De Stijl/Jaargang 1/Nummer 9/De nieuwe beelding in de schilderkunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘De nieuwe beelding in de schilderkunst. VIII. Van het natuurlijke tot het abstracte, d.i. van het onbepaalde tot het bepaalde. (II).’ door Piet Mondriaan
Afkomstig uit De Stijl, jrg. 1, nr. 9 (juli 1918), p. 102-108. Publiek domein. In De Stijl van augustus 1918 staat m.b.t. noot 5 van dit artikel een rectificatie.

[ 102 ] DE NIEUWE BEELDING IN DE SCHILDERKUNST.

DOOR PIET MONDRIAAN.

VIII. VAN HET NATUURLIJKE TOT HET ABSTRACTE, D.I. VAN HET ONBEPAALDE TOT HET BEPAALDE. (II).

Zien we het beweeg naar abstracte beelding in de schilderkunst van heden als veroorzaakt door den groei van het tijdsbewustzijn naar het abstracte, dan is het streven der Modernen in het algemeen en dat der Abstract Reëele Schilderkunst in het bizonder, voor ons niet langer een verval der schilderkunst, maar dan moeten wij erkennen dat dit streven een nieuwen stijl moet doen geboren worden.
Toònt de Moderne Schilderkunst in het algemeen een doorloopend streven naar bevrijding van het individueele, (in een klimmende volgorde, in een al sneller tempo), en (in de Nieuwe Beelding) een komen tot klare uitbeelding van het universeele, zoo is zij hierin beelding van den huidigen tijd — hoewel zij dien tijd vooruit gaat.
Deze tijd heeft het toppunt van individualisme bereikt: het gerijpte individu kan nu al meer en meer in evenwicht met het universeele komen. Als dit evenwicht inderdaad door het bewustzijn van den tijd bereikt is, zal ook het uiterlijk leven het in alles tot klare uitdrukking brengen, zooals nu reeds de Nieuwe Beelding dit abstract doet.
De groei van het natuurlijke tot het abstracte doet den mensch het natuurlijke wel anders zien, het doet wel (onbewust) het individueele erin negeeren (zie vorig artikel) maar het doet niet het natuurlijke negeeren. Al doet het de meest uiterlijke verschijning [ 103 ] van het natuurlijke in de beelding te niet, het natuurlijke blijft voor den mensch juist dàtgene, waardoor het universeele levend in hem wordt. (1).
Door het in de beelding tot het abstracte te reduceeren, beeldt hij het in alle volheid, daar het innerlijke zoowel als het uiterlijke tot beeldende uitdrukking komt (zie vorige artikelen). Zoo vertolkt hij het kenmerkende van den werkelijk modernen mensch: deze toch ziet het uiterlijke als innerlijkheid, en doorgrondt het innerlijke door de uiterlijkheid.
Voorheen werd òf het uiterlijke òf het innerlijke gezien: dit scheidde de wereld in wereldlingen en (z.g.) geloovigen. De mensch van den huidigen tijd is echter in staat het uiterlijke in evenwichtige verhouding tot het innerlijke, en omgekeerd, te zien: hij is in staat, het een zoowel als het ander door verhouding te kennen. Juist hierdoor ziet de werkelijk moderne mensch de dingen in hun geheel en aanvaart hij het leven in zijn geheel: juist hierdoor ziet hij natuur en geest, wereld en geloof, kunst en godsdienst — mensch en god, als eenheid.
Bewustzijnsgroei doet het schoone tot het ware groeien. We kunnen zeggen dat het schoone is het ware aesthetisch subjectief gezien. (2). Als de schoonheid gesubjectiveerde waarheid is, dan zou de kunst te niet gaan, als het subjectieve daarin geheel te niet zou gaan. Eveneens zou dan het begrip beelden te niet gaan, daar beelding vanzelf subjectiveering (dus schoonheid) vooronderstelt.
