Vogelkiekjes/XLIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XLIII. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XLIV

XLV.


[ 145 ]

XLIV.


Herfstgasten.


Pang! pang! Jawel, lichte maan. Dan moeten de ganzen het ontgelden. Ik bedoel de wilde landganzen, want de zeeganzen blijven stilletjes buiten in het ruime sop.

Bij dag zijn de landganzen niet gemakkelijk te naderen. Wel ziet men ze vliegen in troepen en ze lijken dan net beweeglijke wolken. Ook trekken ze wel in den bekenden V-vorm over den jager heen, maar zoo hoog, [ 146 ] dat men alleen met een kogel een der dieren zou kunnen raken, doch de trefkans is daarbij zoo klein, dat men gewoonlijk „pech" heeft. Neen, wie ganzen wil schieten, wacht het lichte maantje af, om zich, vóór dat de schemeravond invalt, verdekt op te stellen bij de plaatsen, waar men weet, dat de ganzen zich op de groengronden te goed zullen doen. 't Is wel een koud werkje, want men heeft soms zoo een paar uur te wachten, eer de buit nadert. Maar eindelijk, daar komen ze, de niets kwaads vermoedende dieren, die zich den ganschen dag, ver buiten eenige bedekking, op de schorren hebben opgehouden. Het nog malsche herfstgroen, ginds bij de plassen binnen den dijk, zal smaken. Reeds strijken de dieren in schuinsche richting naar omlaag; reeds zoeken ze met hun scherpziende oogen naar de beste plaatsen, of ... pang, pang! daar stuift het moordend lood naar boven. Gewoonlijk vallen er eenige schoten, want verschillende jagers spreken wel samen af, en meermalen ook weet men ganzen naar omlaag te doen buitelen. Toch gebeurt het ook, dat er wel raak geschoten wordt, doch niet doodelijk, en dan vliegt de gekwetste gans wel buiten het gezichtsveld van den jager, om ergens aan de bekomen wonde te verkwijnen of te sterven. Zoo'n exemplaar valt dan wel in de handen van den wandelaar, die den volgenden dag toevallig het dier vindt.

Zijn er schoten gevallen, dan vliegen de ganzen in wilde vlucht verder, en ze komen dien avond niet op die gevaarvolle plaatsen terug.

De ganzen kunnen aan den boer soms heel wat schade berokkenen, ook op de bouwlanden, waar ze het [ 147 ] wintergraan met wortel en al uit den bodem rukken. Daarom worden dikwijls door de boeren machtigingen gevraagd voor zich of voor hunne knechten, opdat zij zonder jachtakte op dit en op ander schadelijk wild kunnen schieten. Men beweert wel, dat er door dezulken ook wel eens gewoon jachtwild gedood wordt. Misschien gebeurt het bij ongeluk, want een boer is niet zoo maar dadelijk een scherpschutter. En dan kan je op het eene beest mikken, en het andere soms raken. En wat moet je dan doen? Nu, dat weet de boer wel!

Zeer groot kan het getal wilde ganzen zijn, dat in herfst- en voorjaar bij ons verblijf houdt. Ook in het hartje van den winter zijn er nog wel wilde landganzen in de zeepolders, maar die zijn nog weer van een andere soort. Daarover later.

De echte Grauwe Gans, de Anser anser (L.), komt begin October bij ons in groot aantal, en dan hangt het van weer en klimaat af, hoelang ze onze gasten blijven. Wordt het hun hier te bar, dan trekken ze Zuidelijker, totdat ze in Lentemaand opnieuw weer hier komen, om in April naar de broedplaatsen in Noordelijker oorden te trekken. In ons land heeft lang een troepje gebroed, in Friesland bij Eernewoude en op Texel is eenmaal een ei gevonden, maar 't is sedert eenige jaren uit, en nu broedt er geen enkele wilde gans meer in ons land, nòch van de land-, nòch van de zeeganzen. Een oud spreekwoord leert ons, dat men de vogels aan de veeren kent, maar meermalen toch ook heb je de bekken er bij noodig, om precies te weten, met welke soort men te doen heeft. Zoo ken je de Anser anser aan den snavel, die oranjegeel is, met rose aan de zijden en met wit aan den [ 148 ] voorkant. Want deze wilde gans is lang niet de eenige, die zich hier in het najaar ophoudt. Ook de Kolgans of Anser albifrons albifrons (Scop.) mag genoemd worden. Deze soort komt wat later, doch blijft een weinig langer, daar ze alleen bij strenge koude naar het Zuiden gaat. Kolgans heet ze naar een witten vederband, die om den wortel van den bovensnavel loopt. Hieraan en aan den vleeschkleurigen bek is zij goed te kennen.

En dan noemen we nog de Rietgans of Anser fabalis fabalis (Lath.), die zich ook elk winterhalfjaar bij ons vertoont, zij het dan ook veel minder menigvuldig dan de beide andere soorten. Zoo'n Rietgans is weer te kennen aan den zwarten snavel, die in het midden roodachtig is. Verder zijn er voor de drie genoemde soorten nog wel verschillen in het vederkleed op te noemen, maar deze zijn niet opvallend. De snavelkenmerken zijn in deze de beste.

Een ganzenbout is niet te versmaden, vooral niet wanneer het er een is van een niet al te oud voorwerp. De oude dieren kent men nogal aan de zwarte vlekken, waarmede de onderdeelen versierd zijn.

Dat de ganzen door d'eeuwen heen een gezocht wildbraad geweest zijn, leest men maar al te vaak. In bijna alle geschiedkundige romans wordt men onthaald op ganzenlever en ganzenpasteitjes. En niet alleen in den Elzas doet men zich te goed aan „pâte de foie gras”.

Misschien zijn de ganzen, die eenmaal het Kapitool redden, nog wel de nuttigste geweest.