Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Elfde Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tiende Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Elfde Brief

Twaalfde Brief


[ 80 ]

ELFDE BRIEF.

 Allerbeste Vriend!

Mijnen laatsten brief hebt Gij reeds voor langen tijd ontvangen, dus kunt Gij wel begrijpen, dat ik mij thands niet meer te Helmond ophoude, doch waar ik ben, dit is voor U een raadsel. – Ik ben tegenwoordig te Gemert. Ik heb verscheiden Dorpen bezocht, doch ik zal U van die allen geene beschrijving geeven, dewijl U dit niet veel vermaaklijks zou opleveren; alleen waar ik iets uwe aandacht waardig ontmoet heb, daar zal ik uwe aandacht bezig houden. – Ik verkies Gemert, om 'er eenige dagen te blijven. Hier ben ik veel geruster, veel veiliger dan in het midden der Majorij, want door de Franschen, die deeze plaats thands in bezit hebben, word alle dweepende vervolgzucht in teugel gehouden. – Laat mij (ik heb van alles, dat mij sedert mijn laatste schrijven ontmoet is, korte aantekening gehouden) U alles in deezen en eenige volgende brieven melden, en wanneer mij het hier begint te verveelen, dan wandel ik al weêr verder. – 's Avonds voor mijn vertrek ging ik nog eens om een pintjen op het Stadhuis te Helmond, doch merkte niets 'er op, dat uwe aandacht waardig scheen, ik verveelde mij schielijk onder een niets betekenend [ 81 ] gezelschap, dat niet anders deed dan zoutelooze gesprekken te voeren, rooken, drinken of speelen, en ging dus spoedig heenen. Gevallig kwam ik nog dien zelfden avond in gezelschap van eene Roomsche Burgeres, Jufvrouw of Mevrouw (wat weet ik het wie zij was); zij legde haare verfoeilijke vervolgzucht zeer duidelijk aan den dag, zeggende: "Dat men de Geuzen moest dwingen, om Katholijk te worden." "Neen, zeide eene andere, dit behoeft niet, zij moeten met 'er tijd wel van zelf bij ons in de Kerk komen." – De eerste hervatte: "Dit is zoo! zij raaken nu alle hunne Kerken kwijt, hunne verd...... Predikanten krijgen na derdehalf jaar geen tractement meer, dan gaan zeker alle Geuzen heen, en dat zal eerst plaisierig zijn, om niet meer onder dat vee te zitten." – "Hola!" zeide ik (mijn geduld liep ten einde) eenigzints glimplagchende, "gij zult misschien eer bij de Geuzen in de Kerk moeten komen dan zij bij u." – Zij: "Nog veel liever wilde ik mij met vier paarden laaten van één rukken, dan dat ik Geus zou worden." – Ik: "Waaröm wilt gij niet veränderen? en gij wilt anderen dwingen, om tot uwen Godsdienst over te gaan; overtuig de Geuzen, dat uwe Religie beter dan de hunne is, en zij zullen de uwe dan gaarne omhelzen, doch dit kunt gij niet, want waarlijk alles in uwen Godsdienst strijd tegen het gezond menschenverstand." – Terstond kwam 'er stilte, en ik ging heen, want ik [ 82 ] kon in zulk een haatlijk gezelschap niet langer blijven. – Hoe afschuwlijk is niet een vrouwlijk wezen, in welks hart wraaklust tegen anderen heerscht, zulk eene ontëert haare eigene Sexe, ja is een alschuw in de oogen van Hem, die gezegd heeft: Mij komt de waak toe! ik zal het vergelden!! Al hadden de Hervormden in voorige tijden, gelijk men voorgeeft, doch nog nooit beweezen heeft, de Roomschen onderdrukt, geeft dit hun recht, om nu hunnen haat en wraakgierigheid zoo duidlijk aan den dag te leggen? – 's Anderen dags 's morgens ging ik naar Deurne, doch eerst bragt ik mijne pistoolen in order, wijl mij berigt was, dat de weg, welken ik nu te wandelen had, niet zeer veilig was. Deeze weg is zeer eenzaam, en gaat door eene heide linea recta van Helmond naar even gemelde plaats. De afstand is twee uuren. Bijna op het midden van dien weg staat een allerëllendigst hutjen, zijnde tevens een kroegjen; ik kocht hier een borrel (een dropjen, zegt men in de Majorij), dit was mij aangeraaden, wijl de bewooners van hetzelve de eerlijkste luiden niet weezen zouden, doch mij bejegende bij deeze arme luiden, die mij vriendelijk behandelden, niets. – Ik ging verder zeer gerust voord, vergenoegd en wel te vreden bereikte ik Deurne. ô Mijn Vriend! met een rein geweeten, schoon ons zelfs gevaaren omringen, kunnen wij altijd vergenoegd zijn! Op deezen eenzaamen weg herïnnerde ik mij aan de volgende regelen van eenen mij onbekenden [ 83 ] Dichter, welke zoo geheel met mijn hart over één kwamen:

