hij hem eens een stuk van een’ paardepoot voor versch vleesch. Natuurlijk stierf de man daaraan, maar later zeide de menschen, dat hij zich zelven van kant had gemaakt.

»Na Per kreeg Armund de hoeve; hij leeft nog en doet niet zoo dwaas als de beide anderen. Hij heeft dan ook onder de menschen verkeerd en in ’t leger gediend als dragonder. ’t Is een groote, sterke, zware man, maar hij ziet zoo bleek als de dood. Soms doet hij nog [ 121 ] wel vreemde dingen; toen de ritmeester eens inspectie kwam houden, paradeerde Armund met een' voederbak onder den arm in plaats van zijne fouriersmuts. En zoozeer was hij aan den drank verslaafd, dat hij, naar men zegt, elken dag een paar kan brandewijn naar binnen sloeg. Verleden jaar begon hij rooden wijn te drinken, maar daar hield hij spoedig mee op; die was hem te zuur. Nu drinkt hij elken dag vier potten koffie, en bijna den ganschen dag zit hij in zijne badkamer, die hij ontzettend heet stookt, in eenige schapenvachten gewikkeld. Des zomers keert hij den wolligen kant naar binnen, want hoe warmer het is, des te dikker gaat hij gekleed.

»Maar om op de oude Aase Lunde terug te komen. Langen tijd, nadat zij was verdwenen, bevond Hans Sigstad zich eens op 't veld om zijne paarden te zoeken. Eer hij er aan dacht, kwam hij bij de Dingsteenen, en daar zag hij op eens zooveel pracht en heerlijkheid, of hij zich in een kasteel bevond. Eene oude vrouw liep er op en neer; wel kwam zij Hans bekend voor, maar hij kon haar niet thuis brengen.

»Kent ge me niet?" vroeg de vrouw.

»Ja, mij dunkt, ik heb u meer gezien," antwoordde Hans.

»Wel zeker, ik ben Aase Lunde, die verdween, toen zij in 't kraambed lag," zeide ze. »Ik kende u, toen ge nog een kleine jongen waart; jaren lang ben ik hier reeds geweest. Had men na mijn verdwijnen de kerkklokken maar een beetje langer geluid, dan zou ik wel ontsnapt zijn; ik had reeds 't eene been buiten den berg; maar toen hield men op en moest ik weer terug. Gij zoekt naar uwe paarden," vervolgde zij, »laat mij u zeggen, dat mijn man en zijne buren ze elk oogenblik [ 122 ] gebruiken. En dat is de schuld van uwe staljongens; wanneer zij de dieren naar 't veld brengen, slaan zij ze met de leidsels. Maak nu spoedig, dat ge weg komt; aanstonds keert mijn man naar huis, en wanneer hij u hier aantrof, liep 't slecht met u af."

»Sigstad ging heen en vond weldra zijne paarden terug. Sedert heeft hij Aase Lunde gehoord noch gezien; als zij niet gestorven is, dan leeft zij nog en woont in 't Hulderslot bij de Dingsteenen.

Meer en meer breidden de schaduwen zich uit over de velden van Biri en 't Mjösenmeer; de koelte van den avond daalde op de velden neder. Suizend en fluisterend streek de wind door de toppen der boomen en bracht een' vriendelijken groet van de bloeiende hagen en de geurige bloemen der velden en wouden mee voor de vogels, die, sinds kort uit het zuiden teruggekeerd, in 't lommer verscholen droomden van de wonderen, die zij op hunne reizen in Griekenland en Marokko hadden aanschouwd.

Naarmate wij ons doel naderbij kwamen, scheen mijn paard vlugger te worden. Op Svennaes ontving ik de bevestiging van al wat ik had vernomen: dat Per Lunde den schout een stuk paardepoot in plaats van versch vleesch had bezorgd; dat hij zijne paarden met den staart in den wand vastklopte, wanneer hij ze ging verkoopen, en wat al meer geloofwaardige dingen mijn voerman had verhaald.