De beelding van het zuiver objectieve (de waarheid) is een andere schoonheid: een schoonheid welke de kunst te boven gaat. (3). Het ware dat in kunst gesubjectiveerd verschijnt is het universeele. Dit ware is dus voor elkeen het ware, in tegenstelling met het ware, dat, zooals elk zuiver streven, het ware, (de weg) voor elk individu op-zichzelf is. Omdat de Nieuwe Beelding het ware-als-het-universeele tot bepaalde uitdrukking brengt, is zij dus als stijl, als algemeenheid, bestaanbaar. Dit universeele (het ware) moet in kunst naar voren gebracht worden, wil zij het schoone-als-het-ware beelden.
Het schoone is het ware op de wijze der waarneembaarheid. En het ware is veeleenigheid van tegendeelen; zullen wij in het schoone het ware vinden, dan moet het er als veeleenigheid van tegendeelen in te vinden zijn. We vinden het schoone van zelf als veeleenigheid van noem- en telbaarheid in maatverhoudingen. (Bolland-Zuivere Rede). In de Nieuwe Beelding zijn het juist de maatverhoudingen (van lijn en kleur), welke in zuiverheid verschijnen: in de Nieuwe Beelding bestaat de schoonheid in de evenwichtige, gelijkwaardige beelding der tegendeelen innerlijkheid en uiterlijkheid.
Het begrip van schoonheid is verhoudingsbegrip, begrip van aesthetische verhoudingen, van waarneembaar overeenstemmende en zoo dan voelbaar bevredigende verhoudingen, en dus niet begrip van noem- of telbaarheid zonder meer, maar meetbaarheid in verscheidenheid van verhoudingen of reden, enz. (Bolland-Zuivere Rede).
Zoo zien we dat het redelijk denken overeenstemt met het daadwerkelijk streven der [ 104 ] nieuwe schilderkunst — of het redelijk denken dit ook al dan niet erkent. Zoo zien we, dat het redelijk denken zoowel als de schilderkunst van heden niet wil het schoone om de schoone gevoelens die het op kan wekken, maar het schoone als het ware d.i. de beelding van enkel (aesthetische) verhouding — (zie inleiding).
Hoewel in de Nieuwe Beelding het ware sterk naar voren komt, blijft ook de Nieuwe Beelding schoonheid beelden. Zoo blijft zij, als alle kunst, nog betrekkelijk, nog eenigszins willekeurig: zoodra zij zòo volstrekt zou worden als het universeel beeldingsmiddel toelaat, zou zij de grens der kunst overschrijden, zou zij van het terrein der kunst op dat der waarheid komen. (4).
De Nieuwe beelding beeldt het schoone als het ware (5) door het volstrekte in haar beeldingsmiddel: zij beeldt het ware als het schoone (d.i. verbetrekkelijkt door het schoone) door het rythme der compositie en de betrekkelijkheid waarin zij het beeldingsmiddel doet verschijnen (zie art. IV blz. 44).
De kunst blijft betrekkelijk, al verheft het tijdsbewustzijn zich al meer en meer tòt het universeele, en al komt de intuitie — de oorsprong aller kunst — vàn het universeele: door eenheid van innerlijkheid en uiterlijkheid blijft de kunstenaar steeds mensch, en kan zich dus niet geheel boven het subjectieve plaatsen. (6).
De volwassen mensch kent niet meer het objectieve zien van het kind. Kinderen en kinderlijke volkeren (7) objectiveeren hun innerlijkheid (hun onderbewustzijn) nog zuiver, maar zij missen de bewustheid van den volwassen mensch, doordat zij cultuur missen. Door hun onbewustheid beelden zij intuitief het algemeene, maar het abstracte (in deze artikelen aangeduid door het universeele, d.i. de diepste verschijning van alle dingen) beelden zij niet. (8).
Het schoone als het ware dan kan niet in bepaaldheid gebeeld worden door het natuurlijke: vorm en natuurlijke kleur begrenst tot het individueele en verbergt het ware in die màte, dat dit niet dan vaag tot uitdrukking komt.
