Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Twaalfde Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Elfde Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Twaalfde Brief

Dertiende Brief


[ 86 ]

TWAALFDE BRIEF.

 Lieve Vriend!

Ik heb U in mijne voorige letteren Deurne leeren kennen ten opzigte van deszelfs merkwaardigheden, nu moet ik U ook iets zeggen van deszelfs bewooners, want dit behoort immers zoo? – Dom bijgeloof en bittere onverdraagzaamheid heerscht hier zeer sterk, vooräl is niemand meer verbitterd tegen de Hervormden dan de Priester, zijnde een domme, bijgeloovige, lompe kaerel, en wegens deezen zijnen bitteren haat is hij door de geheele Majorij zeer berucht, zelfs, verächt bij eenigen zijner Ambtgenooten op andere Dorpen, die meer verdraagzaam handelen dan hij. – Deeze Priester wil volstrekt de Kerk der Hervormden hebben, schoon de Roomsche Kerk voor een jaar zes zeven geheel vernieuwd en zeer schoon is. Zijne gemeente heeft hij geheel en al op zijne zijde, wijl hij zich niet ontziet, om haar den tijd te bepaalen, wanneer zij in gloria de eerde plegtige Misse in de groote Kerk zal vieren, en hij een plegtig Te Deun zal laaten [ 87 ] zingen; doch tot nog toe is het dien stommen bijgeloovigen Kerkbaas mislukt, nog, schoon hij geweldig woelt, vloekt en scheld (dit heb ik hem zeer sterk hooren doen), heeft hij zijn oogmerk niet bereikt: echter heeft hij reeds veele ornamenten, bij voorbeeld: Predikstoel, altaaren, biegtstoelen en andere kostbaarheden in de uitgerooide Kloosters in Braband laaten koopen, en dezelve tegen wil en dank in de Kerk der Hervormden laaten plaatzen, dit doet hij alles maar op eigen gezag, wat dunkt U hiervan mijn Beste S........! – Ook heeft hij eenen steen gekocht, welken de Apostel Petrus als een oorkussen gebruikt heeft, die steen, dit verzeker ik U, is wat waardig; vooräl heeft hij als een groot heiligdom ook een mirakel-bed, dat wonderen doet, aldaar gekocht, doch welke wonderen het verricht, dit heb ik niet kunnen verneemen, en dit bed bewaart hij als een onschatbaar heiligdom in zijn huis. – ô Welk eene domheid! welk een bijgeloof!! – Doch het zij zoo het wil, dit bed zal in het vervolg zeker wonderen doen in de beurs van den Priester en van zijne Leeken, de eerste zal 'er door gevuld en de andere 'er door geledigd worden, want wie zal niet gaarne geld aan Heeröom geeven, als hij dit bed eens mag aanraaken of kussen, want om 'er op te slaapen, dit zal niet moogen geschieden. – Te Deurne bevinden zich thands ook veele Nonnen uit een vernietigd Klooster, zij hebben aldaar een huis gehuurd, en houden eenen Pater bij zich; in één der vertrekken hebben zij, zegt men, eenen altaar en de [ 88 ] Pater verricht aldaar de Misse. Ik heb ook hier en daar in de Majorij gevlugte Monniken en andere zoogenoemde Geestlijken in het openbaar zien bedelen, veelen houden zich aldaar op, want men vergunt alles in de Majorij aan een Roomschen Geestlijken, schoon strijdig tegen voorige en ook tegenwoordige wetten, daar men integendeel eenen Hervormden naauwlijks eenen teug waters vergunt, maar hem op allerlei wijze vervolgt, gelijk Gij reeds uit zoo veele staaltjens gezien hebt, die ik U naar waarheid, doch nog veel verzacht, heb opgegeeven. – – Op even gemelde plaats heeft men meer dan eens den Hervormden in hunne Godsdienst-oeffening trachten te stooren, door het luiden der klokken en het begraaven der dooden, ja ook kwam 'er dikwijls eene groote menigte in de Kerk, verwekte een ijslijk leven, zelfs ontzag men zich niet, om twist en kijverijën te veröorzaaken, enkel en alleen, om den Geuzen hunne verëering van het Opperwezen te verbitteren, en dit kwam nergens anders uit voord, dan dat het Volk niet kon dulden, dat het de Kerk, welke hun volgends verzekering van hunnen Priester toekwam, niet schielijk genoeg naar zijnen zin in zijne magt kon krijgen. Het is immers ook hard, mijn Lieve Vriend! eene gewijde Kerk in het bezit van verd....e Ketters te zien? niet waar? – Deurne is altijd zeer bitter geweest tegen de Hervormden. In de voorige eeuw vermoorde men hier den eersten Hervormden Schepen, enkel omdat hij Gereformeerd was, gelijk zijn grafschrift op eenen zerk, voor het Choor in de Kerk gelegen, zeer [ 89 ] duidelijk aantoont. Ik heb dat grafschrift afgeschreeven, doch kan het thands onder mijne aantekeningen niet vinden, misschien heb ik het verlooren, doch zo het mij in handen valt, zend ik het U bij eene andere gelegenheid. – Alle Roomschen denken zoo, Geuzen zijn maar Ketters, dus mag men hen veilig van het leven berooven. Dat een Hervormde en Ketter dezelfde zijn, kunt Gij zien uit het Fransch Woordenboek van den Abt Danet, die het woord Huguenot overbrengt door Heretique, Calviniste. De anderzints geleerde Jesuit, Petavius, noemt den Grooten Luther een' Opperketter en den Vader der Opperketteren, andere Hervormers stelt hij ook op de Ketterlijst. – – Ik moet U ook nog eenen dommen bijgeloovigen trek der Roomschen te Deurne, die alleen op onkunde zich grond, schetzen. – Men ziet in de Peel, wijl zij een moeras is, en de moeraslucht zeer ligtlijk ontvlamt, dikwijls dwaallichten, hier Stalkaarsen genoemd, deeze houd men voor ongedoopte kinderen en beklaagt altijd derzelver ongelukkig lot, wijl zij tot den jongsten dag, omdat zij niet gedoopt zijn, omzwerven: ook ziet men 'er wel eens groote vuurklompen of pilaaren, uit eene phosphorische stof bestaande, zweeven, deezen noemt men gloeiënde mannen, men houdze voor verdoemde menschen, die tot straf hunner misdaaden moeten omzwerven; zij komen, zegt het bijgeloof, van het Kerkhof, doch zijn dan zwart of onzigtbaar, maar zoodra zij in de Peel zijn, moeten zij branden, wanneer men dezelve ziet, tekent men zich met een kruis, als [ 90 ] een zeker middel, om niet van hun beledigd te worden. – En dit alles komt van de onkunde omtrent natuurlijke oorzaaken, welke onkunde door het Roomsche bijgeloof nog veel vermeerderd word; wat men hier tegen inbrengt, niets doet hen van gevoelen veränderen, zoodat men ten opzigte der domheid, bijgeloof, bittere vervolgzucht, en dweeperij der Roomschen in de Majorij wel mag zeggen:

