Pieter Bruegel zoo heb ik u uit uwe werken geroken/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
II.De Dikken Pieter Bruegel zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928) van Felix Timmermans

Deel III: Veronica

IV.De Mageren


[ 47 ]

VERONICA


I


PIETER trok naar 't Oosten, aangezogen naar zijn dorp. De Pater ging dezelfde richting in. Ze gingen achter elkaar, een half uurke vaneen, op denzelden weg. Als Pieter wat had gewacht, of de Pater wat rapper had gedaan, zouden ze opeen gebotst zijn. De Pater bad voor Pieters zielezaligheid, en Pieter floot

„O mailzig teeder boeleken
't Is zoet met u to leven."

Pieter had drie dagen gedoold in den omgekochten regen, bosch in, bosch uit, en hier en daar 'nen boterham gebedeld en nu, den vierden dag, toen de Pater achter hem ging, zag hij het weer veranderen. Dien morgen viel de schotelvodden lucht vaneen, en, de zon kwam er jong en geel weer uitgeblonken. Hij vernam den herfst in de boomen, bruin en goud en rook den reuk van meegevallen fruit. En hij ging vlugger. Zoo kwam Pieter in een schraal, stil dorp, dat te midden van roode beukeboomen zijn torentje opspitste. Over heel het dorpsplein stond het water to blinken. Een tiental 1eemnhutten en het bruin kerksken in ertssteen waren er ongerimpeld in weerspiegeld en er dreven afgevallen blaren op. Het water kwam tot in de kerk, waarvan de poort open stond, en de tien hutten waren toe. Ge kondt er in uw hemd rondwandelen, zoo stil was 't er en verlaten - maar hadt ge 't gedaan, dan zouden alle deuren juichend opengevlogen zijn. 't was pluimstil; niets dan een zachte zon, die door de roode boomen filterde; niets verroerde of geruchtte er, dan slechts de lach van 'nen vogel en de draaival van een blad Pieter kreeg een gevoel van vroomheid, toen hij het kerkske zoo rustig zag, en daar zijn schoenen toch nog meer doorgaat waren dan 'nen teems, hoefde hij ze niet uit to doen, en ging zoo maar dwars het water door, het ledigstaande kerkske binnen.... Een half uur nadien kwam de Pater in het dorp, en kreeg goesting om in dat vredige kerkske zijnen brevier to bidden. Sapperdepit, maar dan moest hij zijn schoenen uit doen, terwille van dit water. Hij ging al op 'nen omgevelden boom zitten om ze los to knoopen, maar hij vond zichzelf belachelijk en scrupuleus, hield dan zijn schoenen maar [ 48 ] aan, en gins het kerkske met 'nen vromen groet voorbij; maar innerlijk dacht hij: „Onze serafieke Vader St. Franciscus zou zijn schoenen wel uitgedaan hebben .... Ei ja, 't is waar,". voegde hij er blij bij, „die had er geen aan ... Maar als hij er zou aangehad hebben..." enz. enz., verwijten en uitvluchten. In elk geval de Pater ging tegen goesting al verder en verder en verdween. 