Edda/Völuspá

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Inhoudsopgave

Godenliederen

  1. De Zending van Skirnir
  2. Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf
  3. Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg
  4. Dwerg Weetal wil vrijen
  5. De Roof van de Regendrank
  6. Godentwist|
  7. Vermomde en Roodspeer
  8. Hymirs Ketel
  9. Het Feest bij Aegir
  10. Wodan bij de Waarzegster
  11. Het Voorspellied
  12. Billings Dochter
  13. Wodan bij Stormsterk
  14. De Wereldzang van de Wichelares
  15. Een Lied voor Herleving
  16. Wodans Runenlied
  17. Hoe de Standen ontstonden
  18. Völuspá

Heldensagen

  1. De Welandsage
  2. Helgi, Zwaardwachts zoon
  3. Helgi, die Honding doodde
  4. De Siegfriedsage
  5. Goedroen
  6. Ortroens klacht
  7. De Zang bij de molen
  8. Verklaring van Werk en Inhoud

1 stilte verzoek ik

de heilige geslachten[1]

de grote en de kleine

kinderen van Heimdall

ik wil nu, Odin

wijsheid verkondigen

de oude sagen

die als eerste ik ken


2

De negen werelden, 1928

mij heugen de reuzen

in oertijd geboren

die lang geleden

het leven mij schonken

negen werelden

negen ruimten

de oude maatboom

onder de grond


3

in oertijd was het

dat Ymir leefde

noch zand noch zee

noch zilte golven

er was geen aarde

noch wijde hemel

slechts gapende afgrond

en gras[2] nergens


4

eer Burs zonen

de aarde hieven

de wijdvermaarde

Midgaard schiepen

de zon bescheen

de stenen in het zuiden

de grond werd begroeid

met groene look


5

de zon uit het zuiden

gezel der maan

wierp de rechterhand

om de rand van de hemel

de zon wist niet

waar haar zalen waren

noch wisten de sterren

hun stand aan de hemel

noch wist de maan

welke macht zij bezat


6

de radende goden

ten rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad

aan nacht en maanstand

gaven zij namen

bepaalden de morgen

de middag ook

avond en nacht

om de jaren te tellen


7

Idavoll is het centrale plein van Asgaard (met Yggdrasil; ook Midgaard, Jotunheim en Niflheim zijn aangegeven)

de Asen bewoonde Idavoll

tempel en altaar

timmerden zij

zij bouwden een smidse

en smeedden het goud

zij maakten tangen

en timmergerei


8

zij speelden verheugd

het heilige kansspel

de goden bezaten

in overvloed goud

tot drie geweldige

dochters van reuzen

vrouwen uit Jotunheim

de vrede verstoorden


9

de radende goden

ten rechtstoel gingen

de heilige goden

hielden toen raad

wie zou scheppen

de schaar der dwergen

uit Brimirs bloed

en Blains dijen


10

Ask en Embla krijgen hun gaven van Odin, Hoenir en Lodur, Robert Engels, 1919

drie goden maakten

minzaam en krachtig

van het Asengeslacht

zich op naar het huis

vonden aan de oever

onmachtig en zwak

Ask en Embla

het leven ontberend


11

zij hadden geen adem

en evenmin inzicht

stem noch warmte

noch wezenstrekken

adem gaf Odin

en inzicht Hoenir

Lodur gaf warmte

en wezenstrekken


12

een es weet ik staan

Yggdrasil heet hij

hoog en met helder

heilvocht begoten

vandaar komt de dauw

in de dalen vallen

aan de bron van Urd

staat hij eeuwig groen


13

De drie Nornen Urd, Verdandi en Skuld bij de bron van Urd aan de voet van Yggdrasil (met de adelaar Viðofnir en de eekhoorn Ratatoskr), Ludwig Pietsch, 1865
Gullveig wordt op speren boven een vuur gehangen door de Asen, Lorenz Frølich, 1895

drie meisjes komen

veel kennis bezittend

uit de woning

onder die boom

Urd heet de ene

de andere Verdandi

zij sneden de runen-

Skuld heet de derde

zij voorspelt de toekomst

bestemmen het leven

voor de stervelingen

hun lot in de strijd


14

voor het eerst ontbrandde

op aarde een strijd

toen goden met speren

Gullveig staken

en haar verbrandden

in de hal van Har

driemaal verbrandde

de driemaal herborene


15

Heiðr[3] werd zij geheten

waar zij een huis betrad voorspelde Völva toverkunst wetend verdoolde de mensen verdwaasde hun geest was het best gezien bij boze vrouwen 16 de radende goden ter rechtstoel gingen de heilige goden hielden toen raad of de Asen zouden hun zonde boeten of alle goden offers ontvangen 17

