Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Tiende Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Negende Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Tiende Brief

Elfde Brief


[ 69 ]

TIENDE BRIEF.

 Geliefde Vriend!

Nog heb ik geenen brief van U! ik wil dus al verder aan U schrijven, en mijne belofte, in mijnen voorigen gedaan, om U iets over het charakter der Majorijënaars te schrijven, vervullen; doch deeze brief gaat niet heen, voor ik tijding van U krijg. – Ik zit deezen te schrijven in een afgelegen hoek van het Park onder hooge beuken boomen, en dus vrij romanesk, neen! ik vergis mij, dan moesten het cijpressen, of honderdjaarige eiken weezen, of ruischende dennen, nu – deeze laatsten treft men hier ook veelen in dit Bosch aan, het is dus uitgemaakt: ik zit hier vrij romanesk! – Ik verkies deeze plaats, wijl ik hier ongestoord aan U kan denken en aan onze vriendschap, en wijl ik hier bevrijd ben van het lastig gezelschap der Helmonders. Ik hoop schielijk eenen brief van U te ontvangen, want ik kan hier eer niet weg. – Dan ter zaake – 's Saturdags is het hier weekmarkt, en dan hebben hier [ 70 ] dezelfde gebruiken plaats als te Eindhoven. – Veele Helmonders gaan alle avonden naar het Stadhuis, om hun kannetjen (hier noemt men het: om een pintjen gaan) bier te drinken. De gesprekken, die ik dan hoorde (ik heb ook eenige reizen om een pintjen geweest) waren ellendig verveelend, zelfs de taal en uitspraak der Helmonders is iets, dat allerönaangenaamst voor het oor van een Hollander is. Veelen zitten dan ook met kaarten te speelen, (een allerëllendigst tijdverdrijf voor een denkend weezen) onder het drinken van hun bier. – Zoo dikwerf 'er iemand inkomt word zijne gezondheid gedronken bij het eerste glaasjen, dat iemand der tegenwoordig zijnde drinkt. – Men verhaalt, dat Keizer Karel V. eens op dit Stadhuis een kannetjen bier eischte, de waard gaf het hem over, doch hield het handvatsel zelfs vast, daaröp belaste de Keizer, dat hij eene kan met twee ooren zou brengen, dit geschiede, doch de stomme hemel van een waard hieldze vast met zijne beide handen, zoodat de Keizer ze niet konde aanvatten, daaröp gaf hij een bevel, van hier altijd kannen met drie ooren te hebben, of dat anders ieder een de vrijheid zou hebben, om dezelve in stukken te smijten. – – Dit Steedjen bestaat grootendeels uit zijne Weeverijën; en de goederen, die hier geweeven worden, worden hier bontjens genoemd, omdat zij uit gekoleurde gaarens worden samengesteld, zij dienen tot Halsdoeken, Schortelkleeden, Matroozen-hemden, enz. – Nergens in de Majorij [ 71 ] treft men meer bedelaars aan dan hier, zij loopen somtijds drie of vier uuren ver om te bedelen; 's Dingsdags gaat 'er eene geheele Karavaane naar Eindhoven. – Men heeft hier voor een jaar of twee eene Latijnsche School opgerigt, en ook te Eindhoven; de Præceptors (hier noemt men ze allen Rectors) zijn gevlugte Brabandsche Priesters, de eene is een Capucijn; zij onderwijzen de Latijnsche Jongens (deeze worden hier Studenten genoemd) zeer schielijk in het Latijn, doch dan is het 'er ook naar, dat is: ellendig slecht of Monniken-latijn. De Studenten (ik spreek op zijn Helmondsch) draagen, ter onderscheiding, blaauwe mantels, in kort: alles in deeze School is ingerigt volgends den Roomschen trant. – – Hetgeen nu volgt, heeft zijne betrekking op alle Majorijënaars en dus niet alleen op de Helmonders. Ik heb, zoo ver ik konde, alles zeer naauwkeurig naargespoord; doch heb ik ergens in mis, ik zal, zo ik beter onderricht word, U dan in het vervolg zulks opgeeven. Gaarne wilde ik, als Menschenvriend, U een gunstig tafereel van de Majorijënaars ophangen, doch de liefde tot de waarheid verbied mij dit. – In het Godsdienstige zijn zij, dom, bijgeloovig, dweepächtig en zoo onverdraagzaam, dat het onbegrijplijk is, zelf van den voornaamsten tot den geringsten toe. ô! Hoe smert