Arbeiders (Kielland)/X

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IX Arbeiders van Alexander Lange Kielland

X

XI


[ 103 ]

X.

De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders; het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine had geschreven.

[ 104 ] Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene andere manier geld zien te verschaffen.

Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op, en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat er bericht van den koning zou komen, en dat hij—Njaedel—gelijk had.

Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen; zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur."

Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij [ 105 ] juffrouw Hilda voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest, liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen.

Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok de deur schielijk achter zich dicht.

Christine zag haar zeer verwonderd aan.

"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij verboden, je te bezoeken."

"Waarom?" vroeg Christine ernstig.

Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet waar kan zijn."

"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden ernstigen toon.

"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda, en zij wilde weggaan.

"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast.

"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?"

"Wie?"

"Ja, ik.... en.... en...."

"En?.... wie meer?"

"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang. dat mama te weten zal komen, dat ik hier toch ben."

Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij had gedaan.

Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste, wat [ 106 ] zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou zij hebben gedaan!

"Ik wil naar huis, oom Anders."

"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij bedaard.

"Weet u er ook van," riep Christine uit, maar wat heb ik dan toch gedaan?"

"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister gezegd."

"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve, lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine.

"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om die reden terugkomt," zeide haar oom.

"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam.

"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij wrong de handen.

"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen, vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk.

Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed; dat zij oom Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden.

Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men thuis zou [ 107 ] kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was.

"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven, dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was, zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier, dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed.

Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten aan mijnen goeden vader en den opperloods.

Uwe gehoorzame dochter, 

Christine. 


Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was, als een klein meisje voor haar beefde.

Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij een ongelukskind was.

Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid harer eenige dochter, meer te beschouwen als [ 108 ] een verwijt, dat deze er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was.

En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde, kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden."

Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij, wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren.

Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten schuiven, ten deel vallen.

In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen; de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen, om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij niet, eindelijk klaar [ 109 ] was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister.

Hiermede was de zaak uit.

Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen, zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn, zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij, wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen.

"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda, weet er zeker wel alles van, hé?"

"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en zij werd bloedrood.

"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste, wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!"

"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Franchise te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda.

"Och ik begrijp heel goed, dat hij geloofd er mee te [ 110 ] moeten voortgaan, nu hij het eenmaal is begonnen."

"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij, deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op ons bal, als ik mij wel herinner."

"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd, daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat, had aangehoord.

"Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama, maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een' grondbezitter in Zweden getrouwd."

"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord terugvorderde?"

Sophie stelde belang in het minste, wat Delphia betrof.

"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen, zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!"

"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger winden."

"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda aarzelende.

"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten toon.

"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke histories. De heeren zijn elkander allen hierin [ 111 ] gelijk, geloof mij maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en zoo zij dat waren; zou het ook al niet goed zijn."

"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het hoekje van de sofa.

"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst."

Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist, toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge heeren gaarne een kopje thee mede drinken."

De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden, en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan, wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was.

De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend de coquette.

Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar aan op eene [ 112 ] wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks alles innig lief."

Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk of wel lieftallig al naar het viel.

Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde, toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk weer heengaan.

"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen.

"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen," riep Alfred vrij luid.

"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede bedoeld werd.

„Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan."

"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden in het minst niet begrepen had.

"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn ideaal van eene vrouw er uit moet zien?"

"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames hem toe.

[ 113 ] "Alfred!" riep de dokter uit.

"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op hare kousen nog wel."

De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar hij heen wilde.

"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder."

Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: dan moet zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand zijn geboren en naar den koestal ruiken...."

"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende toe.

"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine, die lange Christine, die bij den concierge woont, niet waar?"

De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde.

"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zoo niet," zeide Alfred.

"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe.

Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien, ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...."

"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten.

"Maar Johan," zeide nu mevrouw, wat beteekent zulk een gedrag, ik verzoek je vriendelijk...."

"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het [ 114 ] niet langer dulden wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift.

"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?"

Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen: "Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen, dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den gang te maken.

Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan, vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren af, dan het in werkelijkheid was geweest.

"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis uitkomt," vroeg zij.

"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had," antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben ik bang, dat haar heengaan niet veel zal helpen; met een karakter, als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit te volharden; hij zal hare [ 115 ] verblijfplaats trachten op te sporen, en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren."

"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, maar nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...."

"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene kleine diplomatieke pauze.

"Nu?" vroeg zij.

"Nu ja! zoo wij hem wegzenden."

Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn."

"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaide... wees bedaard... overijling deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil hem er nu verlof toe geven."

"En mag hij lang wegblijven?"

0p zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke betreft, van eenig nut zal zijn."

"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Voor te gaan slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne buitenlandsche reis terugkwam.