Noorsche Volksvertellingen/Een ouderwetsche kerstavond

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De bewoners van Lunde Noorsche Volksvertellingen van Peter Christen Asbjørnsen

Een ouderwetsche kerstavond

Een zondagavond op een' saeter


[ 123 ]
 

EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND.

 

 

De wind floot door de oude ahornen en linden tegenover mijn raam; de sneeuwvlokken stoven door de straat, en de hemel was zoo donker als een Decemberlucht in Christiania kan zijn. Niet minder somber was de stemming, waarin ik verkeerde. 't Was kerstavond, de eerste, dien ik niet aan den ouderlijken haard mocht doorbrengen. Niet lang geleden was ik officier geworden, en 'k had gehoopt mijne bejaarde ouders met mijne tegenwoordigheid te verblijden, en al den glans en de heerlijkheid van mijn' nieuwen rang te laten schitteren in 't oog der dames van mijne geboorteplaats. Maar eene zenuwkoorts bracht mij in 't hospitaal, dat ik pas sinds eene week had verlaten, en thans bevond ik mij in den hooggeprezen toestand van een' reconvalescent. Ik had naar huis geschreven om een rijpaard en den dikken mantel mijns vaders, maar de brief kon 't ouderlijke huis stellig niet voor den tweeden kerstdag bereiken, en eerst tegen nieuwjaar mocht ik 't paard dus verwachten. Mijne kameraden waren uit de stad en ik kende geen enkele familie, waar ik de feestdagen kon doorbrengen. De twee oude juffers, bij welke ik in huis [ 124 ] was, waren zeker goedhartige en vriendelijke menschen, en met treffende zorgvuldigheid en hartelijkheid hadden ze mij in ’t begin mijner ziekte opgepast. Maar de geheele denk- en levenswijze dezer dames behoorden te goed in den ouden tijd tehuis, om bijzonder in den smaak te kunnen vallen van een’ jong mensch. ’t Liefst dwaalden hare gedachten om in ’t verleden, en wanneer zij, zooals vaak gebeurde, mij eene of andere historie, die in de stad was voorgevallen, verhaalden, herinnerden zoowel de inhoud daarvan als de naïeve voorstelling aan een’ tijd, die reeds lang tot ’t verledene behoorde. Met dit ouderwetsche karakter mijner dames stond ook het huis, dat zij bewoonden, in volmaakte overeenstemming. ’t Was een dier oude gebouwen, zooals men ze nog in de Toldbodstraat vindt, met diepe vensters, lange, donkere gangen en trappen, sombere kamers en zolders, die iemand dadelijk doen denken aan nikkers en heksen. Hier kwam nog bij, dat de kring harer kennissen zeer beperkt was; behalve eene gehuwde zuster kwam er nooit iemand, dan een paar vervelende oude vriendinnen. Slechts een aardig nichtje en een stuk of wat dartele kleinen, de kinderen van een’ broeder, die mij altijd plaagden om sprookjes en heksen vertellingen, brachten soms eenig leven in mijne doodsche omgeving.

Ik trachtte mijn gevoel van verlatenheid en neerslachtigheid eenigszins af te leiden door naar de vele menschen te zien, die in de straat heen en weer gingen, in sneeuwjacht en wind, met paarse neuzen en half gesloten oogen. Langzamerhand begon ik merkwaardig veel belangstelling te koesteren voor de drukte in de apotheek aan den overkant. Geen oogenblik stond de deur stil; dienstmeisjes en boeren stroomden er uit en in en gaven zich [ 125 ] alle moeite, zoodra zij weer op straat kwamen, de opschriften der fleschjes en potjes te ontcijferen. Enkelen scheen dit te gelukken, maar meestal bewees de lange duur van ’t onderzoek, gevolgd door een bedenkelijk hoofdschudden, dat de taak te moeielijk was. De schemering viel in; weldra kon ik de gezichten der voorbijgangers niet meer onderscheiden en staarde ’k nog slechts op de ouderwetsche apotheek. Met hare donkere roodbruine muren, hare in lood gevatte vensterruiten, haar’ spitsen gevel en hare torentjes met windwijzers, stond zij daar als een eerwaardig gedenkstuk der bouwkunst uit den tijd van Christiaan den Vierde. En de zwaan in den gevel met den gouden ring om den hals, de rijlaarzen aan de pooten en de vleugels uitgespreid ter vlucht, keek met dezelfde onverstoorbare deftigheid, die hem voor eeuwen reeds moet gekenmerkt hebben, op de bezoekers neer. Juist was ik bezig mij te verdiepen in ’t lot der arme vogels, die in een’ kerker zijn opgesloten, toen ik gestoord werd door gedruisch en gelach in de zijkamer en een bescheiden jonkvrouwelijk getik aan de deur.

