Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Negende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Agtste brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Negende brief

Tiende brief


[ 49 ]

NEGENDE BRIEF.

Geliefde Vriend

Heden kraamde ik zeer vroeg van Budel op. – De Zon verscheen met nieuwen luister aan de oosterkimmen, het was een schoone morgen, – Hoe verrukkend is toch het gezigt van de opgaande Zon! geen wonder derhalven, dat de oude Heidenen, wijl zij niets schooners, niets nuttigers zagen of kenden, dezelve als eene Godheid [ 50 ] verëerden en aanbaden. Ik wierd getroffen door de beschouwing van dit hemellicht in zijnen opgaanden glans en luister; mijne ziel verhief zich gevoelvol tot den Schepper aller dingen, de Bron der zegeningen; dankbre vreugdetraanen rolden over mijne wangen, en ik zeide bij mij zelven:

 "Eeuwig – eeuwig lof zij Gode!
 "Die door zijnen hemel-bode,
 "Door de Zon, die 't al verkwikt
 "Met haar koesterende straalen,
 "Alles weêr doet adem haalen
 "En nieuw leven ons beschikt[1]."

Hoe opgeruimd was mijn hart? – hoe aangenam deeze morgenwandeling! dan – genoeg. – Gij, mijn Vriend weet bij ondervinding, welk genoegen de beschouwing van Gods werken voor ons oplevert, laat mij dit dus niet verder gebrekkig (meer toch kan ik niet) voor U schetzen, maar liever overtreeden tot mijne Reize.

Mijn oogmerk was eerst, om van Budel over Maarheeze naar Zomeren te gaan, doch hoorende, dat mijn weg dan gedeeltlijk door de Peel zou loopen, en dus dat hij eenzaam, en nog daar te boven moeilijk om te vinden zou weezen, zoo veränderde ik van voornemen, en ik [ 51 ] wandelde over Zoerendonk naar Leende, waar ik zéér vroeg aanlande. – Leende is een schoon Dorp, hebbende eene schoone Kerk met eenen uitmuntenden tooren, voorzien van eenen grooten knop; deeze tooren brande in voorige tijden door den bliksem af, doch wierd weêr heerlijk opgebouwd, schooner dan van te vooren. Ook hier hebben de Roomschen de Hervormde Kerk, schoon hunne Kerk zeer goed en fraai is, ingenomen, – Leende heeft zeer lieve Wandelwegen; ik bleef 'er een' geheelen dag, om dezelve eens als ter loops te doorkruissen, en zworf het geheele Dorp door, dan hier dan daar, Ik had mij in dat Dorp zeker veel langer opgehouden, indien de Roomschen de Kerk der Hervormden niet hadden gehad, want overäl, waar ik dit vind, heb ik eenen doodlijken afkeer tegen de Inwooners. Dit is dwaas – dit is onverstandig, zult Gij zeggen. – Ja! zoo schijnt het ook in den eersten opslag, doch het is een onfeilbaar bewijs van hunne onverdraagzaame dweeperij, van hun vervolgziek bijgeloof, en van hunne haatlijke heerschzucht over andere Godsdiensten; ik vertoefde hier dus niet lang, maar ging nog denzelfden dag tegen den avond, door eenen aangenaamen weg, maar Heeze, het geen maar eene groote halve uur van Leende gelegen is. – Als ik beter tijd en meer lust heb, want ik ben zeer slaaperig en braaf vermoeid door mijne wandelingen van deezen dag, schrijf ik U verder. Het is tien uuren in den avond, en derhalven [ 52 ] tijd voor mij, om ter kooi te gaan, dus – het vervolg hier na.

 Vervolg.

Heeze is een groot doch geen schoon Dorp, de huizen liggen veel te verspreid. Aan de eene zijde van het Dorp ziet men de groote Kerk, en aan de andere zijde eene Kapel, waarin de Hervormden hunnen Godsdienst verrichten. – Het Kasteel is een prachtig, groot en schoon gebouw, liggende zeer aangenaam aan het riviertjen de Rul, men gaat naar hetzelve door eene schoone lijnregte dreef, welke vlak tegen over de Kapel gelegen is, dit geeft geen onäartig gezigt; men vind daar ook veele groote Dennen-bosschen, welke alle aan den Heere der plaats in eigendom toebehooren; deeze leveren, benevens andere Wandelwegen, veel vermaak op voor eenen vreemdling, zo hij ten minsten een liefhebber van wandelen is. Zoo lang ik hier geweest ben, heb ik den meesten tijd met wandelen en het bezoeken deezer Bosschen doorgebragt, dit verkoos ik veel liever, dan in mijne herberg paalvast te blijven zitten, en mij zelven dus van een onschuldig vermaak, het wandelen, te berooven. – Ik neem deezen brief, wijl hij der moeite om te verzenden nog niet waardig is, mede; zoodra ik hem met wat meer letters opgevuld heb, zend ik hem U toe, doch wanneer dit weezen [ 53 ] zal, weet ik niet, Gij zult derhalven nog wat geduld moeten hebben. – Vaarwel!

 Tweede Vervolg.