Vorm en natuurlijke kleur bindt — beeldend gezien — aan het individueele, belemmert de zuivere ziening van het universeele. Ook associeeren onze bizondere gevoelens en gedachten (die weder op bizondere ervaringen gebaseerd zijn) zich met hetgeen we zien. Hoewel de aanschouwer gedeeltelijk den indruk van het geziene bepaalt, is het toch ook het geziene, dat door zijn verschijningsvorm iets bepaalds tot ons zegt. Zelfs de meest volkomen, de meest algemeene vormen, de geometrische, drukken iets bepaalds uit. (9). Dit bepaalde (het individueele) in de beelding zooveel mogelijk op te heffen, is de taak der kunst, is hetgeen alle stijlbeelding inhoudt (zie art. II).
Het terrein der kunst is dus een terrein van strijd tegen het individueele. Ook in het leven en in de zichtbare natuur is strijd tusschen het universeele en het individueele, doch, — in tijd — blijft in het uiterlijke leven het universeele nauwer gebonden aan en in het individueele dan in het abstracte leven, van welk leven de kunst de beeldende uitdrukking is. De vereeniging nu van het universeele (voor zoover het dan in den mensch ontwikkeld is) met het individueele (voor zoover het in den mensch gerijpt is) baart tragiek: de strijd van het een en het ander is de levenstragedie. Zij ontstaat door de ongelijkheid in de verschijning [ 105 ] van de tweeheid, waarin de eenheid zich — in ruimte en tijd — openbaart. Tragiek bestaat in het innerlijke zoowel als in het uiterlijke leven.
Bestaat de grootste tragiek in de eigene (ongelijke) dualiteit van geest en natuur, ook in het uiterlijke leven is tragiek. Door onderling onevenwichtige verhouding is er tragiek tusschen het mannelijke en het vrouwelijke, en tusschen maatschappij en enkeling. (10).
De vereeniging van het een en het ander vóór den tijd, is de oorzaak der tragiek. En toch is door de aanhoudende (herhaalde) vereeniging van het een en het ander slechts het nieuwe — de vooruitgang — mogelijk, daar de nieuwe vorm door het in-een-gaan van het een en het ander ontstaat. (zie art. VII blz. 90).
Zoo is de beelding van enkel (exacte) verhouding slechts mogelijk doordat het natuurlijke in den mensch is in-een-gegaan met het geestelijke in hem: dàardoor is de vizie van het natuurlijke veranderd, d.i. abstract geworden.
Wordt de tragiek slechts opgeheven door het (eindelijk) éen worden, in het uiterlijke leven is dit veel minder mogelijk dan in het abstracte leven. In kunst is de eenheid van het een en het ander abstract te realiseeren: daarom gaat de kunst het reëele leven vooruit. Het reëele leven moet de gelijkwaardigheid van het een en het ander afwachten om eenheid te bereiken. Met gelijkwaardigheid wordt hier bedoeld het (betrekkelijk) zuivere eene en het (betrekkelijk) zuivere andere. Eerst nà deze gelijkwaardigheid van het een en het ander groeit het een tot het ander, en wordt wezenlijk eenzijn reëel bereikt.
De Nieuwe Beelding is, vóór den tijd, de beeldende uitdrukking van het keerpunt der menschelijke ontwikkeling — van het tijdvak der gelijkwaardigheid van het een en het ander. Als dit tijdvak inderdaad dàar is, zal de kunst in reëel leven overgaan.
Vòor dien tijd wordt het universeele, ook in kunst, nog steeds overheerscht door het individueele (subjectieve) — niettegenstaande zij (door intuitie) reeds gelijkwaardigheid beeldt. Als nu het schoone het ware (het universeele) is, subjectief gezien (zie boven), moet het schoone steeds tragiek beelden. En als het ware (als het universeele) objectief is, moet het ware vrij zijn van tragiek. Al is de subjectieve ziening in de Nieuwe Beelding ook tot minimum gereduceerd, toch is zij nog subjectief en moet ook de Nieuwe Beelding nog eenige tragiek beelden. (Zij beeldt deze door het rythme der compositie enz., (zie boven).
Het schoone, en dus de tragiek, beleven we wel door het gevoel, maar zij verschijnt ook inderdaad beeldend. Omdat zij zich beeldt zoekt de menschelijke, aesthetisch-beeldende geest naar een verschijning, die vrij is van tragiek. (11).