't Was alsof dit alzoo in de plooien van de Voorzienigheid lag. Pieter was ondertusschen opgeslorpt, doorgoten van verbazing en verwondering voor een klein schilderijke van Jeroen Bosch, voorstellend de Bekoring van Sint Antonius door de zeven hoofdzonden, St . Antonius rijstbleek, met blauw bloed in d' aderen tegen het goud van den achtergrond, en rond hem duiken de zeven hoofdzonden baldadig op, die 'nen menschenvorm hebben aangenomen. Ze zitten gevaarlijk lijk spinnen in ons hart, en leven van ons bloed. Maar Sint Antonius is opgestaan en heeft hen uit zijn hart gedreven waar alleen plaats voor God moet zijn. En zie ze nu knarsen en rochelen, vloeken en sissen van 't venijn; en hoe heviger ze razen, hoe leelijker ze zijn, met hun zeeverende wijwatervatmonden, schele klibberoogen, beestenneuzen, gekloven lippen, groene tanden, berstende kaken en dierlijke borsten. 't Is de krauwage, de schurft, het kwaad, dat terug het hart veroveren wil; maar Sint Antonius staat gloriënd, begeesterd, met zijn zwarte oogen in zijn bleek gezicht, to luisteren naar het goddelijk licht, dat hij in zijn hart nu puur en triomfant hoort zingen.... Er gaat een groote klaarte over Pieter, terwijl de Parochiepaap zijn schoenen aanhoudt en verder stapt. Hij staat te rillen op zijn beenen. Precies of hij heeft die schilderij gemaakt. Heel zijn hart zit er in; 't is of hij in zijn ziel bladert. Ah! Die smoelen, zooals hij er mee bespookt wordt in zijn droomen en zijn leven, de Tomatpad, Oliepapper, Kwabberbil, echte zondenknobbels. Hij ziet zijn eigen ziel vol duistere krachten, kwade dingen, waartegen hij al strijden moet, waar de heiligen blinkend uit oprijzen en waar de anderen in ondergaa . En hij ontdekt meteen ook zijn echt leven: Schilderen! Zoo schilderen! Zoo kunnen schilderen! Lijk Bosch kunnen schilderen! Zijn zonden schilderen, maar ook zijn zielelicht, zijn dorp schilderen, zijnen schrik, zijn vreugde, heel de wereld schilderen, de Hel, den Hemel, zich kapot verbranden van koleuren! En 's nachts, in een roerloos bosch, [ 49 ] smeekt hij met wringende handen: „God, Lieven Heerke zoet en al de heiligen en de engelen to zamen, last mij zo ook 'ne schilder worden!"


