Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Tiende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Negende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Tiende brief

Elfde brief


[ 56 ]

TIENDE BRIEF.

 Hooggeachte S........!

Voor eenige dagen was ik nog in het vervolgziek Asten en nu ben ik in Deurne. – Ik nam herwaards niet den gewoonen weg over Vlierden, maar wandelde over Liessel, zijnde een klein Dorpjen, hoorende eigenlijk onder Deurne. – Men graaft daar den besten Turf van de geheele Majorij. – In het midden van het Dorp staat eene Kapel. – Aan het einde van hetzelve zag ik de ruïnen van een Kasteel, het geen welëer zeer sterk, met geschut, enz. voorzien was, het is bekend onder den naam van het Blokhuis.

[ 57 ] Niet ver van Liessel, doch nog onder het rechtsgebied van Vlierden, ging ik voorbij eene soort van Buitenplaats, ik las op de Poort: De Hazeldonk, Jagthuis. Te Liessel in eene herberg een glaasjen Bier drinkende, vraagde ik wat dat toch voor een huis ware, en mij wierd het volgende ten antwoord gegeeven: "Dat is het verblijf van den Heere van Vlierden. Hij laat onëindig veel op dat goed arbeiden; hij plant 'er ontzaglijk veel boomen, waar hij nimmer eenig voordeel van kan hebben, want het hout is in deeze streeken bijna niets waardig; het land is 'er zeer zandig en dus onvruchtbaar, zoodat het naauwlijks de kosten oplevert, die 'er jaarlijks aan gedaan worden. – " Genoeg hiervan, want wat raakt het mij, of een landgoed vruchtbaar is of niet – niet waar?

Te Deurne hebben de Roomschen, hoe zeer hun Priester (ik heb hem U voorleeden jaar leeren kennen) ook gewoeld heeft en nog woelt, de Kerk der Hervormden nog niet. In de maand Februarij jongstleeden kwamen hier omtrent vijftig Franschen, om gevlugte Brabanders te zoeken en op te pakken; zij gingen toevallig in de Kerk der Hervormden, zagen daar den geheelen poppenwinkel, door den Priester reeds in voorraad in dezelve geplaatst; zij hieuwen verscheidene beelden de neuzen of ooren af, en beschadigde bijna alles; de Roomschen zagen, toen de Franschen weder vertrokken waren, dit heiligschennis (zoo beschouwde men deeze daad) bijna met krijtende oogen, raapten alle stukken en brokken met [ 58 ] bedroefde gezigten bij malkanderen, en klaagden met diepe zuchten, dat 'er voor meer dan zeventig guldens aan beschadigd was. Rampzalige Goden! ellendige Heiligen! die Uzelven niet beschermen kunt. – Houten geloof! onzeker vertrouwen! dat op U gevestigd word!! – Het was gelukkig, dat niemand der Hervormden éénen Franschman had gesproken, anders had men hun zeker hiervan de schuld gegeeven.

Gisteren wandelde ik eens de Peel in. Het was zeer aangenaam, om de menigte van menschen, in den Turf arbeidende, te zien. Voor weinige jaaren heeft men eenen nieuwen regten weg van Deurne door de Peel naar het Pruissisch Dorp Venrooi aangelegd; dit is een allernuttigst werk, wijl hier van te vooren veele Reizigers verdwaalden; één uur van Deurne ligt aan even dien zelfden weg, bij de grenzen van Pruissisch Gelderland, eene herberg, de Hut genoemd, hier dronk ik een kannetjen Bier, rookte mijn pijpjen in pace, en ruste wat uit, waaröp ik weder langzaam naar Deurne stapte. Deeze herberg ligt zeer eenzaam in het midden der Peel, een geheel uur van alle huizen afgezonderd; zulk eene wooming zoudt Gij toch niet verkiezen, mijn Vriend! en ik ook niet; doch de bewooner heeft één voorrecht, het geen veele missen – hij krijgt nimmer twist met zijne buuren. – In de Kaart van Verhees is hier eene groove fout, want hij plaatst de Hut buiten de grenzen van de Majorij in het Pruissische.

In de Majorij, vooräl in Kempenland, en ook [ 59 ] op de zoogenoemde Peeldorpen: Zomeren, Asten, Deurne en Bakel gebruikt men veele Ossen, om te rijden, te ploegen, te eggen enz., en men heeft hiervan een spreekwoord, wijl de Boeren van deeze Peeldorpen hunne Ossen wel eens slagten, hunne Veenen of Turf branden, en bij hunne Vrouwen, die dikwijls met de kar rijden, slaapen, zijnde van deezen inhoud:

 "Zij branden hume aard',
 "Zij eeten hun paard,
 "En zij slaapen bij den Voerman!"