Op mijn »binnen!" trad de oudste mijner hospita’s, juffrouw Mette, de kamer in, groette mij met eene ouderwetsche nijging, vroeg naar mijn’ welstand en verzocht mij onder een’ grooten omhaal van woorden, den avond bij de familie door te brengen.

»’t Is niet goed voor u, hier zoo alleen in donker te zitten, beste luitenant," voegde zij er bij, »ge moest liever bij ons komen. De oude juffrouw Skau en de kinderen van mijn’ broer zijn gekomen, dat zal u misschien wat afleiding bezorgen; gij houdt immers zooveel van de lieve kleinen?"

Ik nam de vriendelijke uitnoodiging aan. Toen ik [ 126 ] binnentrad, wierp de vlam van ’t vuur in de groote vierkante kachel, wier deur wijd openstond, een’ flikkerenden gloed in ’t ruime vertrek, dat naar den ouden trant was gemeubeld met stoelen, voorzien van hooge ruggen en leeren zittingen, en eene kanapee, berekend op de dracht van hoepelrokken en de houding van een’ rekruut. De wanden waren versierd met schilderijen in olieverf, portretten van stijve dames met gepoederde kapsels, van gildemeesters en andere beroemde personen, met pantser en harnas bedekt of in roode mantels gehuld.

»Wij mogen u wel verschooning vragen, heer luitenant, dat we u zoo in donker ontvangen," zeide juffer Cecilia, de jongste zuster, die door iedereen moeder Cile werd genoemd en mij met eene buiging, de wederga van die harer zuster, te gemoet trad; »maar ’t jonge volkje speelt en stoeit graag tusschen licht en donker, en jufvrouw Skau mag ook wel zoo’n schemeruurtje in ’t hoekje van den haard."

»Schemeruurtje, schemeruurtje. . . . kijk eens aan, of ge daar zelf niet van houdt, moeder Cile! Maar wij moeten de schuld krijgen, niet waar?" merkte de bejaarde aamborstige dame op, die juffrouw Skau getiteld werd. En daarop zich tot mij richtende:

»Wel, wel, goeden avond, man; ga zitten en vertel mij eens, hoe ’t gaat;—ge zijt, op mijn woord, duchtig aan ’t aftakelen geweest," voegde ze er bij, in ’t volle besef van den ontzagwekkenden omvang harer eigen gestalte.

Ik moest nu een nauwkeurig verslag geven van mijne fata, maar werd ook rijkelijk beloond door ’t omstandig verhaal van de kwellingen, die jicht en asthma en wat niet al haar aandeden. Gelukkig werd de stroom harer jammerklachten gestuit door ’t joelend [ 127 ] binnenstormen der meisjes, die in de keuken een bezoek hadden afgelegd bij ’t oude familiestuk, dat Stine heette.

»Tante, weet ge wat Stine zegt," riep een klein, luidruchtig ding met bruine kijkers; »zij zegt, dat ik van avond mee moet naar den hooizolder om den nikker kerstpap te geven. Maar ik wil niet, ik ben bang voor den nikker!"

»Och, dat zegt Stine maar om van je af te komen, kind; ze durft zelf niet in donker naar den zolder gaan, want ze weet wel, dat de nikker haar eenmaal terdeeg heeft beet gehad," zei juffer Mette. »Maar groet ge den luitenant niet, kinderen?"

»Och heden, is dat mijnheer de luitenant? Ik kende u niet; wat ziet ge bleek en wat hebben we u in lang niet gezien," riepen de kleinen als uit een’ mond, terwijl ze elkaar verdrongen, om ’t dichtst bij mij te zijn. »Nu moet ge ons wat moois vertellen; we hebben zoolang niets van u gehoord; och, toe, beste luitenant, vertel ons wat van den geitebok, och, toe, van den geitebok en Goudtand!" Spoedig was ik nu aan ’t vertellen: van den geitebok en den hond Goudtand en van de twee nikkers, die hooi van elkander stalen en die elkaar ontmoetten, elk met een bos hooi op den nek, en aan ’t vechten raakten, tot ze beiden in eene wolk verdwenen, en van den nikker op Hesselberg, die den hofhond sarde, tot de eigenaar der hoeve hem over de leuning der brug smeet. De kinderen klapten in de handen en schaterden. »Dat had hij verdiend, de leelijke nikker," riepen ze en bedelden om meer.

