Vogelkiekjes/XII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XI. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XII

XIII.


[ 40 ]

XII.


Kleine Bouwmeesters.


Hoort ge den Spotvogel? Hoog in den top van dien beuk zit hij, zijne nabootsende zangen luide gevende. Geelborstje, Geelbuikje, Citroentje, Gele Hofzanger, Berkenbastje, Wilde Kanarie, 't zijn allemaal plaatselijke namen voor hetzelfde zangertje en ze duiden allemaal op zijne kleur.

Niet lang woont de Spotvogel in ons land, elk jaar slechts vier maanden, maar 't is tijd genoeg, om het mooie nestje gereed te brengen en voor het kroost zorg te dragen.

't Is het mannetje, dat luide zingt van een lief vrouwtje, dat broedt in gindschen meidoorn. Zie, daar liggen eenige droge grasjes op den grond, wat aanwijzing genoeg is, om het nest er boven te zoeken. Jawel, keurig zit het verborgen tusschen drie takjes, die een vork vormen, en over den rand er van gluurt een lichtgeel [ 41 ] vogelkopje. De beweging onder het nest wordt het wijfje te machtig, en het wipt weg tusschen de jonge meidoornblaadjes. Onmiddellijk staakt het mannetje zijn gezang, en weldra kan men een klagend geluid vernemen.

't Zijn de hoorbare uitingen van gemoedsbewegingen dezer kleine vogels. We willen dan ook spoedig heengaan. Vluchtig bekijken we het werk van de bouwmeestertjes en vol bewondering zijn we. Zoo zuiver toch is de rand bewerkt, en zoo prachtig komvormig is het tamelijk diepe nestje! En hoe mooi zijn de eitjes, vijf in getal, rosekleurig met donkerroode vlekjes en stipjes. 't Is een van de grootste schoonheden der natuur, en men kan het elk voorjaar in alle boschjes, hoven en tuinen van ons vaderland bewonderen.

We zullen heengaan naar den rand van het bosch, waar we nog weer andere kunstwerken van kleine bouwmeesters kunnen vinden.

De Spotvogel zingt alweer, zoodat de angst voorbij is en het wijfje stellig de plaats op het nest heeft hernomen.

Jawel, „karre-karre-kiet!" Dat is het geluid van een klein, bruingekleurd vogeltje, hetwelk zich in het riet ophoudt, en dan ook tot de rietzangers gerekend wordt. Naar dat geluid wordt het ook Karekiet en wel Kleine Karekiet genaamd, omdat er ook nog een grootere soort is, die enkel Karekiet heet.

Ha, daar vliegt het Karekietje laag boven het riet, zoodat we het bruin van de bovendeelen mooi kunnen waarnemen. Doch spoedig valt het weer tusschen de rietstelen, waar het gemakkelijk bij op- en afklautert. Het doet dit niet alleen uit pleizier, maar ook om weg [ 42 ] te snappen menig mugje en ander klein goed, dat zoo veelvuldig op en tusschen het riet aanwezig is.

En nu eens naar een nestje van deze vogelsoort gezocht. 't Zal niet gemakkelijk gaan, het tusschen het dichte riet te ontdekken. Toch wel! Wip even over de sloot en neem dan het einde van dezen langen stok, waarvan ik het andere vasthoud. En nu voorzichtig den stok over het riet geschoven, zoodat de stelen daaronder met een vaartje wegslaan. En nu goed toekijken. Hoor, er ritselt iets in het riet. Daar wipt het weg, en .... ja, 't is een karekiet. Voorzichtig verder gegaan! Halt! We zijn er.

Welnu, wat zegt ge van het bouwwerk van ons bruintje? Prachtig, niet waar? Hoe keurig is het diepe nest opgehangen tusschen vier rietstengels, en hoe goed is het er om vastgeweven! Ja, zoo'n nest doet denken aan de kunstige nesten van de wevervogels. Er liggen vijf eitjes in, groenachtig met grijs, net marmerbrokjes. Wat een lief wiegje is zoo'n nestje strakjes voor jonge karekietjes! Heerlijk zullen ze door den wind geschommeld worden en de rietbladeren zullen een slaaplied voor hen ruischen. En als de kindertjes groot zijn, zullen ze ook klimmen langs de rietstelen, en muggen en oeveraas zoeken, en acrobatische toeren verrichten, zoo behendig en gemakkelijk, dat Carré er naar watertanden zou. Gedurig ook zullen ze hun „karre-karre-kiet" laten hooren, en de menschen zullen zeggen: „hoor de rietvinkjes eens vroolijk zijn!"

Wie het nest van den grooten Karekiet wil vinden, moet zich begeven naar het moeras of naar plassen met rietkragen begroeid. Deze vogel heeft steviger stelen noodig, omdat zijn nest veel grooter en zwaarder is, doch het [ 43 ] wordt op dezelfde wijze samengesteld, als dat van zijn kleinere evenknie. Zeer luide zingt de Rietlijster, zooals de Groote Karekiet wel genoemd wordt, zoodat men hem al hoort, wanneer men nog honderden meters van hem verwijderd is.

Wanneer men met gevoel en met besef de kunstwerken van Spotvogel en Karekiet beziet, dan heeft men zeker eerbied voor wat deze kleine dieren gewrocht hebben met snavel, pootjes en borstje. Ja, vooral het laatste lichaamsdeel, waarin zooveel reine liefde voor het te verwachten kroost moet wonen, doet gewichtige diensten bij de samenstelling van het onvolprezen werkstuk. Daarmee moet ieder haartje en ieder vezeltje aangedrukt worden, daarmede ook moet de zuivere ronding worden verkregen.

Kleine bouwmeesters, uw werken zijn groot! We zullen ze sparen en beschermen als alles, wat door groote meesters gewrocht is.