mij dit!! Een belijder van eenen anderen Godsdienst moet altijd, schoon de liefde des naasten hem dit verbied, eenen Roomschen als zijnen vijänd beschouwen. – Doch laat mij [ 72 ] al verder gaan. – De Hervormden zijn over het algemeen beschaafd, hun Godsdienst is redenlijk doch zeer eenvouwig, zij zijn thands ook zeer onverdraagzaam, en waarlijk een Protestant, die in de Majorij woont moet het wel worden, al ware hij van te vooren de verdraagzaamheid zelve. "De Roomsche Godsdienst, zeide mij iemand, mag goed weezen in een land, waar men geenen anderen kent, doch waar Protestanten zijn, moet hij onder den duim gehouden worden, zo de laatsten ten minsten vreedzaam zullen leeven." – Die man had gelijk, mijn hart moest hem, naar het geen ik reeds ondervonden heb, toestemmen, schoon ik zulks zeer ongaarne deed. – Onder hunne Predikanten zijn hier zeer kundige luiden, en zeer lieve Predikers, gelijk ik reeds, toen ik voor eenige jaaren in de Majorij was, ondervonden heb; een Predikant kent hier het stijve niet als in Holland, en dit bevalt mij bij uitneemendheid. – Onder de Roomschen is volstrekt geene geleerdheid te vinden. Over het algemeen zijn de Advocaaten zeer onkundig, en de Doctors in de Medicijnen (in 's Bosch mag misschien een enkel kundig Advocaat of Doctor zijn) enkele Practici, en hoe kan dit ook anders, wijl zij allen op de ellendige Akademie van Leuven gestudeerd hebben. – De Roomsche Godsdienst is hier bejammerenswaardig, niets van het Christendom kan men 'er in bemerken, als alleen den naam, dat zij zich Katholijke Christenen noemen, en nogthands is [ 73 ] hier en daar nog een enkel Protestant, die in deeze dagen dien Godsdienst tegen beter weeten aan, doch enkel uit eigenbelang, aangenomen heeft. – De Priesters zijn bijna (ik heb 'er echter ook eenige weinige braaven onder gevonden) zoo onverdraagzaam en zoo dom als hunne Leeken, en hun prediken allerrampzaligst. Ik hoorde 'er eens eenen, die zeide, terwijl hij over het lijden predikte: "Aan de doorne Kroon waren twee en zeventig doornen, toen dezelve Jesus (bij het noemen van deezen naam boog hij zich en ook zijne geheele gemeente) was opgezet, sloegen de Soldaaten met stokken op zijnen kop, zoodat het bloed en de herssenen (NB.) 'er uitsprongen." De letteren boven het kruis J. N. R. J., welke hij uitsprak inri betekenden Jesus Nazarenus Rex Judæorum, dit was goed; doch zij betekenden ook: Inimicorum nolo recordari iniurias, en dit vertaalde hij met eenen Brabandschen accent: Ik en wil niet gedenken van mijner vijänden de insjuriën! – Men vind onder het gemeen hier ook eene voorzegging, men noemtze hier de Propheetsij; zij is een allerlafst en zot stuk, en evenwel word zij heilig geloofd; zij moet haare betrekking hebben op de tegenwoordige tijdsomstandigheden. Het volgende strekke uit dezelve tot een slaaltjen: De Ridders van Maltha zullen komen en de Majorij herwinnen, alles zal dan weêr Spaansch worden, en dan zal de Roomsche Godsdienst, die thands ouderdrukt word, in allen luister hersteld worden, enz. enz. – Hun eenigst gebed is het Pater-noster met een Ave- [ 74 ] Maria. Al bidden zij, daaröm staat hun werk niet stil; ik heb gezien, dat zij eiëren kookten op het bidden van twee Pater-nosters of het Onze Vader, en als zij dezelve gepreveld hadden, waren ze gaar. De doorgeleerde Nieuwland geeft dit ook op in zijne Verlustigingen, IVde Deel, doch hij scheen te denken, dat dit schandelijk misbruik geen plaats meer had, doch in de Majorij houd hetzelve wel degelijk stand. Ook heb ik 'er kinderen om zien speelen; die het spel verliest moet een kruis maaken, een Ave-Maria of een Onze Vader bidden voor die wint. De bedelaars prevelen ook, met eene vrij luide stem, aan de huizen en op straat het Onze Vader, en dit is een teken, dat zij een aalmoes begeeren. – De Majorijënaars, (ik bedoelde Roomschen) zijn zoo verslaafd aan oude gewoontens, dat zij geene