De Lotgevallen van Tom Sawyer/Hoofdstuk VIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Lotgevallen van Tom Sawyer
Hoofdstuk I · Hoofdstuk II · Hoofdstuk III · Hoofdstuk IV · Hoofdstuk V · Hoofdstuk VI · Hoofdstuk VII · Hoofdstuk VIII · Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X · Hoofdstuk XI · Hoofdstuk XII · Hoofdstuk XIII · Hoofdstuk XIV · Hoofdstuk XV · Hoofdstuk XVI · Hoofdstuk XVII · Hoofdstuk XVIII
Hoofdstuk XIX · Hoofdstuk XX · Hoofdstuk XXI · Hoofdstuk XXII · Hoofdstuk XXIII · Hoofdstuk XXIV · Hoofdstuk XXV · Hoofdstuk XXVI · Hoofdstuk XXVII
Hoofdstuk XXVII · Hoofdstuk XXIX · Hoofdstuk XXX · Hoofdstuk XXXI · Hoofdstuk XXXII · Hoofdstuk XXXIII · Hoofdstuk XXXIV · Hoofdstuk XXXV · Hoofdstuk XXXVI


Hoofdstuk VIII.[bewerken]

Tom sloop voort door straten en stegen, totdat hij uit het vaarwater van de terugkerende schooljeugd was, en gaf zich toen aan zijn sombere gemoedsstemming over. Hij stak een paar keer met een schuitje een smal strookje van de rivier over, omdat er onder de jeugd werd beweerd, dat het oversteken van water voor vervolging bewaart. Een half uur later was hij achter het huis van de weduwe Douglas verdwenen, die op Cardiff Hill woonde, en het schoolgebouw was nauwelijks meer in de vallei achter hem te herkennen. Hij trad een dicht woud binnen, kroop door struiken en ongebaande wegen voort, totdat hij het midden bereikt had, waar hij ging zitten op een mosachtig plekje onder een breedgetakte eik. Er was geen zuchtje in de lucht; de drukkende middaghitte scheen zelfs de zingende vogels tot rust gebracht te hebben. De natuur lag in een staat van bewusteloosheid, die door geen geluid werd verbroken, dan soms door het verre gehamer van de boomspecht en dit scheen de alles doordringende stilte nog stiller en de eenzaamheid nog eenzamer te maken. De ziel van Tom was erg bedroefd en zijn gevoelens waren volkomen in overeenstemming met het toneel om hem heen. Met de ellebogen op de knieën gesteund en de handen onder de kin, bleef hij in gepeins verzonken zitten. De aarde scheen hem op zijn best een tranendal en hij benijdde bijna Jimmy Hodges, die daaruit was verlost. Het moest zo vreedzaam wezen, dacht hij, on voor eeuwig in dromen verzonken onder de aarde te liggen, terwijl de wind door de bomen ruist en het gras en de bloemen kuste, en er niets meer was om zich over te kwellen en te bedroeven. Indien hij slechts een goed getuigenis van de zondagsschool kon meekrijgen, zou hij volgaarne willen optrekken en met dit leven niets meer te maken hebben. En wat nu dit meisje betreft,—wat had hij gedaan? Niets. Hij had het goed met haar voorgehad en was als een hond behandeld, ja, als een hond. Eens zou het haar berouwen, wellicht wanneer het te laat was. O, indien hij slechts tijdelijk mocht sterven.

Doch het veerkrachtige gemoed van de jeugd blijft niet lang in een kunstmatig opgeschroefde staat van droefheid en moedeloosheid. Weldra werd Tom onmerkbaar tot de bemoeiingen van dit leven teruggevoerd. Als hij de wereld eens de rug toekeerde en geheimzinnig verdween? Als hij eens heenging — ver, ver weg, in onbekende landen over de zee — en nooit terugkwam? Hoe zou zij zich dan wel voelen? Het denkbeeld van clown te worden kwam hem ook weer voor de geest, doch alleen om hem met afschuw te vervullen. Want, was het zich moeten bezighouden met grappen en kluchten en met gouden sterretjes bezaaide tricots niet een belediging voor een geest, die omhooggestegen was naar het onbestemde, verheven rijk van het onbegrijpelijke? Nee, hij zou soldaat worden, en na jaren en jaren oorlogvoeren, het strijden moe, met roem beladen terugkeren. Nee, nog beter; hij zou zich bij de Indianen en buffeljagers voegen en het oorlogspad betreden in de bergen, in de onmetelijke, ongebaande vlakten van het verre Westen en later terugkeren als een groot opperhoofd, getooid met schitterende veren en afzichtelijk met verf besmeerd — en hij zou op een zomerse sabbatmorgen met een hoge borst de zondagsschool binnentreden en daar een krijgsgeschreeuw aanheffen, dat zijn makkers het bloed in de aderen deed stollen en hen doen verteren van jaloezie. Ook dat niet; er was iets nog grootser dan dit. Hij zou zeerover worden. Ja, dat was het! Nu lag de toekomst duidelijk voor hem, schitterend van ondenkbare pracht. Zijn naam zou de aarde vervullen en de volkeren doen beven. Hoe roemrijk zou hij de woedende zeeën ploegen met zijn snelvarende, zwart gekleurde roofschip, “De Geest van den Storm,” waarvan de schrikaanjagende vlag grimmig van de voorplecht zou wapperen. En wanneer hij het toppunt van roem had bereikt, zou hij opeens in het oude stadje terugkomen en de kerk binnen stappen met een door storm en onweer gebruinde huid, in een zwartfluwelen wambuis en wijde broek, met hoge kaplaarzen, donkerrode sjerp en met een gordel vol zware pistolen en een in misdaad geroeste sabel aan zijn zijde. En zijn hoofd zou bedekt zijn met een diep in de ogen gedrukte hoed, met een wuivende verenbos getooid, en in de hand zou hij zijn ontplooide banier dragen, die met een schedel en gekruiste doodsbeenderen beschilderd zou zijn, en met nameloze verrukking zouden zijn oren het gefluister vernemen:

