Vergif/VII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VI Vergif van Alexander Lange Kielland

VII

VIII
[ 132 ]
 

VII.

De tien aandeelen die professor Lövdahl in de fabriek genomen had, waren het nieuwtje van de stad; en het ging zooals Jörgen Kruse voorspeld had. Er werd op de handelsvereeniging om de lijst gevochten; ja, er liep gedurende een paar dagen als het ware een speculatiekoorts door het anders zoo doode en trage handelsleven.

Na een veertien dagen kon Michal Mordtmann aan zijn vader telegrafeeren, dat er voldoende was geteekend.

De jonge Mordtmann straalde,—blij in het vooruitzicht aan het hoofd van zulk een grootsche onderneming te zullen komen,—en niet weinig trotsch er op, dat hij zijn kaarten zóó fijntjes had gespeeld. Om de booze gezichten van de latinisten bekommerde hij zich allerminst; het was de handelswereld—de realisten—die [ 133 ] hij moest veroveren en dat was hem gelukt.

Hij kreeg dan ook een erkentelijken brief van Isac Mordtmann en Co en nadere instructies met betrekking tot de directie die gekozen moest worden; professor Lövdahl moest er absoluut zitting in hebben.

Michal Mordtmann bracht dit den volgenden Zondag bij den professor aan huis op het tapijt; hij dineerde daar geregeld alle Zondagen; het was er overigens een beetje gedrukt in huis na die kwestie met Abraham; zijn vader ging voort den jongen te behandelen met een koelheid, die hem in de pijnlijkste spanning hield.

Eerst sloeg de professor de eer af om in de directie te zitten; hij had geen tijd genoeg voor zijn praktijk en bovendien deugde hij heelemaal niet voor zoo iets. Hij hield zich immers uit principe buiten zaken.

Mordtmann van zijn kant zei, dat het immers maar om den naam te doen was; van wezenlijk werk was er nooit sprake; de chef van de Bank, Christensen, zou administreerend directeur zijn; het was er alleen maar om te doen, dat de naam van professor Lövdahl in de directie gevonden werd.

"Kunt u me niet helpen om uw man over te halen, mevrouw?"

"Neen, mijn man gaat zijn eigen gang in al die [ 134 ] dingen," antwoordde mevrouw Wenche zonder op te kijken.

"Als jij het wenscht, dan wil ik graag deel van de directie uitmaken," zei de professor vriendelijk.

"Ik dat wenschen? maar wie zegt dat? hoe kom je er aan?" zei mevrouw Lövdahl zenuwachtig.

"Nu, nu, je interesseert je toch voor meneer Mordtmann's fabriek; en ik wil onzen jongen vriend ook wel graag een dienst doen. Dus—ik ben bereid in de directie te treden, meneer Mordtmann!"

"Duizendmaal dank!" antwoordde deze, zonder in zijn blijdschap op de uitdrukking van mevrouw Lövdahl's gelaat te letten; hij nam zijn glas op: "dus dat is dan alles in orde; nu geloof ik, dat het niet lang zal duren of de fabriek staat er."

Mevrouw Wenche voelde zich niet op haar gemak. De vertrouwelijkheid, zoo snel tusschen haar en Mordtmann ontstaan, begon haar al te hinderen; zij zag heel goed hoe haar man op elk woord en op elken blik tusschen hen lette; en zij voelde hoe hij dacht dat zij in de kwestie van de fabriek gemeene zaak met den jongen man had gemaakt.

En dat ergerde haar, omdat het niet zoo was. Maar zij wist dat haar eerlijkheid aan 't kortste eind zou trekken, als zij wilde beproeven zich te verdedigen tegenover het wantrouwen van haar [ 135 ] man en dat de verwikkeling er slechts des te grooter door zou worden.

Maar juist dit, dat zij tegen haar gewoonte de gedachte aan een opheldering opgaf, hinderde haar en maakte haar onzeker in haar verhouding tot haar man zoowel als tot den vreemdeling.

Daarbij kwam nog dat zij juist nu voor het eerst voelde, wat zij al lang gevreesd had, namelijk dat haar zoon van haar zou kunnen vervreemden of in elk geval dat er zich iets tusschen hen zou kunnen stellen en de onbegrensde vertrouwelijkheid wegnemen, waarin zij tot nu toe geleefd hadden.

Toen zij eindelijk de heele historie van Aalbom en Marius van Abraham zelf hoorde,—hij vertelde het met neergeslagen oogen en doodelijk verschrikt over wat hij gedaan had,—toen nam zijn moeder hem in haar armen en riep: Goede hemel, hebben ze je daarom zoo afgebromd? Alsof jij kon blijven zitten en toezien hoe ze je besten vriend pijnigden? je hebt flink gedaan, Abraham!"

Maar hij zag beschroomd naar haar op en voor 't eerst bemerkte zij met zorg, dat hij geen volkomen vertrouwen meer in haar stelde.

Op hetzelfde oogenblik viel het haar ook in, dat zij op die wijze haar man tegenwerkte, en den zoon tegen den vader in leerde; dat zij hem prees voor wat, zooals zij wist, haar man bedroefd en verschrikt had.

