Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Zesde brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vijfde brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Zesde brief

Zevende brief


[ 30 ]

ZESDE BRIEF.

 Hooggeachte Vriend!

Ik heb ook Eersel gezien. – Het is een schoon Dorp, net bebouwd. De Kerk, die vrij groot en luchtig is, staat een goed eind van het Dorp; derzelver tooren viel om ver op het Dak der Kerk, door welken val hetzelve instortede, dit geschiede in den jaare 1709.; midden in het Dorp ligt eene Kapel, welke thands voor een Raadhuis gebruikt word. – Toen de Graaf van Mansfeld in 1581. het Stadjen Eindhoven belegerde, wierd dit Dorp door deszelfs leger uitgeplunderd en afgebrand; naauwlijks hadden de inwooners deezen [ 31 ] oorlogs-ramp ondergaan, of de pest woedde geweldig onder hen, en vernielde ruim de helft van hun. Niet ver van deeze plaats ontspringt het levendig riviertjen, de Run, hetgeen de Weilanden, langs hetzelve gelegen, vruchtbaar maakt. – Ik moet U ook niet vergeeten te melden, dat niet ver van de Kerk, in de akkers, een zoo genoemde heiligen Lindeboom staat, werwaards de Roomschen zich begeeven, om, al knielende en rondöm denzelven kruipende, hun Pater-noster en Ave-Maria te prevelen; hoeveel ontmoet men hier dus niet van de oude blinde Heidenen, deeze verrigteden immers ook onder gewijde Boomen hunnen Godsdienst? – !! Toen ik eenige Roomschen vraagde: of deeze Boom heiliger dan een andere was, schaamden zij zich om ja te zeggen; en toen ik hun voorstelde: of zulke gebeden, onder dien Boom uitgestort, meer op rekening bij God of de Heiligen afdeeden, en waarvan toch die gewaande heiligheid voordvloeide, zweegen zij dood stil, doch ik zag tot mijn leedweezen (ik had ook beter gedaan, dat ik gezweegen had), dat deeze vraagen hen geweldig met schaamte, met spijt en nijd vervulden, derhalven berouwde mij mijne nieuwsgierigheid, want ik geef niet graag iemand stof tot aanstoot of ergernis, dan – mijn berouw kwam te laat.

Ik bezocht, terwijl ik te Eersel was, ook het kleine Dorpjen Duizel; hier is niets bijzonders als eene Steen- en Pannen-bakkerij. – Ten Oosten van Eersel ligt Steensel, zijnde ook een klein [ 32 ] Plaatsjen, het geen gewoonlijk gehouden word voor het juiste middenpunt van Kempenland, doch of dit waar is weet ik niet, ik heb het niet gemeeten. De tooren van Steensel is een zwaar gebouw, doch met eene kleine spits. De grond is aldaar, even gelijk in het grootste gedeelte van Kempenland, zeer zandig, dor en mager; de graanen groeiën 'er derhalven niet hoog of weeldrig, en men vind 'er bijna geen onkruidjen op de akkers. Mij wierd verhaald, dat de rog, op dit Dorpjen gegroeid, altijd éénen stuiver op het vat (zijnde eene zekere maat) meer waardig is dan van andere Dorpen, dewijl hij veel zuiverer, en 'er geen zaad van onkruid onder is. Is het Majorijsch spreekwoord: Die niet mest, die mist ergens waar, dan zeker te Steensel, want zo er geen mest op het Land gebragt wierd, dan geloof ik niet, dat 'er iets zou groeiën, zoo schraal en onvruchtbaar ziet hier het aardrijk 'er uit.

Van Eersel wandelde ik 's morgens om zes uuren naar Berg-eik. Ik begon mijne wandeling zoo vroeg, omdat ik mij daar niet lang wilde ophouden, maar nog denzelfden dag hier te Lommel wilde weezen. – Onder weg, nog niet ver van Eersel af zijnde, wierd ik door een' man achterhaald, die met mij denzelfden weg ging; voor ons op de heide ging een Jood, wij stapten sterk door, kwamen schielijk bij denzelven en gingen hem voorbij; hij zeide ons beleefd goeden morgen en ik hem desgelijks; mijn medewandelaar zeide: dag Smous! lusje wel Spek? de Jood zweeg en ik wierd moeilijk; intusschen [ 33 ] gaf dit gezegde aanleiding tot het volgend gesprek;

Ik. Waaröm bespot Gij deezen Jood over iets, dat zijn Godsdienst hem verbied te eeten? hebt, Gij recht hiertoe? of heeft hij U beledigd?

Hij. Hij is maar een Smous. – Hij is van dat volk, dat onzen Heer gekruist en bespogen heeft; hij is toch verdoemd, en wij moogen altijd eenen Smous daaröm voor den gek houden.

Ik. Even daaröm, als Gij dit denkt, moest Gij medelijden met hem hebben, en hem niet bespotten. Hoe zou het U bevallen, als ik U wegens uwen Godsdienst voor den zot hield?