“Dit is Tom Sawyer, de zeerover, de schrik der Spaansche zee!”

Ja, zijn plan stond vast, zijn loopbaan was aangewezen. Hij zou van huis weglopen en zo spoedig mogelijk zijn nieuw beroep ter hand nemen, hij zou morgen vertrekken en daarom ogenblikkelijk met het maken van de nodige voorbereidingen beginnen en zijn bezittingen bijeenverzamelen.

Te dien einde liep hij naar een verrotte houtmijt, die in de nabijheid stond en begon die met zijn mes aan de ene zijde te ondergraven. Spoedig stootte hij op een stuk hout dat hol klonk, legde zijn hand daarop en sprak met nadruk de volgende toverformule uit:

“Wat nog niet hier is, kome! Wat hier is blijve!” Toen schraapte hij de aarde weg en er kwam een steen voor de dag. Deze werd weggenomen en daar vertoonde zich een keurig schatkamertje, waarvan de bodem en zijwanden van opeengehoopte steentjes gemaakt waren en waarin een knikker lag. Verbaasd staarde Tom den knikker aan. Hij krabde het hoofd en zeide:

“Wel, is het mogelijk!”

Toen duwde hij de knikker gemelijk weg en bleef in gedachten verzonken staan. Wat was er gebeurd? De zaak was deze: Tom bemerkte, dat hij zich vergist had in iets, wat hij en zijn makkers steeds als een onfeilbare zekerheid hadden beschouwd. Hij geloofde dat, wanneer een knikker met de nodige bezweringen werd begraven en dan een dag of veertien rustig in de schoot der aarde gelaten en daarna met de toverwoorden die hij juist had uitgesproken, weer opgegraven werd, men al de knikkers, die men ooit verloren had, daar in die tussentijd bijeengekomen zou vinden, hoe ver zij ook over de wereld verspreid mochten zijn. Tom’s vertrouwen in dit bijgeloof was tot op zijn fondamenten geschokt. Hij had menigmaal gehoord, dat deze proef gelukt was, maar nooit dat zij mislukt was.

Het kwam niet in hem op, dat hij het verscheidene keren eerder geprobeerd had, maar dat hij de plaats, waar hij de knikkers had verborgen, nooit had kunnen vinden. Hij dacht zich half suf over de zaak en kwam eindelijk tot het besluit, dat er een heks tussenbeide was gekomen, die de betovering verbroken had. Toch wilde hij zich op dit punt overtuigen en zocht, totdat hij een klein zanderig plekje met een trechtervormig indruksel gevonden had. Hij ging naast dat plekje op de grond liggen, met de mond vlak op het indruksel en riep:

“Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!

“Kevertje, kevertje, zeg mij wat ik weten moet!”

Het zand begon te werken en voor een ogenblik kwam er een zwart kevertje voor de dag, dat echter spoedig dodelijk verschrikt wegholde.

“Hij zegt niets! Dus was het een tovenaar, die het gedaan heeft. Ik dacht het wel.”

Tom wist wel hoe weinig het baatte tegen heksen te strijden en gaf het plan ontmoedigd op. Doch daar schoot hem in de gedachten, dat hij de knikker, die hij juist had weggeworpen, toch wel graag terug zou hebben, en ging hem dus geduldig zoeken. Helaas! hij kon hem niet meer vinden. Toen keerde hij naar zijn schatkamer terug en ging voorzichtig in dezelfde houding zitten, als toen hij de knikker had weggeduwd. Daarop nam hij een andere knikker uit de zak, slingerde die eveneens weg en riep:

“Broeder, ga uw broeder halen!”