De Ossen zijn sterke dieren, sterker dan een Paard, en zeer geschikt om te werken, doch men heeft 'er hier twee fouten mede: voorëerst, dat men hen op eenen zeer langzaamen tred zeer sleepende leert gaan; ten tweeden, dat men dezelve aan een juk, het geen op den hals rust, en al te sterk de schoften drukt, doet trekken, dit hindert die dieren geweldig in het gaan en ook in hun werk. – De nabuuren der Majorijënaars, naamlijk de Inwooners van Gulikerland en een gedeelte van Opper-Gelderland, laaten de Ossen voor den kop trekken, en met recht, want in den kop heeft een Os ook zijne grootste sterkte, en zij gaan dan ook veel radder; dit weeten de Majorijënaars (dit heb ik zelfs van sommigen onder hen gehoord), doch omdat hunne Vooröuders sedert onheuglijke tijden een juk gebruikt hebben, juist even daaröm doen zij het ook. Zoo gaat het in de Majorij met alle [ 60 ] gewoontens. – Eer zoude Gij, mijn Waarde! met uwe hand aan de wolken kunnen reiken, dan hier eene oude slechte gewoonte affschaffen, en eene nieuwe betere invoeren. – Ik eindig deezen brief met de woorden, die ik welëer las in de Reizen van den voortreflijken Anson[1], welke ik altijd onthouden heb, en die mij dunken hier wel ten passe te komen. – Hier zijnze! "In menschlijke zaaken word het eenvouwig rigtsnoer der gezonde reden niet altijd gevolgd. Veele andere beginsels hebben te sterken invloed over onze bedrijven: en inzonderheid is 'er één, dat, schoon het van eenen zeer verleidenden aart is, zelden van onze ernstigste betrachtingen uitgeslooten blijft: ik meen de gewoonte of het gebruik der Voorzaaten. Dit is gemeenlijk een vermogen, waarvoor de reden te zwak is, om 'er tegen te worstelen." – Nu mag ik deezen Brief wel sluiten, doch ik moet U eerst nog zeggen, dat ik morgen of overmorgen (dit zal van het weder afhangen) naar Helmond opkraamen zal. Ik ben eeuwig uw beste

 Vriend.

P. S. Op denzelfden tijd (zo de overleveringen waarheid spreeken), en door hetzelfde Krijgsvolk, dat Asten verbrande, zou ook een gedeelte [ 61 ] van Deurne en het Dorp Bakel afgebrand zijn. – Dus heeft ook op deeze Dorpen het Oorlog gewoed!.....

Ik vergat U twee staaltjens te melden van de heerschzucht en haat van den Roomschen Priester te Deurne. – Hij heeft, zegt men, op zijne wijze een Liedjen berijmd, waarin hij zegt: dat 'er buiten de Roomsche Kerk geene zaligheid is, en dat alle Hervormden verdoemd zijn. Dit Liedjen zou hij in eene openbaare herberg, in tegenwoordigheid van zeer veele menschen, zelfs van eenen Protestant, gezongen, en, na hij dit vloeklied had uitgebalkt, den Protestant hebben toegeduwd: dit zeg ik en dit hou ik staande!

In het begin van dit jaar overleed de Secretaris deezer plaats, men durfde hem, een Hervormde zijnde, en schoon de Kerk nog in het bezit der Hervormden is, niet in dezelve begraaven, zonder 'er eerst verlof toe te verzoeken van de Kerkmeesters, die Roomsch zijn; deeze durfden zulks niet toestaan, zonder 'er alvoorens den Priester over gesproken te hebben. – Wat zou men nu doen? men moest afwachten, of het Heeröom zou bevallen of niet. – Hij gaf 'er gelukkig verlof toe, alhoewel hij nog volstrekt geen recht op de Kerk had; bepaalde en wees tevens de plaats aan, waar de Secretaris zou begraaven worden. Had deeze bittere Kerkbaas eens neen gezegd, dan had niemand zich durven verstouten, om dien Man in de Kerk te begraaven, alhoewel de Hervormden hier nog in het vol bezit hunner Kerk zijn. – Zie! [ 62 ] zulken invloed hebben deeze zoogenoemde Geestlijke Herders op hunne Schaapen! Zoo veel magt weet deeze domme bijgeloovige dweep- en vervolgzieke Priester zich aan te maatigen –! Mag 'er dit zoo maar door?

  1. G. Ansons Reizen, III. Boek. 8 Hoofdst. Bladz. 345.