Edda/De Welandsage

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Inhoudsopgave

Godenliederen

  1. De Zending van Skirnir
  2. Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf
  3. Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg
  4. Dwerg Weetal wil vrijen
  5. De Roof van de Regendrank
  6. Godentwist|
  7. Vermomde en Roodspeer
  8. Hymirs Ketel
  9. Het Feest bij Aegir
  10. Wodan bij de Waarzegster
  11. Het Voorspellied
  12. Billings Dochter
  13. Wodan bij Stormsterk
  14. De Wereldzang van de Wichelares
  15. Een Lied voor Herleving
  16. Wodans Runenlied
  17. Hoe de Standen ontstonden
  18. Völuspá

Heldensagen

  1. De Welandsage
  2. Helgi, Zwaardwachts zoon
  3. Helgi, die Honding doodde
  4. De Siegfriedsage
  5. Goedroen
  6. Ortroens klacht
  7. De Zang bij de molen
  8. Verklaring van Werk en Inhoud

Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij, en ene dochter, wier naam Bodwild was.

Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten jacht op wilde dieren.

Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder, en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland.

Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen, namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen heen. Herwor was de laatste, die heenging, en vóór zij ging fluisterde zij, rondom zich ziende in den voorhof:

--"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven."

Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,--zij liepen naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond.

Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,--naar het Zuiden ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen, reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend, dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren.

Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in den schijn van den manesikkel schitterden.

Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou.

Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend, dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze was teruggekeerd.

Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid.

Toen riep hij luide:

--"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij in harde banden gebonden hebben?"

Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen, ging naar hem toe en zeide:

--"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw woning verwijderd."

Weland antwoordde den koning:

--"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune, die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was."

's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging:

--"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt."

Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord.

Toen sprak de koningin tot den koning:

--"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in Zeestad zitten!"

Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieën door, en hij werd op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden, en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen.

Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen, en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke Herwor,--en die nu aan Bodwilds arm blonk.

Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede, onmachtig tot wraak.

Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland:

--"Is al dat glinsterende echt goud?"

Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide:

--"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden, verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart."

Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen tot het andere:

--"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in.

Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst.

Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland, en zeide:

--"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen, dat hij gebroken is."

Weland antwoordde haar:

--"Ik zal uw gouden ring zóó maken, dat hij uw vader nog sierlijker schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult zeggen: hij is weer even goed."

Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, viel Bodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap.

Toen juichte Weland:

--"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve één. Maar ik zal mij nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden."

Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten.

Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem, zette zich naast hem neder en zeide:

--"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?"

De koning antwoordde haar:

--"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken."

Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland:

--"Antwoord mij, Weland,--wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo gezond mij verlieten?"

Toen zeide Weland:

--"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden: bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings zalen werd geboren.--Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf, uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind."

Toen sprak Nijdhod:

--"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,--geen woord wensch ik zoo streng te straffen als dit."

Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem na, vernietigd van smart.

Daarop zeide de koning:

--"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga, en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren."

Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning:

--"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen met hem?"

En Bodwild sprak:

--"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen, alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland niet weren."