"Droom vrij, ô Menschen-vriend! om Roomschen te verand'ren,
Die dweepers op te schrand'ren;
De domheid te hervormen;
Vervolgzucht te bestormen;
Droom vrij, hen te overtuigen;
Een Roomsche gaat zijn gang, geen Geus kan hem ooit buigen." –

Toen ik mij te Deurne ophield, heb ik ook eens het Dorpjen Ommelen, zijnde eigenlijk eene Buurtschap van het schoone Dorp Asten, bezocht. In dit kleine Plaatsjen heeft ook het bijgeloof zich thands ten throon verheven. Men vind hier eene Kapel, die nog zeer onlangs door de Hervormden gebruikt wierd, doch hun thands ontnomen is, en met recht, want wie zou eene heilige Kapel, voorheen vermaard door een wonderdoend Lieve-Vrouwen-beeld, in de bezitting van Ketters laaten, dit was eene Doodzonde. In oude tijden (zie hier een geloofwaardig mirakel!) deed een Schipper, die op zee door eenen vliegenden storm overvallen wierd, aan deeze Lieve-Vrouw eene gelofte, om hier, indien hij behouden wierd, eene [ 91 ] Kapel te stichten; de storm bedaarde eindelijk, en dit was verricht door onze Lieve Vrouw te Ommelen. De Schipper hield woord – nu! dit behoorde zoo, want belofte maakt schuld – en stichte eene Kapel ter eere van dit wonder. Deeze gebeurenis wierd ook ter eeuwige gedachtenis aan de buitenzijde der Kapel afgeschilderd (men ziet 'er thands nog eenige trekken van), op dat ieder voorbijganger dit wonder zou verëeren. Het domme Volk zit hier thands geduurig voor die Kapel te knielen en te kruipen, prevelende intusschen eenige Pater-nosters en Ave-Maria's. Dit wonder-verrichtend beeld zou in de allervroegste tijden gerust hebben in of onder eenen grooten Lindenboom, die nog tusschen Asten en Ommelen langs den weg staat, en hierdoor geheiligd is; men bid ook dikwijls onder deezen boom, en kruipt 'er geduurig op de knieën rond, gelijk men duidelijk zien kan; elke Roomsche, die deezen heiligen boom voorbij gaat, neemt zijnen hoed eerbiedig voor denzelven af. In Holland zijn wij zoo beleefd niet, om boomen te groeten. – Digt bij Asten in de Peel ontspringt de rivier de Aa, die, na een groot deel der Majorij doorstroomt te hebben, zich in 's Bosch met de Dommel veréénigt, en dan, onder den naam van de Dieze bij Crevecoeur in de Maas valt.

Van Deurne ging ik herwaards over Bakel, zijnde wel het hoogstgelegen Dorp van de geheele Majorij. Nergens vindt men dommer Inwooners dan hier, en zoo dom als zij zijn, zoo bijgeloovig en tevens ook zoo haatdraagend zijn zij [ 92 ] tegen de Hervormden. Nergens doet men meer zijn best, om van de Geuzen een zieltjen te winnen, en derhalven om Renegaaten of slechte menschen te maaken dan hier, en dit is hun nu en dan ook nog al eens gelukt; nog brand er geduurig in de Roomsche Kerk eene Lamp ter eer van eenen Hervormden, en tot rust van zijne ziel, wijl hij voor weinige jaaren, kort voor zijnen dood, in eenen zeer hoogen ouderdom, de Roomsche Leer omhelsde; doch dit branden van eene Lamp voor deezen afgevallenen Geus is, dunkt mij, overtollig, want zulk een gaat maar regt toe regt aan, en dus franco vagevuur, naar den hemel, intusschen is het zeker, dat tot nog toe geen een Hervormde in de Majorij het Roomsch Geloof heeft omhelst, of er viel niets op zijn gedrag te roemen, of hij deedt het uit vuil gewin en eigenbelang, en hoe opregt dan zulk eene bekeering is, kan ieder ligtlijk beseffen. Te Bakel beweegt men ook al hemel en aarde, om den Hervormden hunne Kerk te ontneemen. – – Hier hebt Gij dus weder een' brief, welke U verzekert, dat ik niet ophoude, om altijd aan U te denken, en dus onveränderlijk uw Vriend te blijven. Ik ben enz.