Hij zag waar de knikker zou stilhouden en ging erheen om hem na te kijken. Doch het speeltuig was niet ver genoeg of te ver gerold; dus probeerde hij het opnieuw. Deze laatste werd met een goede uitslag bekroond, want de beide knikkers lagen ongeveer een duim van elkaar af.

Juist op dat ogenblik verhief zich door het groene gewelf van het bos het geschal van een tinnen trompet. In een ogenblik had Tom buis en broek uitgetrokken, van zijn bretels een gordel gemaakt, een paar takken achter de mijt bijeen vergaard, een ruwe pijl, een boog, een houten zwaard en een trompet voor de dag gehaald en was, met deze zaken beladen, blootbeens en in een fladderend hemd weggeijld. Onder een grote olmboom hield hij stil, beantwoordde het trompetgeschal en begon op zijn tenen lopend, voorzichtig in alle richtingen rond te kijken. Toen riep hij zacht tot een denkbeeldige makker:

“Halt, grappenmaker! Houd je schuil, tot ik blaas.”

Daar verscheen Joe Harper, even luchtig gekleed en zwaar gewapend als Tom. Deze riep:

“Halt! Wie komt hier in de wouden van Sherwood zonder vrijgeleide?”

“Guy van Guisborne heeft niemands vrijgeleide noodig. Wie zijt gij, dat ...?”

“Dat gij dus durft spreken,” vulde Tom aan, want de knapen waren bezig een plaats uit een boek op te zeggen.

“Wie zijt gij, dat ge dus durft spreken?”

“Ik? Wel, ik ben Robin Hood, zoals uw schavuitengeraamte spoedig zal bemerken.”

“Dan zijt gij waarlijk de beruchte bandiet! Zeer aangenaam zal het mij zijn met u over de vrije doortocht door deze wouden te twisten.”

“Pas op!”

Zij trokken hun houten zwaarden, wierpen hun andere wapenen op de grond en begonnen een ernstig en bedaard tweegevecht.

“Kom,” zei Tom, “als gij goed slaags zijt geraakt, zet het dan met kracht door.”

En zij zetten het met kracht door, totdat zij hijgden en zweetten van inspanning. Eindelijk zei Tom:

“Val! val! Waarom val je niet?”

“Ik doe het niet. Waarom val je zelf niet? Je bent er het ergste aan toe.”

“Nou, dat hoort zo niet. Ik kan niet vallen. Dat staat niet in het boek. Het boek zegt:

“‘Toen viel hij Guy van Guisborne van achteren aan en sloeg hem neder.’ Nu moet jij je omkeren zodat ik je in de rug kan treffen.”

Tegen dit gezag viel niet te twisten en Joe keerde zich om, ontving de slag en viel.

“Nu,” zei hij, toen hij weer opstond, “Nu moet ik je doodmaken; dat is eerlijk.”

“Nee, dat kan ik niet doen. Dat staat niet in het boek.”

“Zo, dat is gemeen.”

“Hoor eens, Joe, je kunt Tuck de monnik of Muck de zoon van de molenaar zijn en mij met een knuppel afrossen, of ik zal de Sherrif van Nottingham zijn en jij Robin Hood, dan zul je mij doodmaken.”

Mark Twain De Lotgevallen van Tom Sawyer plaat 2 Johan Braakensiek.jpg

Dit werd goedgekeurd en deze taferelen uit het boek werden vertoond. Toen werd Tom weer Robin Hood en de verraderlijke non liet hem doodbloeden door zijn wond te verwaarlozen. Joe, die een hele bende rovers voorstelde, trok hem onder het aanheffen van klaagliederen voort, legde hem zijn boog in de zwakke handen en Tom zeide:

“Waar deze pijl zal vallen, begraaf daar den arme Robin Hood onder de groene boom.” Toen werd de pijl afgeschoten en Robin Hood viel op de rug en zou gestorven zijn, als hij niet op een brandnetel terechtgekomen en voor een lijk wat al te vlug opgesprongen was. Daarop kleedden de knapen zich weer aan, borgen hun zonderlinge wapenrusting weer op en gingen naar huis, vol spijt dat zij geen echte rovers waren, terwijl zij zich verbaasd afvroegen, in welk opzicht toch de moderne beschaving het verlies van de rovers vergoedde. Het eindresultaat was, dat zij verklaarden liever een jaar lang bandieten in de wouden van Sherwood, dan voor altijd President van de Verenigde Staten te willen zijn.


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (De Lotgevallen van Tom Sawyer/Hoofdstuk VIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.