»Neen, nu plaagt ge den luitenant al te erg, kinders," zei juffer Cecilia, »nu zal tante Mette wel eene historie willen verhalen."

»0, ja, nu tante Mette!" was de algemeene uitroep.

[ 128 ] »Maar wat zal ik vertellen, kinderen?" vroeg tante Mette. »Welnu; daar we toch met den nikker bezig zijn, zal ik van dien nikker maar wat verhalen. Ge zijt oude Kari Gusdal immers nog niet vergeten, die ons tarwebrood bracht en altijd zooveel sprookjes en histories wist te vertellen?" — »Wel neen," riepen de kinderen. — »Nu, Kari vertelde eens, dat zij voor jaren hier in ’t weeshuis diende. Toen was ’t aan dien kant der stad nog leeger en eenzamer dan tegenwoordig, en ’t weeshuis is een donker, somber gebouw. Nu, Kari was daar in dienst genomen als keukenmeid en zij was zeer wakker en bij de hand. Op zekeren nacht moest zij vroeg opstaan, om bier te gaan brouwen. Hare kameraden zeiden: »Zorg maar, dat ge niet al te vroeg op staat; vóór tweeën moogt ge ’t deeg niet klaar maken." »Waarom niet?" vroeg zij.

»Weet ge dan niet, dat hier een nikker huist? Hij wil niet zoo vroeg gestoord worden, en daarom moogt ge niet aan ’t werk gaan, vóór de klok twee heeft;" antwoordden zij.

»Dat zou wat!" zei Kari, die lang niet van gisteren was, zooals men zegt; »ik heb niets met den nikker te maken, en komt hij binnen, dan zal ik hem wel even de deur uitsmijten."

De anderen waarschuwden haar ernstig, maar zij wilde nergens van weten, en eer de klok van éénen koud was, stond zij op, legde vuur aan onder den brouwketel en begon het deeg gereed te maken. Maar telkens ging het vuur uit, en telkens was ’t, of iemand het brandhout uit de vlam trok en over den haard spreidde; toch bespeurde zij niemand. Herhaaldelijk stapelde zij ’t hout weer op, maar ’t baatte haar niet, en ook ’t deeg wilde niet vlotten. Eindelijk werd ze dit tobben moê, [ 129 ] nam een stuk brandhout, zwaaide er mee in ’t rond en riep:

»Pak je weg, of ik zal je leeren!. . . Meen-je me te plagen, dan heb je ’t mis!"

»Wee over u!" hoorde ze nu eene stem uit een’ donkeren hoek; »ik heb zeven zielen gewonnen op deze hoeve; moet nu de achtste mij ontgaan?"

Sedert dien tijd heeft niemand in ’t weeshuis ooit van den nikker gehoord, zei Kari Gusdal."

»Ik word bang; vertel gij maar weer, luitenant; als gij vertelt, word ik nooit bang, gij kent veel prettiger histories!" riep een der kleinen. Een ander sloeg voor, dat ik zou verhalen van den nikker, die den Halling danste met een meisje.

Met dit plan was ik echter niet bijzonder ingenomen, want daar moest bij gezongen worden. Maar ’t jonge volkje liet niet los, en reeds had ik eenige malen gekucht, om mijne barbaarsche stem voor de wijs van den Hallingdans te stemmen, toen de lieve nicht, waarvan ik boven sprak, tot vreugde der kleinen en mij tot reddenden engel, de kamer binnentrad.

»Ja, kinderen, ik wil de historie wel vertellen, mits nicht Lise zoo vriendelijk is, de wijs voor u te zingen," zeide ik, terwijl ze plaats nam, »en dan zult gij zelf dansen, niet waar?" De kleinen bestormden nu nicht zoolang, tot ze beloofde de dansmuziek te zingen en ik begon mijn verhaal:

»Daar was ’reis ergens, ik geloof haast in ’t Hallingdal, een meisje, dat den nikker pap moest brengen; of ’t op een’ donderdagavond of op kerstmis gebeurde, dat herinner ik me niet meer, maar ik geloof vast, dat ’t kerstavond was.

»Zij achtte ’t zonde de heerlijke brij aan den leelijken [ 130 ] nikker te geven, at ze daarom zelf op en ging naar de schuur met havermeelpap en zure melk in een’ varkenstrog. »Daar heb-je eten, leelijkerd!" zei ze.

