Een klein heldendicht/I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Titelpagina en inhoudsopgave Een klein heldendicht van Herman Gorter

I

II


[ 7 ] ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

 

 I.

Een jonge arbeider kwam daar in het licht.
Hij wist niet wat te doen, want voor het eerst
moest hij meedoen aan een staking—of niet.
Hij was onzeker, voelde zich onzeker,
zooals een schip dat aan het strand der zee,
slingrend met beide kanten water schept.
Hij was teer en zwart, want zijn moeder had
hem opgeleid in 't katholiek geloof,
en hem hield vast die rijke en roode godsdienst.
Maar hij was knap en vast, en de kameraden
hadde' hem geopenbaard den klassestrijd,
die alle krachten vraagt van d' wordende
Man.—Zoo ging hij nu door lichten dag.
Wat zou hij doen, met hen meegaan of niet?

[ 8 ]

De blos maakte zijn zwarte wang vuurrood.

Zooals een jonge stier, die op de velden
komt uit den stal, in 't voorjaar, duizelig
in 't licht komt, en niet weet of her of der,
en dan maar loopt rechtuit, op ééne lijn,
't is ongewis nog in zijn vaste hoofd,
zoo ging hij, die jonge arbeider, dwars in
het licht, het zilvrig-witte dageslicht.

En in zijn hart groef zich een diepe afgrond
ter rechter en ter linkerzijde, en
het leek hem of hij heel hoog op een berg
was geraakt, en of daar één smalle weg,
een kam, een voetpad tusschen twee afgronden
overvoerde naar eenen andren berg,
en of hij daarop was.—Hij zette zich
in het veld op een steevgen blauwen steen.
Hij was zoo jong nog, hij leek wel een bloem
met 'n groote kelk: zijn hoofd zoo zwart en open.
En deez' gedachten kwamen tot hem op:

[ 9 ]

Als ik dàt doe, dan ben ik àf van moeder
en van de godsdienst, maar kom dichter nader
de Eenheid met mijn kameraden, en
de Eenheid, Eenheid van alle menschen.—
Als ik dàt doe, dan blijf ik bij moeder
en 't heerlijk rood en goude van de Kerk,
maar ik doe afstand van mijn kameraden.

Zooals een reiziger die terugschrikt
van twee afgronden, tusschen beide in,
was hij bij 't een en 't ander—als een vrouw
die zeggen moet: ja of neen, was hij daar.

En twee gedachten joegen zich aan hem op,
als uit de werklijkheid hei groot droombeeld
gevormd wordt, als een wind die schuim of stof
opjaagt van zee of van een landweg. Één
was dit: het zoete en zachte en tevree bestaan
van slaaf, met kerk en liefde van vrouw en
kindren en moeder. 't Leek te liggen vlak
als een landschapje, en hij dwaalde er door

[ 10 ]

rustig en dik en heerlijk, want de jeugd
bedriegt zoo. — En de andre was één beeld
van opgaanden strijd, 't Leek een berg die hoog
ging, en hij zwoegde er hol en hongrig
met stijf gespannen spiere' en zenuwen
langs met zijn kameraden, maar den top
zag hij niet, maar wist goed dat hij er was.

Zoo zat hij op de vlakte, en wist niet
wat hij doen zou. En nu eens doopte hij in
links, dan weer rechts, in de gedachtafgronden,
zooals een man die in een zwaar probleem,
het vinden van een werktuig of geheim
der natuur, denkt: wat zal ik doen, zal ik
dien weg gaan? en diep in de zaak zelf peinst.
En even onzeker ging hij terug,
zooals een schip dat na zijn eerste reis
terug komt in zijn dok, om daar hersteld
te worden. Hij ging door het dampend licht
maar zag het niet, zag slechts die groote vraag:
moet ik of moet ik niet? En heel de wereld
leek vol hem van die vraag.

[ 11 ]

Zoo ging hij 'n beetje wanklend naar zijn huis,
zijn ooren waren vol, zijn slapen zwollen,
omdat die vraag, uit de wereld gehoord,
hem 't hart trof en het bloed hem naar de slapen.
En hij dacht: 'k moet het doen; het kan niet anders.