2


Hij ging het eene mastbosch in en 't ander uit, en wat er op 't laatst van zijnen droom en zijnen wensch nog overschoot als de graat van een verdord blad, was een teeder heimwee naar iets wat niet bestond. Gewetensvol volgde hij het smalle weggeske dat grillig over de oneindige heide lag. Die dunne zeeverregen, die grijs-blauwe verte, die stilte en die heele eenzaamheid, 't gaf hem het gelukkig verdriet van de doolaards en de zwervers. Hij ging op een konijnenheuveltje zitten; hij zat daar zoo maar, alsof nu alles gedaan was en er niets meer moest beginnen.... Nadat er een trage vlucht trekvogels boven hem was heengevlogen, nam hij zijnen doedelzak, sloot zijn oogen en speelde. Hij voelde den dunnen regen koel op zijn heet gezicht kittelen. En over de heide klonk het trage lied. Toen hij zijn oogen weer open deed, zag hij ginder een meisken aankomen. Hij speelde voort, maar deed zijn oogen niet meer toe.... Toen ze dichter bij gekomen en hij zag, hoe arm en zacht ze was, kreunde het lied langzaam uit, de blaas viel leeg, hij zuchtte, wachtte en zweeg. Hij kreeg goesting om zijnen hoed af to nemen, maar hij liet het voor de gaten. Ze was op heur bloote voeten, die grijs waren van 't nat zand, en er was een bebloed doeksken aan heuren rechtergrooten teen. Haar tenger lichaam verdween in lange te breede kleeren en 'nen groenen loddermantel. Z'had 'nen witten doek op het donkerharig hoofd, 'nen grooten schapulier op den boezelaar en aan den arm hing 'ne wisschen pander, waarin Pieter vooral sneden brood zag steken. Ze bleef staan op vijf passen van hem. Ze bezagen elkander, en toen zag hij, dat ze heel bleek en mager was en honinggele oogen had. Ze glimlachte vertrouwelijk, en terwijl ze heur oogen toedeed, vroeg ze -. „Durft ge niet meer spelen?" „Mijn liedeken is uit," zei hij, verlegen over die vriendschap. Ze kwam dichter. Ik hoorde u van ginder al spelen," zei ze, weer de oogen sluitend, ,en omdat ik het zoo gaarne hoor, kwam ik wat rapper." „Hei, dat is goed," zei hij nog verlegener. [ 50 ] „Waar woont Ge?" vroeg ze. „Nergens," zei Pieter. „En naar waar gaat ge?" Hij was fier om die belangstelling. „Dat weet ik nog niet, en gij?" Ze wees met heur magere hand. ,Naar ginder, heel ver achter de bosschen, naar De Rattekoten, als ge die kent, bij ,Kraskbeen. Maar hij is mijn vader niet. Ik ben 'ne vondeling en z' hebben mij Veronica genoemd. Hij is zijn twee beenen afgereden, toen hij zat van 'nen bierwagen viel; maar als hij bedelt, zegt hij, dat het door 'nen draak in Egypte is gebeurd, en dan laat hij een ezelskaakbeen zien, een kaakbeen van 'nen draak met zeven koppen, zegt hij dan." „Zijt gij "ne vondeling?" vroeg Pieter. „Het moet plezant zijn, in twijfel te leven of ge geen prinsenkind zijt." „Dien twijfel is er niet," lachte ze triestig. „Gerold in lompen hebben ze mij in de sneeuw aan de kerk gevonden." „'t Zou u anders niet misstaan dat ge prinsessenkleeren droegt," zei Pieter, haar met groote oogen bewonderend. Die blik pakte haar en rap en verward vroeg ze: „En van waar komt gij?" Pieter meende to zeggen: „Van de Dikken." Hij was gereed om zijn vertelsel to gaan vertellen, maar ineens werd hij achterdochtig, en er tevens hevig op uit, dat zij veel belang in hem zou stellen, en hij zei: ,Ik kom van over de zee... uit de stad die op den berg zit." Ze bezag hem ondervragend. Dit verlangde hij juist. „Daar is 't altijd goed weer; daar groeien de kersen vuisten dik, voor zeven centen hebt g'er 'nen korf honing. Daar zijn altijd vlaggen en processies...." „Ja ?" Ze kwam, gelukkig, spits luisterend, voor hem op heur knieen zitten: „En spreken ze daar gelijk wij?" „Wij leeren er alle talen, maar de taal van ginder is heel anders."- Hij dacht aan zijn missedienerslatijn. - „Matinos tempo melioris, wil zeggen: 't zal morgen beter weer zijn. En als ze daar iemand gaarne zien dan zeggen ze Amos tua." 't Was er per abuis uitgeslibberd. Zij kreeg er een schokske van en vroeg haastig: „En waarom zijt ge'er weggegaan?" Met de handen gegespt aan de over elkaar geslagen knieen, vertelde hij warm. Zij luisterde met de tanden bloot en de gele oogen vol vereering. „Wel, ik was met een gouden galjoen op reis naar hier, om [ 51 ] het land to leeren kennen, toen 'ne storm opstak en 't schip op een rots in gruizelementen kapot kraakte. Ik geloof, dat er velen verdronken zijn. Een stuk wrak, een gebeeldhouwde zeemeermin van den voorsteven bracht mij tot in de Schelde.