Hij. Waaröm zijn de Smouzen zoo gek, dat zij geen spek eeten? zij weeten wel beter, en zouden het zoo wel lusten als wij.

Ik. Waaröm eet Gij op uwe Vastendagen ook geen spek of vleesch, dan zoudt Gij het ook wel lusten (uit zijne redeneering merkte ik eenen Roomschen bij mij te hebben).

Hij. Dit verbied onze H. Kerk, en als ik dan op een' Vastendag vleesch of spek at, dan deed ik eene doodzonde,

Ik. Als een Jood spek eet, dan zondigt hij ook tegen zijnen Godsdienst, tegen zijne Wet, en deeze verbood welëer zeer wijslijk het eeten van Varkensvleesch, omdat hetzelve ongezond is, vooräl in een warm Land, gelijk dat Land was, waarin outijds de Jooden woonden en die Wet gegeeven wierd.

Hij. Dat kan wel zijn; doch een Smous doet gek, want zijne Religie is afgeschaft, en de onze niet. [ 34 ] Ik. Gij zijt zeker meer te bespotten dan een Jood; want het is belagchenswaardig alleen maar op zekere dagen zich van vleeschëeten te onthouden, en dit vasten te noemen, schoon men voor het overige zoo veel eet, als men kan.

Hij. Gij spreekt net als een Geus. – Ik was nog liever een Smous dan een Geus.

Ik. Wel! waaröm?

Hij. Omdat wij weeten, dat de Religie van de Jooden eens goed geweest is, doch de Geuze Religie is Kettersch, dit leert ons de H. Moeder de Kerk, en is nooit goed geweest. – Onder dit gesprek kwam ik te Berg-eik. Hier hield ik een sober ontbijt, en schreef onder hetzelve het bovenstaande gehouden gesprek woordenlijk af, ten minsten zoo ver ik hetzelve in mijn geheugen kon te rug roepen. – Gij ziet 'er uit, hoe men over een' Jood, over een' Hervormden denkt, en ik mag U veilig verzekeren, dat ieder Roomsche in de Majorij bijna zoo spreekt. Een Jood is altijd blootgesteld voor bespotting en uitjouwing; zeer dikwijls hoorde ik de kinderen in de Majorij den Jood naschreeuwen:

 "Smouse Gek!
 "Lusje geen Spek?"

Indien men hier eenen Hervormden zoo wel aan zijne gelaatstrekken en baard kon kennen als eenen Jood, hij ware zeker nog veel meer aan verächting en spot blootgesteld.

Ik hield te Berg-eik, het geen outijds Eik of [ 35 ] Eiken-berg genoemd wierd, mijn middagmaal, wandelde eerst na den middag herwaards, en had dus tijds genoeg, om dat Dorp te bekijken. – Die plaats ligt aan het Beekjen de Kierschop, zij is groot, doch de huizen liggen zeer verspreid. De Kerk is vrij ruim en niet onäartig, 'er staat een klein toorentjen op dezelve. Mij wierd verhaald, dat daar eertijds een sterk Kasteel gelegen heeft, het geen altijd eene sterke bezetting ter verdeediging in had, doch Mondragon liet het in den Spaanschen oorlog omwerpen; ook vertelde men mij nog, dat de pest in 1331 daar geweldig gewoed heeft, en vierhonderd menschen naar het graf sleepte.

Mijn maaltijd, dien ik 'er deed, was gering; hij bestond uit een' boterham van roggen-brood, eenige eiëren en een glas wit bier, het geen de eer niet heeft van mij te bevallen, schoon dit bier vrij algemeen in Kempenland gebruikt word; ik wilde mij eenen spekkoek laaten bakken, doch tot mijn ongeluk was het een vastendag, en men wilde mij dien derhalven volstrekt niet geeven. Het zou eene doodzonde geweest zijn, als men zelf spek gegeeten had, en het voor eenen Geus en Ketter (daar voor hield men mij gewis) klaar te maaken, dit was nog erger. – De herbergen zijn in Kempenland voor eenen Hollander in het algemeen vrij slecht, en men mag van deeze landstreek wel zeggen, gelijk ik ergens van Westfalen geleezen heb[1]:

[ 36 ]  Hospitium vile,
 Cranck broot, dun bier, langhe mile
 Sunt in Westphalia;
 Qui non vult credere, loop da.

Veränder Westphalia, slechts in Campinia (Kempenland), en dit vers is geheel op deeze landstreek toepaslijk; want men eet daar niets als roggen-brood; het bier, vooräl het witte, is 'er slecht, schoon men het echter op sommige plaatzen ook vrij goed vind; de uuren zijn hier wel smal maar zeer lang, want als zij hier spreeken van ééne uur gaans, dan mag men altijd wel rekenen op anderhalve uur, mits men nog daar te boven vrij sterk aanstappe. – in mijnen volgenden iets, veel of weinig, over Lommel. – Ik blijve altijd uw getrouwe en onveränderlijke

 Vriend.

  1. G. Mercator, Atlantis pag. 236.