Vogelkiekjes/XXXIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXXIII. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

XXXIV

XXXV.


[ 112 ] [ 113 ] zich nader bij den Koning der zangvogels aansluitende, geen Nachtegaal.

 

 

XXXIV.


Lijsterstrikken.


Ze worden weer in gereedheid gebracht, de duizenden en tienduizenden paardenharen strikken, die, in takkenbogen gestoken, tegen September weder uitgehangen worden in de meeste kreupelboschjes van ons vaderland. Bij elk twee- of drietal strikken wordt een trosje glimmend roode lijsterbessen gestoken, en wee het lijstertje, dat zich door het begeerlijk aas verlokken laat. Niet gemakkelijk zal het aan den strop ontkomen. En gelukkig dan nog maar, wanneer de strik om den hals van den vogel valt, want dan is het proces spoedig geëindigd. Maar wanneer poot of vleugel gegrepen is, breekt er een smartelijk lijden voor het dier aan. Ernstige pogingen worden aangewend tot herkrijging van de lieve vrijheid, zoo zelfs, dat de strikker meermalen een lijster vindt, waarvan een der extremiteiten gedeeltelijk uitgerukt is. En zoo'n worsteling heeft uren kunnen duren, want de strikken worden dagelijks maar een of twee keeren nagezien.

Het strikken van lijsters is wel een moorddadig werk, en duizenden nuttige vogels worden er door aan de Natuur onttrokken. Niettemin is het in de laatste drie maanden van het jaar geoorloofd. Zeer groot kan het [ 114 ] aantal lijsters zijn, dat in een enkelen dag buitgemaakt wordt, want hongerig en vermoeid komen sommige soorten hier van hare broedplaatsen aan, zoodat ze dan gretig op het lokaas aanvallen. Vangsten van 200 per dag door een enkelen vanger zijn geene zeldzaamheid.

Enkele lijstersoorten broeden ook in onze tuinen en bosschen, doch ook de gelederen van de hier-geborenen worden elk najaar sterk gedund, en dat is wel het meest te bejammeren. Want niet alleen zijn de lijsters door hare montere vormen en aangenamen zang beminnelijke vogels, maar ze zijn ook hoogst nuttig voor boomkweekers en tuinlieden.

't Best van de tien lijstersoorten, die in grooter of kleiner aantal bij ons voorkomen, is zeker wel bekend de Zwarte Lijster of Merel (Turdus merula merula L.), de veel bezongen Gieteling. Met hoeveel bevalligheid wipt zij over de gazons en door de bloemperken van allerlei tuinen! Prachtig glimmend zwart is het vederkleed en oranje-geel de snavel van de oude mannetjes. De wijfjes hebben gewoonlijk een zwarten bek en de jongen zijn te kennen aan het bruinzwarte pakje. Ook zelfs des winters, wanneer de meeste lijsters naar warmer oorden zijn verhuisd, blijven nog talrijke merels bij ons wonen, zij het dan ook hoofdzakelijk mannetjes. Ze komen dan onmiddellijk bij de woningen, en de bessen van hulsten en andere struiken zijn hun welkom. Gaarne ook willen we medehelpen deze ons trouw blijvende voorwerpen door het barre getijde te helpen.

De Merel, die in toenemend aantal ook in onze steden woont en broedt en er haar fluitenden zang, waaruit iets weemoedigs spreekt, vooral in de lente laat hooren, [ 115 ] bouwt haar nest dikwijls vroeg in het voorjaar, om twee broedsels per jaar groot te kunnen brengen. Men vindt het op onderscheidene plaatsen, zoowel in struiken en heesters, als op boomen, in holten en op begroeide muren. Het wordt stevig gemaakt van mos, bladeren, plantenvezels en nog andere zelfstandigheden, die stevig met aarde aan elkaar geplakt worden. In het diepe kommetje hebben de blauwgroene met kaneelkleurige vlekjes versierde eieren, vier of vijf per legsel, een zacht bedje, en later worden de jongen er gedurende 2 à 3 weken trouw in bewaakt en gevoederd.

Ook de Zanglijster (Turdus musicus musicus L.) is veel meer dan vroeger broedvogel van Nederland, en ook haar kunnen we het geheele jaar door bij ons vinden, doch des winters alleen in enkele exemplaren. In September en October komen dichte drommen uit de Russische en Siberische bosschen hier doortrekken tot groote blijdschap van den strikker, die in de enkele dagen, welke het leger hier toeft, dikwijls goede zaken weet te maken. In het voorjaar vindt men overal in naald- en loofhout nesten van de Zanglijster, naar haar geelachtig en zwartgevlekt kleed ook Grijze Lijster en Grauwtje genoemd. Zoowel op naald- als op loofhout worden de napvormige nesten geplaatst. Stevig zijn ze gebouwd als die van de Merel, maar eigenaardig is de bekleeding, daar deze bestaat uit een geelachtig grijze stof, fijne houtmolm met speeksel vastgeplakt. De eieren zijn mooi groen met zwarte of donkerbruine stippen. Om den fraaien zang heeft men de zanglijster gaarne in de kooi.

Nog broedt in bijna alle provincies van ons land de Groote Lijster (Turdus viscivorus viscivorus L.), die ook [ 116 ] Mistellijster, Dubbele lijster en Appellijster heet. Nooit komt ze echter veelvuldig voor. Haar vederkleed komt overeen met dat van de Zanglijster, doch de vlekken op de onderdeelen zijn grooter. Deze mooie vogel komt ook op den trek weinig voor, zoodat er ook niet veel in de lijsterstrikken gevangen worden.

Andere lijstersoorten, waaronder de Koperwiek het veelvuldigst voorkomt, zullen we nog later zien.

Behalve lijsters, verhangen zich ook nog tal van andere vogels in de paardenharen stroppen. Met dit strikken verdienen verscheidene menschen iets, doch dit weegt lang niet op tegen het wegnemen van zooveel keurige en nuttige vogels uit de Natuur.