Timmermans Felix Breug 0020 51.png


Mijn kleeren waren van mijn lijf gespoeld, 'k had er anders zoo'n schoon! Naakt kost ik niet in Antwerpen komen. Ik zat dan met mijn gouden zeemeermin in 't oeverriet naar 'nen mensch to wachten. 'Nen boer, die met 'nen wagen voorbijreed, heeft me dan in ruil voor mijn zeemeermin deze kleederen en dien doedelzak gegeven. En nu ga ik de schilderijen zien, die in de kerken hangen. Ik leer voor schilder, maar mijn verf, mijn geld, alles is verdronken, behalve ik." Hij zag begeerig naar het brood in den pander. Ze zag het. Zonder hem iets to vragen nam ze er een snede uit, brak z' in tweeen en gaf d' helft. Ze kwam neven hem zitten en gretig begonnen ze samen to eten, zwijgend en glimlachend naar elkaar. Ineens hield hij de korst brood in den regen. ,Saus", zei hij plechtig. Zij verslikte zich haast in 't lachen. „Zeg, ontrief ik u niet... Veronica?" vroeg hij, toen hij nog maar een vingersoppeke brood over had, dat hij heur terug aanbood. „Ik bedel, straks heb ik er weer ander. Ik doe eigenlijk niets anders dan de bedevaarten. Ik kom nu van d'abdij van Postel, 'k ben er een kaars gaan aansteken voor een kind dat betooverd is, en to naaste week moet ik naar 't Heilig Bloed van Hoogstraeten." „En kunt ge daar tegen? Zoo 'n verre tochten?" vroeg hij vol zorg. „Ik moet wel van Kraakbeen. Hij doet de menschen op [ 52 ] voorhand betalen. 't Brengt veel op, en als ze niet genezen voor wie ik ga bidden, da slaat hij mij met het ezelskaakbeen. Maar ik word veel verhoord. Als ik bid, vergeet ik alles, dan zie ik altijd Onze Lieve Vrouw." „Dat had..ik, geloof ik, in uw oogen gelezen," zei hij en nam medelijdend en eerbiedig heur hand. „Ge moogt daar niet blijven." Ze bezag hem verwonderd. Ze deed er de oogen van toe. „Wanneer gaat ge, terug naar ginder?" Meteen had hij spijt, dat hij zoo, fel gelogen had, want zie, och arme, hoe hevig ze alles geloofde Maar terwijl hij dit dacht, was hij al verder bezig. „Ik vertrek in de Lente. Dan gaan er weer schepen dien kant uit. In de Lente is het er zoo danig schoon. Overal rozen. En de gouden koepels van de honderd perelmoeren kerken zijn zoo gewarig aan het licht, dat ze allemaal aan 't gonzen gaan als er de zon over streelt.... En hij vertelde, vertelde een half uur lang, en zij luisterde vroom en vol geestdrift. Plots greep ze zijn ander hand en zei met iets van vuur in heur Woorden en vuur in heur oogen - en heur oogen deed ze nu niet toe-: „Ik zou altijd bij u willen blijven" „Ik ook ...." zuchtte hij. „Och, dat zou plezant zijjn!" zei ze zalig. „We zullen het plezant maken, Veronica...." ze lachten elkander gelukkig toe. Hij zat daar door een leugen, hand in hand met een meiske dat O.L.Vrouw zag en naar gebeden geurde; een die honinggele oogen had, die ze toe deed als ze sprak, en die met een ezelskaakbeen geslagen wierd, als ze geen mirakelen deed. Ze huiverde en heur dunne polsen kwamen vol kiekenvleesch. „Hebt ge kou?" vroeg hij. „Wil ik over uw handen asemen?" Heur oogen schoten vol en 'nen traan schoof over heur kaken. Hij dierf niet vragen waarom ze weende, maar hij naam het druppeltje met den wijsvinger weg. „Ik zal niet lang meer leven." Hij ging er van recht zitten. „Ge ziet er danig bleek uit." „Dat zit bij de Kraakbeens in 't bloed," vertelde ze gelaten. „Als ze zestien jaar worden drogen ze uit. Dat hebben ze van de moeder, die er niet van sterven kan. Vier kinderen zijn er al van dood. 