De menschelijke geest zoekt dus het ware (dat vrij is van tragiek) maar in het schoone vindt hij het steeds verbetrekkelijkt, dus min of meer tragisch. De kunst voert echter, langs den weg van het schoone, tot het ware, dus tot de verschijning, die vrij is van tragiek. De kunst heeft de intensie volkomen vrijheid van tragiek te beelden: de kunstuiting, de beelding, voortgebracht dòor en voor de menschheid, blijft echter ten achter bij de intensie der kunst. Hòever zij daarbij ten achter blijft is afhankelijk van de cultuur, d.i. van het ontwikkelingsstadium van het universeele in de massa. De cultuur bepaalt dus in hoeverre het individueele inderdaad opgeheven wordt in de beelding.
Zoolang de kunstuiting de natuurlijke verschijning der dingen tot beeldingsmiddel bezigt, [ 106 ] beeldt zij geprononceerde tragiek. Waar de consequentie van den stijl op de wijze der kunst (zie art. II) het minst tragisch is, beeldt de stijl op de wijze der natuur de meeste tragiek. Hoe ook de natuurlijke schilderkunst, door evenwichtige verhoudingsbeelding het individueele tracht op te heffen, de natuurlijke verschijning der dingen blijft steeds (door vorm) begrenzing beelden, en daarmede den strijd van het innerlijke om vrijheid — den strijd van uitbreiding en begrenzing. Allen vorm en natuurlijke kleur kleeft tragiek aan, om dat de drang naar vrijheid zich beeldt in de gespannenheid van de lijn en in de intensiteit van de kleur als streving tegen een machtiger tegenstreving. Alleen wanneer de gespannenheid van de lijn geworden is tot rechtheid, de intensiteit der natuurlijke kleur verdiept is tot de vlakke pure kleur, is het mogelijk de tragiekbeelding tot een minimum te reduceeren.
De cultuur dan staat (min of meer) tegenover de natuur zooals het universeele staat tegenover het individueele.
Het natuurlijke staat — in den tijd — tegenover het geestelijke, beeldend gezien, staat de verschijning der natuur tegenover den menschelijken geest. Door het gevoel werkt de eerste op de laatste, en daarbij is het gevoel zòolang ondergeschikt aan de natuur, tot de menschelijke geest tot meerdere bewustheid in den mensch gekomen is. Dàn eerst is het gevoel verdiept tot geestelijk gevoel (zie art. V blz. 49 en 50) en kan het in zuiverheid het uiterlijke vertolken. Dàn komt in het bewustzijn het uiterlijke in evenwicht met het innerlijke, en omgekeerd, en kan het zich boven het tragische verheffen.
Wanneer het (natuurlijk) gevoel in de beelding domineert, beeldt het kunstwerk steeds geprononceerde tragiek. Zoo beeldt het deze tragiek, wanneer het leed of vreugde vertolkt, zooals we zien in de kunst van v. Gogh.
De cultuur werkt het gevoel en daardoor de natuur òm: zij brengt eenheid tusschen geest en natuur.
Het natuurlijke, het zichtbare in het algemeen, voor zoover het niet (tot het universeele) door den menschelijken geest is omgewerkt, beeldt dus tragiek. De tragiek in het natuurlijke openbaart zich beeldend door lichamelijkheid, en deze komt door vorm en natuurlijke kleur, door ronding, natuurlijke plastiek, gebogenheid, grilligheid en oneffenheid der oppervlakte tot beeldende uitdrukking. (zie art. IV).
De atmosfeer, in welke het lichamelijke ons verschijnt, vertroebelt het planmatige van het lichamelijke en verhoogt alzoo de uitdrukking der tragiek. Maar zelfs wanneer in de beelding het lichamelijke in klaarheid verschijnt, wanneer door overdrijving van de spanning der natuurlijke lijn deze verinnerlijkt en, door vlakke beelding enz. der kleur het lichamelijke gedeeltelijk opgeheven is, beeldt het zichtbare nog tragiek door vorm, stand en afmeting. (12).
