Reize door de majorij van 's Hertogenbosch/Veertiende Brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dertiende Brief Reize door de majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Veertiende Brief

Vijftiende Brief


[ 100 ]

VEERTIENDE BRIEF.

 Hooggeschatte S........!

De Zon had gisteren morgen naauwlijks de Oosterkim verlaaten, of ik zeide Gemert vaarwel. De weg, welken ik geheel alleen, onder het vormen van allerlei gedachten, wandelde, was eenzaam, geen levendig schepsel ontmoetede mij; de weg verveelde mij geweldig, te meer wijl ik niet wist (ik had geen plan gemaakt, om naar deeze of geene plaats te gaan), waar ik belanden zoude. Eindelijk, na twee uuren gewandeld te hebben, kwam ik te Erp; hier hield ik mijn morgen ontbijt, en vernam 'er niets als alleen, dat de Roomschen ook hier de groote Kerk (zoo noemt men overäl in de Majorij de Kerken der Hervormden) wilde hebben. Dit Dorp scheen mij ook niet belangrijk genoeg, om 'er mij lang optehouden, ik stapte dus, na ontbeeten te hebben, zachtkens voort naar Vegchel. Deeze plaats beviel mij, want zij is een uitmuntend, groot en schoon Dorp; men heeft hetzelve, voor weinige jaaren, voorzien met eenen [ 101 ] straatweg en lantaarnen, zoo dat het eer een Vlek dan een Dorp gelijkt; het pronkt met eene schoone Kerk en mooië tooren, die nog nieuw is, zijnde de voorige door den bliksem afgebrand, ook is 'er een fraai Raadhuis. De rivier de Aa stroomt zeer vermaaklijk langs dit Dorp, en de wandelwegen, die de korte tijd mij toeliet te bezigtigen, bevielen mij zeer wel. In dit Dorp wierd de beroemde Ingenieur C. J. Krayenhof gebooren. Deeze kundige Man is zeer bekend door het aanleggen en voltooiën van het Cannal Imperiäal in Spanjen, zijnde, gelijk men weet, eene schoone vaart; niemand in Spanjen had kennis genoeg, om dezelve te delven, om te waterpassen, schutsluizen enz. te bouwen, deeze eer komt alleen toe aan een' Vaderlander; ik vraagde hier naar deezen Man, doch niemand wist, wie hij geweest was of dat hij hier was gebooren, dit ergerde mij; doch de Majorij is het land niet, om kunde en verstand der vergeetenheid te ontrukken; ware hij Roomsch geweest, en had hij iets tot het bijgeloof toegebragt, of de dweepzucht aangevuurd, dan ware zijn naam zeker niet in vergeetenheid geraakt, doch schoon Vegchel en de Majorij zulken grooten Man onwaardig was, de geschiedenissen hebben reeds zijnen naam vereeuwigd, en hij zal gewis, zoo lang het Canaal Imperiäal aanwezig is, in Spanjen in geheugen blijven. – Na den middag ging ik naar Schijndel, en kwam 'er eerst tegen den avond aan, wijl ik van den regten weg was afgedwaald; ik was zeer vermoeid, en had dus [ 102 ] geen' lust, om iets te bezigtigen, maar ging vroeg naar bed, met voorneemen, om heden eens alles te bekijken, gelijk ik ook gedaan heb. – Schijndel is groot, schoon en levendig, wijl 'er dagelijks veele karren en menschen, die naar 's Bosch willen, hier door gaan. De Kerk is een fraai gebouw, en het Raadhuis, het geen nog nieuw is, is het prachtigste van de geheele Majorij. De Roomsche Kerk is groot en zeer schoon. Men vind hier veel houtgewas en boomen, en ook schoone landerijën, zoodat hierdoor de wandelingen niet onäangenaam, in tegendeel zeer vermaaklijk zijn; de Inwooners moeten zich hier sterk toeleggen, om het hout voord te kweeken, dewijl zij hetzelve zoo noodig hebben, om te branden, en ook omdat hier veele houten klompen of holsblokken gemaakt worden, die van 's Bosch met geheele scheepsladingen naar Holland gevoerd worden. Hier woont thands ook de Roomsche Vicarius of Bisschop der geheele Majorij, zijnde, zoo ik hoor; een geschikt Man, wien alle vervolgzucht tegen de Hervormden zeer mishaagt, want hij heeft zelfs ook verbooden, om op zommige plaatzen, waar men de Kerken met geweld ingenomen heeft, 'er Misse in te leezen, schoon dit over het algemeen niet word opgevolgd; hij draagt hier den naam van zijn' Hoogvaardigen. – Schijndel mag zich beroemen op de geboorte van Jan van Amstel; hij was een boerenzoon uit dit Dorp, die uit vrees voor straf, omdat hij het paard van zijnen Vader kreupel had gereeden, zig weg begaf, [ 103 ] eindelijk te Amsteldam dienst nam als jongen op een Oorlogschip, waaröp hij zich zóó braaf gedroeg, dat hij daarna één der beste Kapiteins onder den grooten M. de Ruiter wierd. Dit geval leest Gij omstandig in Martinet's veréénigd Nederland. Ik was zeer nieuwsgierig, om zijn grafschrift, door den Vader der Nederlandsche Dichters, Vondel, vervaardigd; te leezen, en ik vond boven zijn graf in de Kerk, op eenen blaauwen zerk, dit tienregelig vers:

Hier rust de eer der Amstelbeeren,
Die Turken won, en ook den Zweed;
Hielp met kracht de Funen keeren,
En Gustavus Zeemagt sleet.
Tromp de band bood tweepaar dagen,
In den flag met Brittenland
Zwaar gewond, maar nooit verslaagen
Stierf voor de eer van 't Vaderland.
Loof dien vroomen Zee–beschermer!
Schrijf zijn naam in duurzaam marmer!

Ik was ook zeer begeerig, om zijne ouderlijke wooning, waaröp hij de bezemen, ten teken, dat hij de Zee gezuiverd had, plaatste, met eene soort van eerbied te beschouwen, doch niemand wist mij zulks, schoon Martinet zegt, dat 'er dat huis nog staat, te berichten; ik zag hier dus weder bewaarheid: De Majorijënaars zijn niet berekend, om deugd, braafheid en dapperheid in hun geheugen te verëeuwigen. Dit stond mij, [ 104 ] gelijk Gij mijn Vriend! ligtlijk begrijpen kunt, zeer tegen de borst. – Morgen gaa ik zeer vroeg, want ik zal dan eenen langen weg af te leggen hebben, naar Tilburg, daar denk ik mij eenigen tijd op te houden, en de andere daarbij gelegene Dorpen ook eens te bezoeken. Ik zend deezen brief morgen, dan gaat 'er van hier een Bode op 's Bosch, weg, om U te berichten waar ik thands ben, waar ik blijf, en waar Gij mij dus beschrijven kunt. – Vaarwel, mijn Geliefde! en denk nu en dan eens aan uwen wandelenden

Vriend.