'k Ben wet geen van hen, maar 'k heb die ziekte van de moeder mee ingezogen. Nu is 't mijn beurt. Sinds verleden Winter is 't bij mij ook bezig. In uw land zou ik wel genezen." [ 53 ] Nu was 't genoeg! Zie dat kind hem eens verzuchtend, hopend en geloovend bezien! Hij kon niet blijven voortliegen. Het was of hij iemand dood deed. Maar hoe kon hij dat zeggen, zonder heur verschen teer geluk in to stampen? Hij zweette van verlegenheid. „Nu moet ik liegen voor haar gezondheid," en lauw kwam het er uit: ja, ge zoudt er misschien wet kunnen genezen." „Maar ondertusschen?" vroeg ze zorgelijk en smeekend. „Ondertusschen? Ondertusschen ?.... Wel.... ik ga zoo maar eens rond, zoo wat naar overal.... Ik zal u al eens komen bezoeken.... en.... en." Het was alsof hij 'nen molensteen van zich moest afwentelen. En ineens lachte hij. „En als ik u nu eens zei, dat ik niet meer vertrek....". Zij bezag hem verbaasd, hij dierf hear niet bezien. ,No 'nen stoot," dacht hij, nog één! Engelbewaarder, trek het woord mee uit mijnen mond. „En als ik u nu eens zei, dat dat land niet bestaat, dat ik heb zitten liegen, dat..." „Dan zou ik u niet gelooven, dan zoudt ge dat maar zeggen om mij niet mee to moeten nemen!" De moeilijkheid was voorbij en hij bezag hear medelijdend. „Ewel, kind, 't bestaat niet, 't bestaat niet. 't Is niet waar wat ik u zei. 1k ben maar een manneken uit Breughel aan den Domme.... Ik dierf niet anden vertellen.... Ik wist niet, dat gij mij zoo diep zoudt geloofd hebben ; ik wist niet dat gij zoo ongelukkig waart; maar ik ben uit Breughel. Verleden Winter is mijn moeder gestorven en heel zijn vertelsel gutste uit zijn hart. Triestig om de ontgoocheling van het rappe geluk, dat hij in kruimels kapot wreef, en groeiend van medelijden en goedheid om zijn ellende en verlatenheid, bezag ze hem hoofdschuddend door heur loopende tranen hien, en toen hij eindigde met: „en toen ik u ginder zag aankomen, west ik niet, - waarom ik zoo stillekesaan gelukkig wierd," toen vlijde zij heur hoofd op zijnen schouder. „Hoe goed!" zuchtte hij. „Maar ge komt bij ons wonen!" zei ze ineens. „Als ge doedelzak speelt, zullen de Kraakbeens blij zijn... Als ze niet willen.... dan..." De rest zag hij in heur oogen. „ja, we zouden altijd bijeen moeten kunnen blijven," zuchtte hij. Ze streelde zijn handen, zijn gezicht, ze kroop dichter tegen hem aan. Van uit de verte herinnerde hij zich iets: dat hij Eens 'ne groote schilder ging worden. Maar dat meiske was te schoon, die liefde was te goed voor zijn schraal leven, om daaraan to weerstaan. [ 54 ] „Later, als ze dood is, och arme, heb ik nog tijd genoeg." Hij liet zijn kunstenaarsdroomen als verslenste bloemen wegglijden. En hij nam haar in zijn armen. „Elke mensch moet toch zoo iemand hebben die hij liever ziet dan zichzelf," murmelde hij in heur honinggele oogen. Hun hoofden neigden naar elkaar en ze kusten elkaar met een armemenschen-kuske, kort en beschaamd. En daarmee wisten ze ineens niet meer wat zeggen. Ze glimlachten maar naar elkander. Hij asemde over heur kille handen, en dacht aan de kille handen van zijn moeder. Zoo zaten ze daar in den grijzen stofregen en den wassenden schemer, als twee natte konijntjes bij elkaar gekropen, klein en hulpeloos, van binnen wit van geluk. De vennen smoorden dikker, en de avond kwam triestig van uit de verte aangesleept. „Willen we dan maar voortgaan ?" vroeg ze. „We zullen wel een hutteke vinden." Hij stond gedwee op, hij liet zich meeleiden, hij was als een lammeken een heur handen. En hand in hand, hij met 'nen doedelzak en een ongekende goedheid, en zij met een panderken, „en gebeden, en den reuk van den dood in heur kleeren, gingen ze in den avond en den motregen, zwijgend over de zachte, oneindige, stille heide.