Zoo is de beelding in de natuurlijke verschijning der dingen — evenals de visueele natuur — steeds tragisch. (13).
Zoolang in de tweeheid der eenheid innerlijkheid en uiterlijkheid — hoe zij dan ook verschijnt: als natuur en geest, als mensch tegenover mensch, als het mannelijke en het vrouwelijke, of, als in kunst als beelding en inhoud van het gebeelde — geen volkomen [ 107 ] evenwicht bereikt en dus weder eenheid teruggevonden is, zoolang blijft zij tragisch. In kunst moet de tweeheid een gelijkwaardige verschijning hebben (zie art. VI blz. 74) zal de kunstenaar in staat zijn de tragiekbeelding (zooveel het dan mogelijk is) op te heffen.
Slechts door eenheid in uitbeelding van inhoud en verschijning (zie art. VI) verdwijnt het tragische in de beelding. En deze eenheid wordt benaderd door exacte, evenwichtige verhoudingsbeelding. Exacte verhoudingsbeelding (dus door het universeel beeldingsmiddel) is noodzakelijk omdat verhoudingsbeelding in vorm en natuurlijke kleur tòch tragiek beeldt, evenwichtige verhoudingsbeelding is vereischte, omdat alleen het evenwicht in stand en afmeting (van het universeel beeldingsmiddel) de tragiek kan verminderen. (14).
Alle schilderkunst heeft getracht in de beelding het universeele tot uitdrukking te brengen, maar dit niet in dezelfde mate bereikt.
Alle schilderkunst heeft er naar gestreeft het individueele te niet te doen, in de beelding, maar dit niet in dezelfde mate volvoerd.
Door de onevenwichtige uitbeelding van het universeele en het individueele ontstond de tragiekbeelding in alle schilderkunst. Staat, in tragiekbeelding, de Natuurlijke Schilderkunst bovenaan, de Nieuwe Beelding is reeds bijna van tragiekbeelding vrij.
Als nu de opheffing der tragiek doel van het leven is, is het onlogisch dat men tegen de Nieuwe Beelding op komt.
Dan is het onlogisch, dat men steeds wil vorm beelding in schilderkunst — en dan nog wel natuurlijke — omdat (zooals men zegt) dàarin slechts de geest tot uitdrukking kán komen.
Wanneer we de doorgaande evolutie van de verhoudingsbeelding in de schilderkunst nagaan, is het integendeel moeilijk te veronderstellen dat het zich evolueerend gedeelte der schilderkunst ooit weder terug zou komen tot vormbeelding, welke de verhoudingsbeelding sluiert.

Wordt voortgezet.

AANTEEKENINGEN.

1) De Nieuwe Beelding wil het zichtbare (of beter, de schoonheidsontroering welke het zichtbare te weeg brengt) in alle diepte beelden: juist daarom heeft zij een beeldingsmiddel noodig, waarin het volstrekte tot bepaalde uitdrukking komt en waarin het zich met het natuurlijke kan vereenigen.
2) Staat de schoonheid dan de waarheid in den weg? Zij staat de waarheid in tijd in den weg, op die wijze als het uiterlijke het innerlijke, het natuurlijke het geestelijke, het vrouwelijke het mannelijke — in tijd — in den weg staat. Door de schoonheid is de aesthetische verschijning der waarheid — in tijd — juist mogelijk.
3) Althans te boven gaat hetgeen wij thàns kunst noemen. Evenwel zal een hoogere menschelijke evolutie weder een beeldingsveld vinden in de beelding van het ware als het ware, in welke beelding dan waarheid en schoonheid volkomen gelijkwaardig tot uitdrukking komen.
4) Het domein der waarheid is de zuivere abstractie. Daarom is de Nieuwe Beelding Abstract-Reëel.