Maar nauwelijks waren de woorden haar den mond uit, of de nikker vloog op haar aan, pakte haar om ’t lijf en begon met haar rond te zwieren; en hij hield niet op, voor ze uitgeput nederzeeg. Toen men ’s morgens in de schuur kwam, lag zij daar, meer dood dan levend. En zoolang de dans duurde, zong de nikker maar aldoor: — hier nam juffer Lise mijne taak over en zong in de maat van den Hallingdans:

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,
Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

Ondertusschen gaf ik met beide voeten de maat aan, terwijl de kleinen, al jubelend en schaterend, over den grond rolden.

»Ge zet waarlijk het huis op stutten, kinders, ik krijg er hoofdpijn van," zei juffer Skau. »Weest thans wat bedaard, dan zal ik nog eenige histories vertellen." Oogenblikkelijk werd ’t stil in de kamer en de juffrouw nam het woord:

»De menschen vertellen zooveel van nikkers en Huldren en zulk slag; maar ik geloof daar niet veel van. Nog nooit heb ik van den een of den ander iets gezien; — ’t is waar, ik ben in mijn leven nog niet ver van huis geweest — maar toch geloof ik, dat het meerendeels praatjes voor den vaak zijn. Maar wat oude Stine vertelt: dat zij eens den nikker heeft gezien, dat moet toch wel waar zijn. Toen ik nog mijn’ catechismus [ 131 ] leerde, was Stine bij mijne ouders in dienst. Voor dien tijd had ze bij een schipper gediend, die niet meer voer.

’t Was daar heel rustig en stil in huis; de menschen gingen nooit uit en niemand kwam hen opzoeken. En den ouden schipper zelf kon men bijna den ganschen dag aan ’t havenhoofd vinden. ’s Avonds gingen allen zeer tijdig naar bed. Nu wou ’t gerucht, dat er bij dien schipper een nikker huisde. Eens, zeide Stine, zaten de keukenmeid en ik op zekeren avond in ’t meiden kamertje voor ons zelven te naaien; ’t was hoog tijd om naar bed te gaan, want de nachtwacht had reeds »tien" geroepen. ’t Wilde niet vlotten met ons naaien en stoppen, want elk oogenblik verscheen Klaas Vaak, en zoodra hij achter mij kwam, begon ik te knikkebollen, en zoodra hij achter de keukenmeid ging staan, begon deze te knikkebollen, want we waren ’s morgens vroeg op geweest en hadden waschdag gehouden. Maar terwijl we zoo bij elkaar zaten, hoorden we op eens een verschrikkelijk leven in de keuken; ’t was, zei Stine, of iemand alle borden en schotels uit de kast haalde en ze op den vloer in stukken smeet. Verschrikt vlogen we op, zei ze, en ik schreeuwde: »God beware ons, dat is de nikker!" en ik was zoo bang, dat ik geen’ voet in de keuken dorst zetten. De keukenmeid was ook huiverig, maar sprak zich zelve moed in en opende de keukendeur. Daar lagen alle borden over den grond verspreid, maar geen er van was stuk en bij de deur stond de nikker met eene roode muts op ’t hoofd en glimlachte vriendelijk. Nu had de keukenmeid wel eens hooren zeggen, dat de nikker zich soms liet beet nemen, en naar een ander huis vertrok, wanneer men hem diets maakte, dat ’t daar rustiger was. En daar ze nu den nikker gaarne eene poets wilde spelen, bad [ 132 ] ze hem — hare stem beefde nog, terwijl ze ’t zeide — aan den overkant der straat bij den koperslager, zijn’ intrek te nemen; daar was ’t veel stiller en rustiger, want men ging er klokke-negen naar bed. En dat was waar ook, vertelde Stine, maar ge weet wel, was met al zijn volk, van ’s morgens drie uur af, aan ’t kloppen en slaan, dat iemand hooren en zien verging. Sedert dien dag bespeurden wij niets meer van den nikker. En bij den koperslager was hij recht in zijn schik; wel werd er den ganschen dag geklopt en gehamerd, maar men vertelde, dat ’s koperslagers vrouw hem elken donderdagavond pap bracht op den zolder—en, zei Stine, men behoeft zich dan ook niet te verbazen, dat ’t den koperslager goed ging, ja, dat hij een rijk man werd, want de nikker beschermde hem. Nu ’t is waar, dat ’t hem buitengewoon meeliep, en hij er spoedig warmpjes in zat, maar of dit kwam, door de hulp van den nikker, dat zou ik niet durven beweren," besloot juffrouw Skau, al kuchend en hoestend na de inspanning, welke de buitengewoon lange vertelling haar had gekost.