Odin werpt zijn speer naar de Wanen, Lorenz Frølich, 1895 toen slingerde Odin zijn speer naar de vijand voor het eerst ontbrandde op aarde de strijd toen brak de wal de burcht der Asen de Wanen betraden verwoestend het veld 18 de radende goden ter rechtstoel gingen de heilige goden hielden toen raad wie gans de lucht met gif had vermengd aan de reuzen gegeven de gade van Od 19 Thor streed alleen in toorn ontbrandend -hij blijft zelden zitten als hij zoiets verneemt- toen zwichtten eden gezworen woorden alle beloften elkander gegeven 20

Heimdallr met de Gjallarhoorn en een caduceus, manuscript uit IJsland, 18e eeuw zij weet verholen Heimdallrs hoorn onder de heilige hemelboom en gouden mede zit zij gegoten uit Alvaders[4] pand- wat weet gij nog meer? 21 alleen zat zij buiten toen de oude kwam de schrik der Asen in het oog haar keek wat vraagt gij mij? en vorst mij uit? Odin, ik weet wel waar uw oog gij verborg 22 in de vermaarde bron van Mimir drinkt hij mede elke morgen uit Alvaders pand- wat weet gij nog meer? 23

Odin met ringen bij de Völva, Lorenz Frølich, 1895 haar reikte Heervader[4] ringen en spangen voor toverkrachtige toekomstwoorden zij zag wijd en zijd de wereld rond 24 zij zag Walkuren van verre gekomen gereed tot de rit naar de radende goden Skuld met haar schild Skogul als tweede hun, Gild, Gondul en Geirskogul 25

Loki zorgt ervoor dat Hodur zijn blinde broer Baldr doodt met de maretak, manuscript uit IJsland, 18e eeuw aan Baldr zag ik de bloedige god de zoon van Odin onheil beschikt er stond op het veld een stengel gegroeid tenger en sierlijk een maretak 26 toen werd die twijg die tenger scheen een smartelijk wapen door Hodur geschoten de broer van Baldr was weldra geboren en Alvaders zoon voltrok de wraak 27 hij wies zijn handen noch kamde zijn haar eer hij deed sterven de doder van Baldr maar Frigg beweende in de fenzalen[5] Walhalla's wee- wat weet gij nog meer? 28

Sigyn probeert het gif van de slang op te vangen voor Loki, Mårten Eskil Winge, 1890 geboeid zag ik liggen in het bronnenwoud de sluwe Loki die list beraamde daar zit ook Sigyn met smart beladen om het wee van Loki- wat weet gij nog meer? 29 door Wadderzalen zwelt uit het oosten met messen en wapens het water van Slid[6] 30 in het noorden stond op de Nidavelden[7] een gouden zaal van Sindris zonen een andere stond op Okolnir[8] de bierzaal van de reus die Brimir heet 31

Náströnd, Lorenz Frølich, 1895 een zaal zag ik staan voor de zon verborgen op het dodenstrand de deuren noordwaarts gifdruppels vallen door het gat van het dak en slangen omwinden de wanden der zaal 32

Nidhoggr knaagt aan de wortels van Yggdrasil, manuscript uit IJsland, 17e eeuw daar zag ik waden door wielend water meineedzweerders en moordenaars daar likte Nidhoggr het lichaam van de doden de wolf reet lijken- wat weet gij nog meer? 33

Fenrir opent zijn mond, Alexander Murray, 1874 in het oosten zat de oude in het ertswoud en baarde daar Fenrirs gebroed een zal worden van hen allen de zonverslinder[9] een slechte Trol 34 hij vreet het vlees maakt rood van bloed de banken van de goden zwart wordt de zon de zomer daarna stormen woeden- wat weet gij nog meer? 35

Links: Járnviðr met wolven in het bos Rechts: Eggthér met zijn harp en Fjalar Lorenz Frølich, 1895 daar zat op de heuvel de harp bespelend de wakkere Eggthér de wachter van reuzen en naast hem kraaide in het kreupelbos een felrode haan die Fjalar heet 36 en guldenkam bij de goden kraaide die wekt de helden in Heervaders hal een andere kraait onder de aarde een bloedrode haan in de hal van Hel 37