[ 136 ] Mevrouw Wenche had dikwijls gedacht dat het oogenblik komen moest, waarin de zoon de groote gaping zou ontdekken die er in de ernstigste dingen tusschen zijn vader en moeder bestond.

Maar zij had slechts aan de groote godsdienstige kwesties gedacht en zij was voorbereid geweest. Als Abraham langzamerhand zoo groot werd, dat hij om uitsluitsel van een en ander vroeg, dan zou zij hem open en eerlijk zeggen, dat zij volstrekt niet geloofde in dat alles, waarin andere menschen gelooven.

Die tijd was gekomen en zij had al meermalen met hem over dergelijke dingen gesproken. Het was moeilijk: maar zij hoopte toch altijd dat een groote openhartigheid van haar kant het hem duidelijk zou maken, dat hij in allen deele op haar kon vertrouwen, al had zij juist niet hetzelfde geloof als die anderen.

Zij meende dat het niet goed was om hem op alle huichelarij te wijzen die zij zag en te midden waarvan zij leefde. De professor nam Abraham mee naar de kerk, noemde tusschenbeiden "onzen Lieven Heer" en zoo wat; maar zij wist heel zeker dat er geen greintje waar Christendom in hem gevonden werd.

Maar dat kon zij haar zoon niet uitleggen en het was en bleef dus een groote moeilijkheid met die godsdienstkwestie; wèl leek het alsof [ 137 ] de godsdienst geen verderen vat op Abraham had, dan dat hij dien als schoolvak goed moest kennen en dat er een zekeren toon en een zeker gezicht bij hoorde als men naar de kerk ging.

Maar wat haar het meest hinderde, was dat zij, wanneer hij bijvoorbeeld vroeg: "Waarom ga je nooit naar de kerk, moeder?" kon hooren hoe die vraag in hem was opgekomen door ingevingen van buiten af; zij merkte dat anderen—zij wist niet wie—zijn attentie op die dingen in haar vestigden.

En toch had zij altijd hoop gehouden, dat het nog wel gaan zou. Ja, zij dacht soms zelfs wel eens dat het goed voor Abraham zou kunnen zijn om, wanneer het niet te ontwijken tijdperk van twijfel kwam, zijn eigen moeder onder de niet-geloovigen te vinden;—dat zou, meende zij, hem aanzetten tot een ernstige keus en er hem voor behoeden om laf te verdwijnen in de oneindige massa van huichelaars.

Maar hier was nu die schoolkwestie, zoo klein in verhouding tot gewichtiger dingen, maar zoo vol beteekenis, omdat die zoo duidelijk den afgrond aanwees die er bestond tusschen de twee aan wie deze eene toebehoorde;—hoe moest die kwestie opgelost worden?

In haar hart vond zij het een flinken trek in Abraham en zij had er hem des te liever om; [ 138 ] maar zij kon hem toch tegenover zijn vader en de school niet prijzen, omdat hij adjunct Aalbom een duivel genoemd had. Als het van den beginne af niet zoo ernstig opgenomen was geworden, dan had zij er misschien gemakkelijker over heen kunnen glijden door hem eens aan 't haar te trekken en tot kalmte te vermanen. Maar zooals het nu gegaan was, was het een groote kwestie geworden en zij vermocht niet die op te lossen. Intusschen stond Abraham voor haar en zag hij hoe zijn moeder in gedachten verdiept was; en toen zij eindelijk, zelf radeloos, zich omwendde en zag hoe de jongen daar even angstig en onzeker stond, toen wist zij niets anders te doen dan hem in haar armen te nemen, hem naar haar gewoonte heen en weer te wiegen en hem toe te fluisteren: "o arme kleine Abbemand: wat zal er van je worden!"

Hierdoor nog meer van de wijs gebracht, bleef Abraham in spanning; op school werd hij behandeld als een gevaarlijk misdadiger, dien men nog door een goede behandeling wil zien te redden; Aalbom was zelfs zóó vriendelijk dat het Abraham deed koken.

Eerst roemden zijn kameraden hem en voorspelden hem de vreeselijkste straffen. Maar toen alles kalmpjes overwoei en de leeraren even vriendelijk tegen hem bleven, vonden zij uit dat het [ 139 ] gemakkelijk was om te durven, als je de zoon van professor Lövdalhl waart.

Had hij maar straf gekregen, dacht Abraham zelf; maar die drukkende plechtigheid, die wonderlijke vriendelijkheid van alle zijden brachten hem eindelijk op het denkbeeld, dat hij werkelijk een uitschot was en dat er over gedacht werd om hem weg te sturen naar de een of andere inrichting. Hij werd bang en sloot zich in zichzelf op.

Zijn beste vriend—kleine Marius, lag daarbij ziek; hij had een hersenontsteking gekregen. De goede rector bezocht hem bijna elken dag en was heel bezorgd over zijn kleinen professor.

