Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Agtste brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zevende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Agtste brief

Negende brief


[ 42 ]

AGTSTE BRIEF

 Waarde Vriend!

Νu ben ik in Peelland, en wel bepaaldlijk te Budel. – Budel is één der schoonste Dorpen van dit gedeelte der Majorij, het is volkrijk en zeer welvaarend. Men vind hier schoone huizen, en eene mooië Kerk, doch voorzien met eenen laagen tooren. Onder de Inwooners treft men veele Kramers aan, die in Glaswerk koophandel drijven, en geduurig met hunne Waaren rond reizen; ook zijn 'er veele Varkensdrijvers, die [ 43 ] met groote kudden Zwijnen, welke zij in Luikerland, over den Rhijn en eders opkoopen, de Majorij doortrekken, om dezelve weder met winst te verkoopen. Het is waarlijk grappig, om eenen Varkensdrijver te zien! Verbeel U, mijn Vriend! een' Man, die in de eene hand eene Zweep heeft, waarmede hij geduurig klapt, onder den arm heeft hij een groot stuk roggen-brood, en in de andere hand houd hij een mes; nu en dan stijd hij een stuk van het brood, breekt het en werpt het onder de Varkens, onder een geduurig geroep van Zwinoo! Zwinoo!! (die van Budel hebben eene bijzondere uitspraak of tongval, zeer verschillend van andere Majorijënaars) eene menigte Zwijnen volgt hem al grommende en knorrende naar. Stel U eens dit voor, dan hebt Gij eene levendige afbeelding van eenen Budelschen Varkensdrijver.

Ik zou in dit Dorp mijn leven wel kunnen afslijten, indien 'er minder bitterheid plaats greep, doch het smert mij, dat ik U zeggen moet, dat ook hier de Roomschen, schoon zij zelf eene groote en zeer schoone Kerk bezaten, den Hervormden de Kerk ontnomen hebben. Ik vraagde, waaröm men dit toch gedaan had? en het antwoord was terstond gereed, want dus vraagde men mij daarentegen: "Moet men dan aan de Geuzen, die verd..... Ketters eene gewijde Kerk laaten houden?" – Ik had nu niets meer te zeggen, want waar vervolgzucht, godsdiensthaat en dweeperij plaats heeft, daar hielpt geen redeneeren. – Te Budel is de grootste [ 44 ] Hervormde Gemeente van het platte land in de Majorij, dit is veröorzaakt, zegt men, door eenen Predikant, die 's avonds, nadat de Boeren van den Akker kwamen, en ook de andere Inwooners hun werk verricht hadden, op eene eenvouwige en bevatbaare wijze den Godsdienst verrichte en predikte. De nieuwsgierigheid dreef veele Inwooners naar de Kerk, en de eenvouwige waarheid overtuigde veelen van de dwaalingen in den Roomschen Godsdienst. Had men zoo overäl in de Majorij bij de Hervorming gehandeld, wie weet, hoe veele Protestanten men 'er tegenwoordig zou aantreffen, dan – deeze wensch komt nu te laat. De Hervormden moeten nu hier hunnen Godsdienst in eene kamer verrichten, dit gaat met veele ongemakken verzeld, want elken Zondag worden 'er menschen flaauw wegens de benaauwdheid, door de kleinheid van hunne Kerk (laat mij deeze Kamer zoo eens moemen) veröorzaakt. – ô Dwaaze – ontmenschte vervolgzucht!! – Kan het menschlievend Opperwezen hier in een welgevallen scheppen?!

Ik ging ook eens naar Maarheeze. Dit Dorp ligt niet ver van Budel, en de weg naar hetzelve is alleräangenaamst; hier is niets bijzonders te zien, doch ook hier heeft men de groote Kerk ingenomen, en wel met geweld; men kwam gewapend af op het huis van den Predikant, eischte met veel onstuimigheid den sleutel der Kerk, welke men ook, gedwongen zijnde, moest overgeeven. Met verächting en afgrijzen verliet ik [ 45 ] dit Dorp, en wandelde over Zoerendonk weder te rug. – Terwijl ik U dit met een bloedend hart verhaal, herinner ik mij de woorden van Mevrouw Chapone[1], welke mij wel der moeite waardig scheenen, om ze voor U af te schrijven. – Hier zijn ze! "Kunnen zij, die door wreedheid aan zich zelven of aan hunne medeschepselen, – door ijslijke pijnigingen, hunner ligchaamen voor de zonde hunner zielen, – of door nog ijslijker vervolgingen van anderen om verschillende gevoelens, Gode meenen te behaagen, gezegd worden, in den waaren God te gelooven? Hebben zij zich niet in hunne gemoederen verbeeld een' anderen God, die eer en meer naar het ergste dan naar het beste aller Wezens gelijkt?" – Hoe toepaslijk zijn deeze gezegdens op de Roomssche Majorijënaars! – !!