5) In dezen tijd van groei naar het ware is het noodig de oogen open te houden voor het gevaar dat — in kunst — schuilt in streven naar beelding van het ware. De ware kunstenaar zal wel steeds blijven subjectiveeren, doch bij den niet-kunstenaar kan het verlangen naar subjectiveering den tijd vooruit snellen. Zoo zou een, voor dezen tijd, verkeerde kunstappreciatie kunnen ontstaan, die
[ 108 ] de beeldende uitdrukking van de langzame maar zekere groei van het schoone-tot-het-ware zou verduisteren.
6) Hij kan dit eerst, wanneer hij tot waar geestelijke zou geëvolueerd zijn; maar dan is hij geen kunstenaar meer.
7) Er is zelfs nog groot verschil tusschen kunst van kinderen en die van primitieve volkeren: de doorleefdheid geeft een vastheid, een bezonnenheid (die vooral in de techniek uitkomt) aan de kunst van volwassenen, welke die van kinderen mist. (men denke b.v. aan de negerplastiek).
8) Zij beelden de groote contour der dingen, maar niet enkel (exacte) verhouding.
9) Bovendien worden de geometrische figuren nog veelal gezien in een traditioneele symboliek, die het zuivere zien in den weg staat.
10) Het verlangen naar vrijheid en evenwichtigheid (harmonie) is den mensch (door het universeele in hem) ingeboren. Hij heeft de innerlijke drang in zich de oorspronkelijke eenheid zijner dualiteit terug te winnen, en wil eenheid realiseeren in leven en kunst. Hij leerde de eenheid te zoeken in-zich-zelven, d.i. in innerlijk, abstract leven, daar de gelijke factoren die geëischt worden om eenheid te bereiken, in het uiterlijke leven niet dan zeer zelden aanwezig zijn. Zoo is eenheid in de maatschappij (de massa individuen), vooreerst niet te realiseeren, door het onderlinge verschil der individuen.
11) Om de tragiek beeldend te zien is de fijngevoeligheid van het artistiek temperament noodzakelijk: om haar tot uitdrukking te brengen moet men kunstenaar zijn.
De kunstenaar ziet de tragiek in die mate, dat hij tot beelding van niet-tragiek gedreven wordt. Zoo vond hij, ten slotte, de oplossing in beelding van enkelverhouding. Hij sloot vormbeelding uit, hij ging niet accoord met de meening (van niet-kunstenaars) dat beelding in vorm geen tragiek vertoont, als de menschelijke geest sterk genoeg is de tragiek in-zich-zelven op te heffen.
12) Tragiek door stand en afmeting is gedeeltelijk op te heffen door tegenstelling, maar tragiek door vorm is slechts te niet te doen door vorm te vernietigen.
Stand en afmeting in rechte lijn of rechthoekig kleurvlak, in veelheid gebeeld, doet door het rythme dat dan ontstaat wel weer tragiek tot beelding komen, doch juist door opheffende tegenstelling is dan dat rythme te verinnerlijken, dus de tragiek gedeeltelijk op te heffen. (zie art. IV blz. 44).
13) Niet altijd is de verschijning der natuur (objectief) éven tragisch. Zoo is zij o.a. minder tragisch, naarmate zij meerdere aaneengeslotenheid, meerdere klaarheid toont, en meer tragisch, naarmate zij verbrokkeling of onevenwichtigheid beeldt. Ook vorm en kleur beelden niet altoos even groote tragiek: de mate der tragiekbeelding is groot of klein, naarmate de vorm (lijn) strak of grillig, de kleur puur of vertroebeld is.
14) Slechts de rechthoekige stand beeldt geen tragiek. Elke andere stand wel, zooals we zien in de figuren van Humbert de Superville. (zoo beeldt de V-vorm verheffing, de A-vorm het omgekeerde daarvan).
Om de rechthoekige stand naar zijn aard, dus evenwichtig, te beelden, is noodig dat de afmetingen der lijnen of vlakken welke deze stand beelden, ook evenwichtig zijn. Ook de veelheid van den rechthoekigen stand moet evenwichtig zijn, om de tragiek zooveel mogelijk op te heffen.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Ad Petersen (red.; 1968) De Stijl [deel] 1. 1917_1920. Complete Reprint 1968, Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, p. 154-160.