"Hier gaa ik veilig en vergeeten.
Mijn' Godspraak is een rein geweeten;
't Wil spreeken, als ik vraagen wil
En vraag ik niet, dan zwijgt het stil —
Het voed en laaft me uit reiner bron,
Dan zij, die van vertroosting reppen.
Het kan voor mij een' hemel Scheppen,
En schijnt zoo zuiver als de Zon.
't Is waan en veinzerij te boven
'k Zal u, ô mijn Geweeten! looven,
En roemen uw' opregten vlijt,
Omdat ge een Vriend der waarheid zijt." —

Over Deurne, zijnde, zo ik wel heb, de geboorte-plaats van J. F. Martinet, zal ik U veel schrijven kunnen, dat uwe aandacht niet onwaardig weezen zal. – Dit Dorp is zeer groot, en strekt zig ontzaglijk ver uit langs de grenzen van Opper-Gelderland, wordende van hetzelve gescheiden door een moeras, hetwelk de Peel genoemd word, en van veelen voor de moerassen der oude Menapiërs word gehouden. De Peel dient, om uit dezelve Turf te graaven, die op veele plaatzen zeer goed, vooräl in bijzondere streeken zoo hard als steenkoolen, is. Dit moeras neemt zijn begin in het land van Ravenstein, en strekt zich, bij wijze van een bijna halven cirkel langs de grenzen der Majorij uit tot aan het Dorp Maarheeze, dus [ 84 ] bevat dit moeras veele uuren in zich. De Peel bestond oulings uit Bosschen, gelijk men duidelijk kan bemerken uit den Turf, welke niets anders dan verrot hout is, ook vind men 'er nog veele boomen in die niet verteerd doch zeer hard zijn; zij is denklijk ontstaan door eene Overstrooming, verzeld van eenen sterken storm, die alles om ver smeet, dewijl alle de boomen, die men 'er uitgraaft, West- en Oostwaards liggen; dat dezelve door den Kimberschen vloed veröorzaakt is, schijnt mij een verdichtsel te weezen, doch het is al opmerklijk, dat deeze Peel, schoon op het allerhoogste der Majorij gelegen, een moeras is, waardoor men niet kan gaan, veel min rijden, als alleen over de, door dezelve aangelegde, wegen, of het moet zeer droog zijn; wanneer men behoorlijke waterleidingen maakte, en den Turf van vooren tot achter wel weggraafde, zou men hier met den tijd goede Bouw- en Weilanden kunnen krijgen, doch nu graaft men den Turf uit ronde kuilen, waarin altijd het water moet blijven staan, blijvende tusschen beiden veel zitten, dat men 'er nooit meer uit kan haalen. –

Een half uur van dit Dorp vind men eene Buurtschap (hier zegt men een gehucht) de Zylberg genoemd, omdat hier in aêloude tijden Schepen zouden gevaaren hebben, doch dit is ongelooflijk; de grond is hier bezaaid met keisteentjens, waaronder zeer fraaië, zelfs doorschijnend marmer, zijn. In deeze Buurtschap vind men ook eenige Pottebakkerijen, en men bakt 'er ook dakpannen en vloersteenen, die men hier plavuizen [ 85 ] noemt, de klei, hiertoe noodig, delft men hier uit den grond, en men vind 'er ook dat geele zand, dat zoo sterk verwt; men gebruikt het, om de pannen, schoon ik geloof, dat het 'er weinig toe doet, rooder te maaken, want de kunst, om dezelve blaauw te maaken verstaat men hier niet, schoon zij zeer bekend en gemaklijk is. – – De Kerk van Deurne is een groot en schoon gebouw, voorzien van eenen hoogen tooren, welke nog niet oud is, wijl hij voor eenige jaaren in het midden van den winter door den bliksem wierd aangestooken en afbrande, doch de Kerk ontkwam dit gevaar; deeze tooren is reeds meer dan eenmaal door den bliksem getroffen. – Aan de Oostzijde van dit Dorp, vlak aan het einde, liggen twee Kasteelen, het nieuwe en het oude, thands het groot en klein Kasteel genoemd. – Zij liggen schuins tegen elkanderen over, zijnde slechts door de straat van elkanderen verwijderd; een klein riviertjen uit de Peel voordkomende stroomt 'er langs, en 'er dus niet tusschen beiden door, gelijk zulks in de nieuwe Kaart van Verhees, welke ik voor weinige dagen eerst zag, zeer verkeerd word opgegeeven. Het klein Kasteel zou in oude tijden slechts de poort geweest zijn van een zeer groot gebouw, het geen bij hetzelve gelegen heeft, doch waarvan geene overblijfselen meer te zien zijn.

Gaarne schreef ik U nog meer, doch ik durf niet langer wachten, Gij moet weeten, waar ik thands ben, anders wierd Gij zeker ongerust over mij, want de Postbode vertrekt zoo terstond. – [ 86 ] Verwacht binnen kort eenen grooteren brief, en geloof dat ik onveränderlijk voor U blijf, die ik altijd was, naamlijk uw getrouwe

Vriend.