Maar zoo vaak zijn blik in de les op Abraham Lövdahl viel, stond dat tooneel hem weer levendig voor den geest; Abrahams grenzelooze stoutheid was zoo nauw verbonden met de ongelukkige ziekte van Marius dat het den ouden man ten laatste leek, alsof Abraham de schuld van alles was. Hij richtte bijna nooit het woord tot hem.

De professor gaf heimelijk acht op zijn zoon en overtuigde zich dat de behandeling, door hem in overleg met het schoolbestuur gekozen, zich deugdelijk bewees. Dikwijls had hij medelijden met Abraham, wanneer hij hem bleek en beschroomd in huis voorbij ging: maar hij bedwong zich zoo lang tot hij dacht dat het genoeg geweest was.

Toen zei hij eindelijk op een goeden dag: "Wij [ 140 ] hebben de zaak nu overlegd—wij—je ouders en de school; en we zijn tot het besluit gekomen dat we willen beproeven om je te behouden en je zoo mogelijk nog tot een goed en bruikbaar mensch te maken."

Abraham wierp zich in de armen van zijn vader en snikte luid. Zij hadden hem tot in zijn binnenste verschrikt; hij had gedacht dat hij in den vreemde zou worden gezonden; hij had gedacht—ja, welke griezelige dingen had hij al niet gedacht in de uren die hij wakker in zijn bed lag! En nu dat hij blijven mocht, leek de goedertierenheid en de zachtheid van zijn vader hem zoo overweldigend!

De professor gaf dien indruk tijd om zich te vestigen en zei daarop: "Ja, laat ons nu hopen dat je met de hulp van Onzen Lieven Heer ons niet dikwijls meer zóóveel verdriet zult doen."

Neen, dat zou Abraham zeker niet! hij voelde zich zoo gebroken en zoo vernietigd en zoo dankbaar voor de vergiffenis; hij zou nooit een bewijsje van oproerigheid meer geven.

Maar in het huis van mevrouw Gottwald met de kleine kamers was het stil en droevig; de bel van de deur was omwonden en zij had een juffrouw genomen om in den winkel te helpen.

Want het werd erger met kleinen Marius. Dokter Bentzen had aan professor Lövdahl gezegd dat [ 141 ] men maar moest hopen dat de jongen stierf; hij zou zijn verstand nooit terugkrijgen.

Dat wist mevrouw Gottwald niet; en nacht en dag herhaalde zij bij zichzelf: hij mag niet sterven, hij mag niet sterven. Het was toch onmogelijk en ondenkbaar dat het eenige wat zij had, haar zou ontglippen; zij had toch al zoo veel geleden.

Kleine Marius lag ratteknoopen in zijn laken te maken, met een gloeiend hoofd en half gesloten oogen. Hij mompelde bijna onafgebroken declinaties en conjugaties en regels en uitzonderingen, zijn arme hersens waren heelemaal in Madvig's dichte plooien gehuld en hij tastte angstig om zich heen in het duister.

Het waren heldere mooie voorjaarsdagen—juist het weer om hoop te koesteren; en mevrouw Gottwald liep af en aan; altijd trachtte zij een wending ten goede te zien.

Maar eens 's avonds werd het haar duidelijk dat het einde naderde. Kleine Marius werd onrustig en mompelde luider en luider.

"Kleine Marius—lieve kleine Marius! je moogt niet weggaan van je moeder; je moogt niet, want je weet niet wat je voor moeder bent, zeg dat je niet van me weg zult gaan,—zeg het toch!"

"Monebor, moneberis, monebitur, monebimur, [ 142 ] monebimini, monebuntur," antwoordde kleine Marius.

"Ja, je bent een knappe jongen!—je bent de knapste van de klasse in het latijn, dat heeft de rector vandaag nog gezegd toen hij hier was. Maar je herkende hem niet, maar je kent mij, niet waar? kleine Marius, je kent moeder? — zeg—niet waar?—je kent me?"

"Ad, ad versus, ante, apud, circa, circiter," begon kleine Marius.

"Neen, neen, lieve kleine Marius!—geen latijn, dan ben je lief. Ik weet wel hoe knap je bent, en ik ben zoo dom—dat weet je. Maar zeg me maar dat je me kent, dat je blij bent om mij, dat je niet van me weg zult gaan, dat ik je lieve moeder ben,—zeg dat maar,—zeg maar: lieve moeder!—zeg maar: moeder!"

"— fallo, fefelli, falsum," antwoordde kleine Marius.

O God, o God, die vreeselijke taal! wat hebben zij mijn armen jongen gedaan! hij zal sterven zonder zijn moeder genoemd te hebben, zijn ongelukkige misdadige moeder, die zijn leven heeft weggenomen met die vervloekte geleerdheid!"

Zij stortte zich de gang in, in de hoop dat de dokter er was; maar het was slechts een van de bovenbewoners die thuis kwam.

Toen ging zij terug naar de slaapkamer; maar [ 143 ] in de deur klapte zij in haar handen en riep in groote blijdschap:

"O God zij gedankt! nu ben je zeker veel beter, kleine Marius! je lacht zoo vergenoegd!"

"Mensa rotunda," antwoordde kleine Marius en hij stierf.



Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/VII&oldid=49654"