Nadat zij zich met een snuifje had verfrischt, voelde zij lust op nieuw te beginnen:

»Mijne moeder was eene vrouw als goud; zij vertelde eens eene historie, die hier in de stad is voorgevallen. ’t Gebeurde op een’ kerstnacht, en voor de waarheid sta ik borg, nooit kwam er een onwaar woord uit haar’ mond."

»Laat hooren, juffrouw Skau, laat hooren!" zei ik. En de kleinen riepen: »Toe vertel ons dat, juffrouw."

De juffer hoestte eenige malen, nam nog eene prise en begon: »Toen mijne moeder nog een meisje was, kwam ze somwijlen bij eene weduwe.... ja, hoe heette ze ook weer? Juffrouw... de naam wil me niet te [ 133 ] binnen schieten, maar dat komt er minder op aan, zij woonde in de Molenaarsstraat en was al een bejaarde vrouw. ’t Was kerstavond, zooals nu. Ze dacht zoo bij zich zelve: »morgen ochtend ga ik naar de vroegpreek, want ze was eene trouwe kerkgangster; ik zal dan eerst wat koffie zetten, dan heb ik wat warms te drinken, eer ik er heenga. Toen zij ontwaakte scheen de maan in ’t vertrek. Ze stond op om te zien, hoe laat het was , maar de klok was blijven staan en wees op half twaalf. Zij ging naar ’t raam en keek naar de kerk. Door alle vensters scheen reeds licht. Zij wekte haar dienstmeisje, liet haar koffie zetten, terwijl ze zich aankleedde, nam haar psalmboek en ging ter kerk. In de straat was alles doodstil, geen sterveling was er te bespeuren. In de kerk gekomen, zocht ze de bank op, waar ze placht te zitten en keek eens rond. Maar wat zagen de menschen er bleek en akelig uit; ’t leken wel lijken! En niemand van de schare kende zij; schoon meer dan één gezicht haar niet vreemd voorkwam, wou haar maar volstrekt niet invallen, waar zij ze kon gezien hebben. De predikant, die den kansel beklom, was ook geen dominee uit de stad, maar een lang, bleek man, dien ze toch ook wel eens meende ontmoet te hebben.

’t Was een lust hem te hooren preeken, en men hoorde ook niet zoo’n gestommel en gekuch en gehoest, als gewoonlijk onder de vroegpreek op kerstmorgen; ’t was zoo stil, dat men eene speld kon hooren vallen, zoo doodstil, dat ’t de vrouw angstig en bang om ’t harte werd.

Toen de gemeente voor de tweede maal begon te zingen, boog zich eene vrouw, die naast haar zat, tot haar over en fluisterde haar in ’t oor: »Werp uw’ mantel [ 134 ] losjes om en ga heen, want blijft gij tot de preek uit is, dan is ’t met u gedaan. De dooden houden kerstfeest!"

»Oef, ik word bang, ik word bang, juffrouw Skau," riep een der kleinen vol angst, terwijl ze op een’ stoel kroop.

»Och, stel je gerust, kind; ’t loopt nog goed met haar af; luister maar naar ’t vervolg," zei de juffrouw. De vrouw bevielen deze woorden ook slecht; toen zij de stem vernam en de spreekster in ’t gelaat zag, herkende zij eene buurvrouw, die voor vele jaren gestorven was, en nu ze nog eens rondkeek, herinnerde zij zich klaar, dat ze zoowel den predikant als ’t grootste gedeelte der gemeente voorheen had gekend; allen waren voor langen tijd overleden. Ze ijsde er van. Losjes sloeg ze den mantel om zich heen, zooals de vrouw haar had geraden en snelde heen; maar ’t was haar, of al de dooden haar volgden, en haar zochten terug te houden: hare knieën knikten en bijna was ze op den vloer neergezegen. Toen zij in ’t kerkportaal kwam, voelde zij haar’ mantel grijpen; zij maakte den gesp los, liet den mantel in den steek en vlood, zoo snel de beenen haar dragen wilden, naar huis. ’t Sloeg één uur, toen zij hare huisdeur opende en half dood van schrik naar binnen wankelde. ’s Morgens vonden de kerkgangers haar’ mantel op den stoep, in duizend stukken gereten. Mijne moeder kende den mantel zeer goed en ik meen ook, dat zij een der stukken heeft gezien; maar wat hiervan zij, ’t was een korte mantel van eene lichtroode stof, met bont gevoerd en geboord, precies zooals de menschen in mijne jeugd plachten te dragen. Nu ziet men ze zelden meer; slechts enkele oude vrouwtjes hier in de stad en uit het gesticht in de oude stad komen op kerstmis nog in zulke mantels ter kerk."