Niet ver van Budel ligt Gastel, het geen ik ook eens bekeeken heb, doch het levert niets aanmerkenswaardig op. Eertijds stond hier een Kasteel, op hetwelk de Baronnen van Kanendonk (de Baronnie van Kranendonk bestaat uit de even gemelde Dorpen: Budel, Gastel, Maarheeze en Zoerendonk) zich dikwerf ophielden, en met de jagt vermaakten, doch in 1673. lieten het de Franschen springen; men ziet nog eenige ruïnen van hetzelve. Hierbij ligt ook het Kranendonkische Bosch, doch hetzelve heeft veel geleeden in [ 46 ] 1795., wijl men 'er zeer veele schoone Boomen uitgehakt heeft, enkel tot brandhout voor de Franschen; dit hout wierd, altemaal gekloofd zijnde, op karren naar 's Bosch, waar het Houtmagazijn in de Orthen- of Haven-kerk was, gebragt. – Keizer Karel V. plagt zich, als Baron van Kranendonk, dikwijls op evengemeld Kasteel op te houden, en men verhaalt, dat bij zulk eene gelegenheid het volgend geval met Hem voorviel:

Karel op zekeren dag hier op de jagt zijnde, dwaalde van zijne Hovelingen af, en kwam eindelijk bij eene Boeren-stulp; Hij verzocht den bewooner, dewijl het reeds avond en donker was, dat deeze Hem met eene lantaarn zou ten regte brengen, dit nam de Boer aan onder deeze voorwaarde: dat Hij dan ook den Keizer (hij kende Karel niet in persoon) zou zien; dit wierd beloofd, en men trok op weg. – De Boer vraagde, zoodra zij op weg waren den Keizer naar zijnen naam, en hij bekwam ten antwoord: deeze is Karel! de Boer maakte hiervan Kel, zijnde dit de Majorijsche verkorting van het woord Karel. Hierop verhaalde onze Boer aan den Keizer, dat hij een pleitgeding had met zijnen Buurman over een Varken, dat denzelven gebeeten had, terwijl hij zijn gevoeg deed; Hem tevens verzoekende, dat Hij bij den Keizer een goed woord wilde doen, dat alle verschillen mogten uit den weg geruimd worden. De Keizer verstond zijnen leidsman niet, en gaf hem dit te kennen, waaröp de Boer zijn verhaal op de [ 47 ] volgende wijze, in lomp Majorijsch, zocht duidlijker en verstaanbaarer te maaken: "Als Gij eens op mijnen binnen (erf) zat te schijten, Kel! en ik was dan eens een Varken, en ik beet U dan eens in uw gat, Kel! zou ik U dit dan moeten vergoeden, en uw gat laaten geneezen? zeg Kel!" – Karel, die zich naauwlijks van lagchen kon onthouden, antwoorde: Neen! Hij stelde den Boer hier over gerust, en beloofde hem, een goed woord bij den Keizer te doen. – "Maar zeg eens Kel!" hervatte de Boer, "als wij op het Kasteel komen, waaräan zal ik dan den Keizer kennen?" – En hij kreeg ten antwoord: "Al wie zijnen hoed op het hoofd houd is de Keizer, want alle de anderen houden hunne hoeden af." – Eindelijk kwamen zij beiden op het Kasteel; de Keizer ging voor, de Boer volgde met de lantaarn in de hand, ieder stond zonder hoed; de Boer keek al rond, om den Keizer te zien, en vraagde eindelijk ongeduldig: "Kel! waar is nu toch de Keizer?" – Karel berste in een luid gelagch uit, zeggende: "Ik ben de Keizer of gij, want wij hebben alleen onze hoeden op ons hoofd." De Boer ontstelde, doch hij wierd hieröp deftig met eeten en drinken onthaald, wierd vorstlijk beloond, en ging vergenoegd heen, dat hij nu evenwel den Keizer gezien had[2]. – Men voegt 'er bij: [ 48 ] dat de Boer, onder weg moetende wateren, tegen den Keizer zeide: "Daar Kel!" vat de lantaarn eens, dat ik eens pis." – Dit ook zou Karel gedaan hebben.

Ik had mij wat te lang in het Kranendonkische Bosch opgehouden, het was avond, reeds ver in den avond eer ik in mijne Herberg aankwam. – Het was een schoonen avondstond, de Maan scheen helder, en bij de beschouwing derzelve herinnerde ik mij de volgende dichtregels van den grooten A. von Haller[3]:

 Des tages licht hat sich verdünkel,
 Der purpur, der im westen funkelt,
 Erblasset in ein falbes grau;
 Der mond erhebt die silber-hörner,
 Die kühle nacht streut schlummer-körner,
 Und tränkt die trockne welt mit thau.

deeze Verssen heb ik ergens[4] dus vertolkt gevonden:

 "Het daglicht is alreê verdonkerd,
 "Het purper, dat in 't westen donkert,
 "Verflaauwt, word vaal en trekt naar 't graauw;
 "De Maan vertoont haar' zilv'ren hoorens,
 "De koele nacht strooit sluimer-koorens,
 "En drenkt het drooge veld met daauw."

[ 49 ] Laat mij nu Keizer Karel en zijnen Boer, met een woord: de geheele Kranendonksche Baronnie vaarwel zeggen, wijl ik U alles verhaald heb, wat ik 'er van weet, en wat ik 'er van konde opschommelen; het word ook tijd, dat ik, wil ik wat slaapen, mij naar bed begeef, want het is reeds over middenmacht. Na korte dagen zal ik deeze dweep- en vervolg-zuchtige Dorpen verlaaten, en mij elders (waar naar toe, weet ik nog niet) heen begeeven, in hoop, dat ik wel ergens vreedzaamer, menschlievender Dorpen zal aantreffen. – Met een diep getroffen hart over de omverdraagzaame vervolgzucht der Budel- en Maarheezenaars noem ik mij, gelijk altijd, geheel den

 Uwen.

  1. Brieven ter verbetering van het gemoed. I. Brief, Bladz. 6,
  2. Bijna dezelfde grap word ook verhaald van Hendrik IV. Koning van Frankrijk. Zie het Mengelwerk der Algemeene Vad. Letteroefeningen voor 1797. Bl. 480.
  3. Versuch Schweizerischer Gedichte. Seite 101,
  4. De Denker, III, Deel, No 119, Bladz. 107.