Hel en Garmr, Johannes Gehrts, 1889 Garmr[10] huilt grimmig voor Gnipahellir de strik zal scheuren en springen de wolf[11] veel wijsheid weet ik -veel kan ik schouwen- het sterke noodlot der strijdbare Asen 38 broeders bestrijden verslaan elkander bloedverwanten bloedschande plegen overspel heerst op heel de aarde speertijd, zwaardtijd, schilden splijten! windtijd, wolftijd! eer de wereld vergaat geen enkel mens zal de andere sparen 39 de reuzen zijn vaardig de maatboom ontvlamt luid blaast Heimdall tot hoog in de hemel Odin haalt raad bij het hoofd van Mimir 40

Surtr met zijn vlammende zwaard Surtalogi, John Charles Dollman, 1909 Ygdrasils stam siddert en schokt de oude boom kreunt het ondier komt los vrees bevangt allen in de wereld van Hel als Surts verwant zijn strikken verscheurt 41 wat is er bij de Asen? wat is er bij de alven? reuzenheim dreunt raad plegen de Asen de dwergen steunen voor de deuren van steen en de wand van de rotsen- wat weet gij nog meer? 42 Garm huilt grimmig voor de deuren van Gnipahellir de strik zal scheuren en de wolf springen veel wijsheid weet ik -ver kan ik schouwen- het sterke noodlot der strijdbare Asen 43

De dwergen vluchten als Surtr (met zijn vlammend zwaard Surtalogi) en de mannen met Muspel aankomen, Wilhelm Wägner, 1882 Hrym rijdt uit het oosten en heft zijn schild de wereldslang kronkelt in wilde woede en geselt de golven de arend schreeuwt de lijken verscheurt hij los komt Naglfar 44 een kiel uit het oosten komt met de mannen van Muspel beladen en Loki aant roer tezaam met de reuzen rent nu de wolf en hen begeleidt de broer van Byleist 45 uit het zuiden komt Surt met vlammend zwaard[12] en gensters fonkelen van dit godenwapen rotsen barsten reuzen vallen de helweg gaan mannen de hemel splijt 46

Freyr vecht met Surtr, Lorenz Frølich, 1895

Vidar doodt Fenrir, W.G. Collingwood, 1908 en Frigg moest lijden haar tweede leed toen tegen de wolf Alvader vocht en Freyr de strijd met Surt begon dan zal vallen Friggs geliefde 47 sterk komt de zoon van de Zegevader Vidar, ten strijde met de lijkenwolf hij stoot met zijn hand zijn zwaard in het hart van de wrede wolf zo wreekt hij Odin 48 heerlijk komt dan de zoon van Hlodyn de Landomgorder[13] gaapt tot de lucht moedig doodt hem Midgaards schermheer alle mensen verlaten de aarde 49 de zoon van Fjorgyn gaat zonder schande negen schreden van de dode slang 50

Ragnarok, George Wright, 1908 de zon wordt zwart de zee zinkt ter aarde uit de hemel vallen de heldere sterren damp en vuur dringen dooreen hoor tot de hemel stijgt een hete vlam 51 Garmr huilt grimmig voor Gnipahellir de strik zal scheuren en springen de wolf veel wijsheid weet ik -ver kan ik schouwen- het sterke noodlot der strijdbare Asen 52 op zie mij komen ten anderen male etgroene aarde uit de zee bekken schuimen weer schiet de arend omlaag van de rotsen belust op vis 53 de Asen komen op Idavoll spreken hun oordeel over hun band van de aarde[13] bezinnen zich en zoeken weer de oude runen van Fimbultyr[14] die Odin vond 54 daar worden weer de wonderbare gouden tafels in het gras gevonden hun eigendom in oude tijd 55

Walhalla met Heimdallr aan de poort en Yggdrasil, de eekhoorn Ratatoskr en de geit Heidrunn, manuscript uit IJsland, 17e eeuw akkers wassen schoon ongezaaid het boze wordt beter Baldr zal komen Hod en Baldr blijven verzoend wonen in Walhalla[15]- wat weet gij nog meer? 56 de lottwijg kiezen[16] kan weer Hoenir daar wonen van beide broeders de zonen in het wijde Windheim- wat weet gij nog meer? 57 in zonlicht glanzend zie ik een zaal met gouden daken op Gimle[17] staan wakkere helden zullen daar wonen een zorgeloos leven leiden in vreugde 58 dan komt de draak duister gevlogen de schitterende slang uit schemerig diep vliegt over de velden draait op zijn vlerken Nidhoggr, de lijken- nu verzinkt hij voor goed. 59 Ik zie de aarde voor de tweede maal Groenverfrist oprijzen uit de zee; Watervallen klateren, erboven de adelaar, Langs de bergwanden jaagt hij op vis.

  1. genera; generaties van verwante wezens
  2. groei
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Edda/Völuspá&oldid=46673"