verandering, al is zij nog zoo goed, willen maaken, b. v. in den Landbouw. De Heeren van Helmond, Krooi, Heeze en anderen leggen zich zeer sterk toe, om den Landbouw te verbeteren, en slaagen hier zeer wel in, doch meent Gij, dat een boer dit hier wil naarvolgen, neen mijn Vriend! zijn Vader, Grootvader enz. hebben den kost gehad, en die hebben ook zoo gewerkt als hij, derhalven moet dit niet veränderd worden; op deeze wijze heb ik meer dan éénen boer hooren redeneeren, en ook (voeg 'er dit bij) van eenen Geus moet men niets leeren, onze Lieven Heer zou hen hier voor straffen. Dat de reize van van der Heim, volgends opgaaf van [ 75 ] Martinet in zijn Veréénigd Nederland, anders het VIIIfte Deel van zijne Historie der Waereld, veel nut aan den Landbouw in de Majorij toegebragt heeft, dit is zoo niet, ten minsten weet men 'er hier niets van. – 'Er zijn op veele Dorpen reeds veele nieuwe Landerijen van heigronden aangelegd, en die slaagen zeer wel, mits zij wel omgegraaven en bemest worden; dan – zeer lang heeft het bijgeloof ook deeze nuttige onderneeming gedwarsboomd, want, door het verkoopen en bebouwen van heigronden, wierd het recht van den ongeboorenen verkort; doch wat recht heeft een kind, dat nog niet gebooren is, op een onbebouwd stuk gronds. Het bijgeloof heeft ten deezen opzigte veel van zijne kracht verlooren, schoon men zelfs met geweld zich op sommige Dorpen heeft verzet tegen het uitgeeven van heigronden. – De grond der Majorij is over het algemeen zeer zandig. Men treft op eenige Dorpen zeer veel Oer aan, waaruit zeer goed ijzer zou kunnen gesmolten worden. Te Aarle en Nunen vond ik schoon blaauwsel, Martinet spreekt maar alleen van Vegchel, waar het zou gevonden worden. Op sommige plaatzen treft men ook een soort van bruinen Oker aan, die goed zou zijn om te verwen, als ook geel zand het geen vlakken geeft in kleeren, zoo sterk verwt het. Men vind ook water, dat vitriöolächtig is, want als men 'er thee onder doet, mits het niet gekookt is, krijgt het eene zwarte koleur. Een kundige Natuurkenner zou in de Majorij veel kunnen aantreffen, om [ 76 ] de Natuurlijke Historie van ons Vaderland te vermeerderen, mogt men dit eens beproeven. – De taal der Majorijënaars is zeer lomp, en bijna op veele plaatzen (nergens treft men zoo veel verschillende diälekten aan als in de Majorij) gelijk hier te Helmond onverstaanbaar voor een' Hollander; ik geloof nogthands, dat het bestudeeren derzelve ons nog veele oude woorden, die thands bijna geheel in onbruik geraakt zijn, zou leeren. Zie hier welken ik 'er heb opgezameld! al einskens, allengs: berg en dag, hoog en laag: ederikken, herkaauwen: dedi, deed hij: killen, koud zijn: flets, laf: luiken, sluiten: gelooken, geslooten: lelijk begaaden, vuil maaken: haer, hier: hemelen, ten hemel gaan of sterven: ophemelen, opsieren: mer, men 'er: op en neer, heen en weder: uitsteeken, uitzonderen: vaaren, rijden: vries, vorst: herd, herder: hadder, had 'er: katijvig, ellendig. – Men vind hier ook eenige Hoogduitsche en verbasterde Fransche woorden, vooräl hebben de Majorijënaars sedert 1795. meesterlijk op zijn Fransch leeren vloeken en schelden, schoon zij niet weeten, wat zij zeggen. – Het word tijd, dat ik uitscheide met schrijven, want het is avond, de Zon is reeds onder en verwt de wester-kimmen met goud en purperglanssen. – ô Verruklijk gezigt! De vogeltjens zoeken hunne schuilplaatzen op, om den balzemenden slaap te genieten op de schommelende takken. De kikvorsch begint reeds te brikwrakken, hier en daar stemt hij reeds zijnen schorren klank, om alle zijne [ 77 ] makkers tot rikkikkikken aan te moedigen; ik gaa dus ook weêr stadwaards, op hoop dat ik morgen vroeg, dan komt de Post aan, eenen brief van U zal ontvangen, en dan vertrek ik overmorgen. – Zo ik eenen brief kryg, dan vervolg ik deezen verder, om denzelven U nog voor mijn vertrek uit deeze plaats toe te zenden. –