Nu ben ik te Asten. – Ik meende U uit Deurne te schrijven, doch het regenächtig weder verhinderde mij, om 'er heden naar toe te wandelen, ik gaa dus morgen, zo het weder mij zulks niet verbied, derwaards. – Van Heeze ging ik regt op Zomeren door eene heide, welke zich aan mijne beide zijden ontzaglijk ver uitstrekte. Dit Dorp is groot, doch de huizen liggen zeer verspreid; het heeft in voorige oorlogen zeer veel geleeden, want, zo de verhaalen niet liegen, bestond dit Dorp uit dertig wel bebouwde en wel bewoonde Straaten, en uit omtrent tien-duizend Inwooners; thans echter ziet men hier en daar maar een huis, en het getal der Ingezetenen is zeer verminderd. 'Er ligt nog een soort van een Oud Kasteel, de Donk genoemd, doch hetzelve heeft niet veel om het lijf. De Kerk is een net gebouw, staande een klein toorentjen op dezelve. Zomeren ligt aan de Peel, waar men ook Turf maakt, doch met dit onderscheid, dat men hier den Turf niet graaft, gelijk te Deurne, Asten en Bakel, uit ronde kuilen of putten, maar baggert even als in Holland. Men noemt deezen Turf gewoonlijk ter onderscheiding in de Majorij: bagger of Zomerschen bagger, hij is ook beter dan andere. – De andere word hier Klot genoemd.

[ 54 ] Asten ligt niet ver van Zomeren; deeze twee Dorpen worden slechts door de Aa gescheiden. Asten, dat men voor een schoon Dorp mag houden, heeft een fraai Kasteel, een schoonen tooren en Kerk, welke laatste de Roomschen thands in bezit hebben, schoon zij hier ééne der schoonste en grootste Kerken van de Majorij hadden. De Hervormden moeten nu hunnen Godsdienst houden in eene kamer van het huis van den Predikant, het geen en voor den Predikant en voor de Hoorers, wegens de bekrompenheid der plaats, met onäangenaame bezwaaren en ongemakken verzeld gaat. – ô Haatlijk bijgeloof! vervloekte vervolgzucht!! – God der liefde! – eischt dit uwe eenvouwige, menschlievende Godsdienst?....

Asten wierd in den winter van 1511 door de Gelderschen uit Roermond afgebrand, dus heeft dit Dorp ook al gedeeld in de vernielende rampen des verwoesten en oorlogs.

Tusschen Heeze en Zomeren (dit moet ik niet vergeeten U te melden) wierd ik door eenen man achterhaald; hij zag 'er zeer geschikt uit, sprak met mij over onverschillige zaaken, en verhaalde mij eindelijk; dat hij in het laatstgemeld Dorp woonde; dat één van zijne bijzondere Vrienden op dat Dorp thands een pleitgeding had met eene Jufvrouw over het recht van zeker eigendom; dat de Advocaat van dezelve, ziende dat hij het pleitgeding verliezen zoude, haar had aangeraaden, om al haare goederen aan iemand anders op te draagen, op dat dus, als zij het [ 55 ] pleitgeding verloor, haare partij niets konde krijgen, maar schoon hij het won, nog daar te boven alle kosten zou moeten betaalen. Die Jufvrouw heeft nu (dus sprak hij verder) haare goederen op de zwagerin van dien Advocaat laaten overbrengen. Wat dunkt U hier van? — Ik antwoorde 'er weinig op, maar dacht niet minder. Had ik tijd gehad, dan had ik dien Advocaat, mits dit zoo was, als het mij verhaald wierd, gaarne de volgende schoone verssen van den grooten H. de Groot, (deeze ben ik aan den Denker[2] verschuldigd) benevens de vertaaling, want hij verstaat misschien geen Latijn genoeg, om ze te begrijpen, toegezonden:

 Qui sancta sumis arma civilis togæ,
 Cui se reorum capita, fortunæ, decus
 Tutanda credunt, nomini præsta fidem,
 Juris Sacerdos! ipse die cansam tibi,
 Litemque durus arbiter præjudica.
 Voto cliëntum iura metiri time,
 Nec quod colorem patitur, id iustum puta.
 Peccet, uecesse est, faepe, qui nunquam negat.

Dat is:

 "Rechts-priester: die Uzelv' der pleitzaal hebt gewijd,
 "Wien ongelukkigen hunne eer, hun goed, hun leven,
 "Om die te veiligen, geheel in handen geeven,
 "Toon, dit Gij, ongekreukt, dien eernaam waardig zijt.
[ 56 ]  "Beslisch eerst bij Uzelv' de zaak, naar 't strengste recht,
 "Die U word voorgesteld; wacht U, in 't oordeel vellen,
 "Den wil van uw kliënt, of schijn voor recht te stellen,
 "Die niemand afwijst is ook vaak der schurken knecht."

Deeze brief is nu evenwel groot genoeg, ik kan hem dus gerust eindigen, ik noem mij derhalven, na verzekering van mijne onäfgebrokene Vriendschap en onveränderlijke hoogächting, geheel uwen

 Vriend.


  1. De Denker, IV, Deel, No. 177. Bladz, 159.
  2. I. Deel. Nom: 17. Bladz. 156