Vogelkiekjes/XI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
X. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XI

XII.


[ 37 ]
 

XI.


Op bezoek bij de Regenfluiters.


Amerika heeft zijne regenmakers, wij hebben onze regenfluiters. Jammer, dat we ze in dagen van langdurige droogte niet kunnen gebieden voor een verkwikkend regenbuitje te zorgen, want die fluiters zijn vogels en nog wel schuwe en ongezeggelijke. Ze leven bij ons op de heidevelden en graslanden, als mede in de duinen en op de bij ebbe droogvallende schorren en zandvlakten. Men noemt ze Wulpen en plaatselijk ook wel Tuters, Slieten, Drupen, Alievogels enz.

Wilt ge ze zien? Ga dan maar mede, doch vergeet uw binocle niet en neem u voor, kalm en omzichtig te zijn, want anders zult ge er niet dicht genoeg bij kunnen komen.

Hoor, kie-loej! Dat is het geluid van den Grooten Wulp (Numenius arquata L.), en we hebben er reeds in te hooren een waarschuwingsteeken. We kunnen er zeker van zijn, dat ginds een troepje aan het voedselzoeken is, en dan hebben de vogels hunne wachten op post. Zoodra ze maar eenig onraad bemerken, wordt het „wacht u!" uitgeroepen, en klinkt een tweede signaal, dan kan men er zeker van zijn, dat de troep op de vleugels gaat en naar veiliger oord afdrijft. Jawel, daar gaan ze reeds heen, de groote vogels, en we kunnen ze op veel te grooten afstand voor goede beschouwing nakijken. Dan maar naar de duinen, waar we misschien een paar broedvogels kunnen zien, en waar we ons beter in bedekking kunnen begeven.

[ 38 ] Juist, „kie-loej!" Ook al dat waarschuwingsgeluid. Kijk, daar zit de voortbrenger er van, op dien duintop! En nu is het er maar een. We kunnen nu vrij zeker zijn, dat het wijfje ergens op het nest verblijf houdt. Zie, daar vliegt het heen in de richting van het mannetje en samen trekken ze verder. Nu achter gindschen duinrichel, en dan geduld!

't is hier mooi. Kneutjes en paapjes zingen hun vroolijke liederen en ze dartelen rond op de hoogste takjes van de duindorens. Stellig zouden we ook hunne mooie nestjes in de vorken dier dorens kunnen vinden, doch we moeten nu acht geven op den Wulp. Door het helmgras zien we een tamelijk grooten vogel stappen. Hij is het, de verwachte! En hoe mooi kunnen we hem nu waarnemen. Verroer geen vin nu, want dan is alles weer verloren!

Kolossaal, wat een langen snavel heeft zoo'n Wulp, en hij is benedenwaarts gebogen! Ja, zoo'n bek van den 6 d.M. langen vogel meet wel 12 c.M., en aan het zand bij den wortel en bij de oogen kan men zien, dat die snavel gedurig diep in den bodem gestoken wordt, ter bemachtiging van pieren en allerhande plantenbeschadigers. Op de zandvlakte, aan de kust, worden ook wel slakken en kreeftdiertjes opgegeten.

Deftig stapt de groote vogel, en nu eens kunnen we het leeuwerikkleurig lijf aan de zijden en dan weer aan voor- of achterkant bekijken. O wee! daar gaat de vogel weer op de vleugels. Doch neen, hij vliegt maar een klein stukje, en dan loopt hij weer op die met ruig begroeide plaats toe. Ge kunt er van opaan, dat daar het nest zal zijn. Weg is de Wulp, verdwenen tusschen het helmgras! [ 39 ] En op gindsche hoogte zit het mannetje alweer op den uitkijk.

We verlaten onze bedekking en houden het oog gericht op de plaats, waar we onzen vogel hebben zien verdwijnen. En zoodra we ons oprichten, hooren we weer „kie-loej, kie-loej!" van den wachter, en we zien z'n wijfje snel loopende het schuilhoekje verlaten, om weldra op de vleugels den echtgenoot te naderen. We zullen nu stellig het nest vinden, dat we anders niet zoo gemakkelijk ontdekt zouden hebben.

Voorzichtig! Ha, daar is het! Vier groote, peervormige eieren, groenachtig van grond en voorzien van vele donkerbruine vlekken, mooie randjes vormende om het dikste gedeelte, liggen met de puntige polen naar elkander gekeerd in het ruime, zeer eenvoudige nest, dat evenwel aardig verborgen is onder het ruig. Zulke eieren zijn zeer goed van smaak, en daarom worden ze gedurig geraapt. 't Is evenwel jammer voor de nuttige vogels. Wanneer we het legsel voldoende bezichtigd hebben, gaan we weer spoedig heen, omdat we de dieren niet te lang in onrust willen laten blijven. Over enkele dagen zullen dan de jonge wulpjes wel te voorschijn komen, en ze zullen dadelijk na de geboorte het nest verlaten.

Wanneer we de duinen verlaten, zien we op de weide een troepje Wulpen van kleinere afmetingen, doch overigens gelijken ze volkomen op de groote soort, althans op eenigen afstand. Die kleinere dieren heeten Regenwulp (Numenius phaeopus L.) Het geheele jaar door kan men van deze soort voorwerpen bij ons vinden, doch broeden doen ze hier nimmer, wel in veel Noordelijker streken.

Slechts zelden komt nog een derde Wulpsoort bij [ 40 ] ons, die naar den aanmerkelijk dunneren snavel Dunbekwulp (Numenius tenuirostris Vieill.) genoemd wordt. Hij broedt in Zuid-Europa.

De Wulpen laten bij donker weer gedurig hun gefluit hooren. Vandaar dat ze Regenfluiters genoemd worden. De profetische eigenschappen zullen wel niet ontwikkeld zijn. Evenwel begroeten we deze kromsnavels gaarne op landerijen en stranden.