[ 135 ] De kinderen, die onder ’t laatste gedeelte der vertelling zich nauw hadden weten te bergen van angst en schrik, verklaarden thans, dat ze van zulke leelijke, akelige histories niets meer wilden hooren. Zij waren in ’t hoekje van de kanapee of op een’ stoel gekropen en beweerden, dat er iemand onder de tafel zat, die hen van hunne plaats zocht te trekken.

Intusschen werden de lichten op de ouderwetsche standaards binnengebracht, en nu ontdekte men, onder algemeen gelach, dat ze met de beenen boven op de tafel zaten. Weldra deden de lichten en de kerstkoeken, geholpen door confituren, gebak en wijn, alle spookhistories en angst verdwijnen, en plaats maken voor een levendig gekeuvel over allerlei zaken, die minder ver aflagen. De rijstekoek en ’t ribstuk brachten eindelijk de denkbeelden nog nader bij huis, en vroegtijdig nam men afscheid en wenschte elkander een gelukkig kerstfeest. Voor mij volgde er echter een zeer onrustige nacht.

Ik weet niet, of de vertellingen, de genoten lekkernijen, mijne zwakheid, of dit alles te zamen daarvan de schuld moet dragen; maar vergeefs legde ik mij nu zus dan zoo; den ganschen nacht maalden allerlei nikker-, Hulder- en spookhistories in mijne verwarde hersenen rond. Eindelijk vloog ik onder klokgelui door de lucht naar de kerk. Zij was geheel verlicht, en toen ik er binnentrad, zag ik, dat het de kerk van mijne geboorteplaats was. De gemeente bestond uit enkele boeren met roode mutsen op, soldaten in vollen dos, en dorpsmeisjes met linnen huiven en frissche wangen. De dominee, die op den preekstoel stond, was mijn grootvader, dien ik slechts als kleine jongen had gekend. Terwijl hij goed en wel aan ’t preeken is, neemt hij op eens een’ sprong en staat midden onder de schaar, [ 136 ] terwijl zijne toga naar den eenen en de kraag naar den anderen kant vliegt.

»Daar ligt de dominee en hier ben ik," zeide hij met zijne geliefkoosde spreekwijs, »en laat ons nu eens in ’t rond dansen." Oogenblikkelijk tuimelde de gansche gemeente in den wildsten dans rond en een lange kerel pakte mij bij de schouders en zeide: »Kom, doe maar mee, Kar!"

Ik wist niet, wat ik er van denken moest, toen ik te gelijker tijd ontwaakte en ’t zelfde gezicht aanschouwde, dat ik in den droom had gezien. Met de muts diep over de ooren en een’ rijmantel over den arm, boog zich iemand over mij heen en keek mij met twee groote oogen aan.

»Gij waart zeker aan ’t droomen, Kar," zeide hij; »’t zweet parelt u op ’t voorhoofd en gij sliept zoo vast als een beer in den winter. Den Vrede van Boven en een gelukkig kerstfeest wenscht u uw vader en ’t gezin. Hier is een brief en de reismantel, en ’t paard staat in den stal.

»Maar in ’s hemels naam, ben-jij dat Thor?" ’t Was de knecht van mijn’ vader, een kerel als een boom. »Hoe kom-jij hier?"

»Wel, dat zal ik u zeggen, antwoordde Thor; »ik ben met bruin hier heen gekomen; want, ziet ge, ik was met uw’ vader op Naes en toen zeide hij: »Thor," zei hij, »we zijn nu niet ver van de stad; neem bruin en rijd er mee naar stad en zie eens, hoe de luitenant het maakt , en is hij wèl genoeg, neem hem dan mee naar huis."

Toen wij de stad uitreden, was de lucht helder en de weg uitmuntend. Bruin repte zijne oude pooten zoo hard hij kon, en nimmer heb ik, vroeger of later, zulk een prettig ritje gemaakt als op dien eersten Kerstdag.