Vervolg. 

Mijn wensch is vervuld – ik heb eenen brief van U – zoodra ik wakker wierd, sprong ik uit mijn bed, ging terstond naar den Postbode, en vraagde naar eenen brief voor mij – met eene beevende hand brak ik hem open. Ik zag 'er uit, dat Gij gansch niet wel geweest zijt, en dat dit U verhinderd heeft om eer te schrijven, doch, Gode zij dank! dat Gij weêr bijna geheel hersteld zijt. – – Uwe vraagen, die Gij mij doet omtrent de Majorijënaars, zijn gedeeltelijk beantwoord in het begin van deezen brief; ik schreef u over die zaaken, eer ik wist, dat Gij mij 'er over vraagen zoudt, de anderen wil ik nu beäntwoorden. – Over het Staatkundige zal ik mij nu omtrent de Majorij niet inlaaten, misschien hierover iets in het vervolg, of – ware het niet beter, dat wij, als wij ons weêr zien, dit mondeling af handelen? wat dunkt U? – Al wat ik van de geleerdheid in de Majorij zeide raakt alleen de Roomschen, want onder de Hervormden treft men kundige luiden aan; weinige Roomschen kunnen goed leezen veel [ 78 ] minder schrijven. – Het bijgeloof is hier onbegrijplijk sterk, bij voorbeeld: De donder is eene uitwerking van den duivel. Voor spooken vreest men geweldig. Verschijningen van dooden worden heilig geloofd. – De Godsdienst-haat is onbeschrijflijk groot. Het grieft mij ten sterksten, dat ik U, mijn dierbre Vriend! zulk eene slechte denk- en handelwijze der Roomschen heb moeten schetzen; als Menschenvriend schreef ik dezelve met een bloedend hart ter neêr, doch als waarheidminnaar mogt ik dezelve niet voor U verzwijgen. – Voor de schoone kunsten zijn zij niet berekend, en aandoenlijkheid voor het schoone in de natuur, of voor edelmoedige daaden kennen zij niet. – Gij vraagt mij ook, waaröm ik mijne Adversaria mede draag? – Om mij het geen ik geleezen, gezien en gehoord heb, te kunnen herïnneren, om nu en dan aantekeningen te maaken over zaaken, die anders schielijk mij door de berssenen zouden vliegen; anders kon ik U nu en dan ook niet een stuk en brok van een vers opdisschen, of het te pas komt of niet, noch ook den eenen of anderen Schrijver aanhaalen, want dit staat immers mooi, en Gij zoudt dan immers bijna zeggen, dat ik een Geleerde was; maar stil! Gij kent uwen Vriend te wel, dan dat hij met eenen naam, die hem niet toekomt, zou willen praaien. – Eer ik deezen eindig, en eer ik Helmond verlaat, moet ik U nog het volgende verhaalen: – 'er bevind zich hier een man, die hier enkel bekend is onder den naam [ 79 ] van: de Heilige Willem. Wie hij is, dit wil hij niet zeggen, denklijk is hij een Duitscher; hij schijnt eene vrij goede opvoeding genooten te hebben; hij verstaat het Fransch, en ook, zo ik wel heb, het Latijn; hij is Roomsch, doch leest Gellert en andere Protestantsche Schrijvers, en echter is hij bijgeloovig; 's morgens zit hij reeds zeer vroeg in de Roomsche Kerk om te bidden tot tien of elf uuren; hij maakt kleine wassche beeldjens of ook bloemen voor Kerken enz. verkoopt die, en geeft het geld, schoon hij niets heeft, aan de armen; is 'er een zieken, dien gaat hij oppassen; hij leeft voor het overige allersoberst, zoodat hij, wegens zijn sober leven, 'er bleek en ongesteld uitziet; zijn kostgeld word door twee Inwooners deezer Stad betaald. Wat dunkt U van zulk een man? Zou hij door zulk een leven ook den hemel zoeken te verdienen? Hij heet ten minsten al de Heilige Willem. – – Zie zoo! nu heb ik alle uwe vraagen beäntwoord! Komt U nog iets meer in den zin schrijft het mij, en ik zal zien of ik ook hetzelve beäntwoorden kan. – Morgen vertrek ik uit dit aklig Stadjen, doch deezen avond gaa ik nog eens om een pintjen. – Vaarwel, dierbre Vriend! vergeet mij nimmer, en weest verzekerd, dat Gij niet zult vergeeten worden van uwen

L. J. A.