Zooals in Februari of in Maart
de wolken vliegen lachend langs den hemel,
wit-blauw gevlekt, en de heele natuur,
de bergen, de velden en alle boomen
voelen: het moet, het moet,—zoo voelde hij
toen hij daar langzaam naar zijn woning liep.
Maar toch bleef nog een twijfling aan zijn hart,
zooals het zilte schuim dat aan de zee ligt.
En van zijn oogen viel een zachte straal.
Hij was nog zeer jong, hij was nog een jongen.

Zijn meisje kwam tot hem, zooals het Voorjaar
komt aan de wereld: 't is alsof een boog

[ 12 ]

nieuw hemelsch op de aarde wordt gesteld.
Zoo kwam zij, en zij kwam zeer dicht tot hem
tot vlak bij zijn hart.
En zooals in een haven van de zee,
plotsling, wanneer daarin een schip inzeilt,
de kleur van 't schip opengaat, als in eens
valt er de zon op, en een gouden bol
of knop of een vuurrood pompoenetje
gaat open in het volle licht, zoo was
Zij.—'t Kan ook wel wezen dat in mist' ge lucht
's avonds boven de haven de lichttoren
aangaat, dan wordt het warm, de lentelucht
weet in eens niet wat haar gebeurt, zoo kwam
zij tot hem, het blosrood blankzwarte meisje.—
O hoe heerlijk als de vrouw met den man
één is, en 't allergrootste beide voelen.
Niets is er wat boven den man en vrouw
uitgaat, die eensgezind het hoogste uit
de wereld willen—en elkaar liefhebben.
Zoo kwam ze tot hem en ze school aan hem,
hoewel hij jong was, zooals aan een sterke.
En als twee kindren in wie 't hoogste bloeit,
praatten zij toen aanééngezeten, samen

[ 13 ]

het hoofd voorover, de zacht-donzige.
„Ik weet nog niet wat 'k doen moet," zei hij zacht.
„Ik voel wel dat ik dien kant op moet, 't is
als word ik voortgestuwd, en 'k weet dat 't goed is.
Het is één drang, het kan niet anders, daar
ligt al het heil, daar is de zachte zee
van al 't geluk voor mij, ik moet er in.
Maar achter me, daar trekt het aan mijn jas,
het trekt me terug naar de roode Kerk
en naar de zachte warmte van moeder, het kind
in mij, het houdt me stil terug, het leeft
nog overal in me, hier, en hier, het is
of ik nu breken moet. Maar daar wenkt het."
Hij zat stil te kijken, zooals een zwemmer
ziet in het water, en zijn stem was als
't brijzelend schuim over de wijde zee.
Maar daar begon de stem van haar te stralen,
van haar die alles was, die alles goed
wist wat er was, zooals kristal,—zoo zuiver,
zoo vrij als was ze opgegroeid uit niets.
Die stem begon zoo zacht:
„Natuurlijk is het dat je zoo moet doen,
als t nieuwe hart je zegt.—Er komen

[ 14 ]

andre dingen voor ons open. De wereld
gaat voor ons open, en we staan er voor
met onz' voeten op den drempel. Eén, één
moeten we worden met alle arbeiders.
Het is ons bloed zelf, dat, zoo als 't in 't hart
intreedt, zoo ook ons dringt tusschen de andren.
Ik voel het, 't is dezelfde drang, het leven
dat in mijn hart komt, met mijn nieuwe bloed,
het dringt ons zelf tot in 't arbeidershart,
het hart der harten, de organisatie."

Ze zweeg, en zaten stil zooals twee kindren,
kindren die 't hoogste denken, en zij tuurden
voor zich uit in de rijke weelge lucht.
Het was alsof rondom er stemmen riepen.
Niet kan in 't paradijs zulk een geklank
om de hoofden der dôon hebben geklonken
in schoonsten droom, als nu er stemmen klonken
uit 't leven, uit de kopren lucht, de wolken,
blauw om de hoofde' van die twee kinderen.
In de lente, als de bloemen zelf spreken
in wolken, dan lijkt het zooals

[ 15 ]

het boven naar hun ooren gonsde als goud.

En het was half wèl hem. Dat was een vrouw!
Het woei in hem op zooals in lantaren
het licht opgloeit,—of zooals de machine
zijn steenkool en zijn water krijgt. Hij werd
klaarder, kalmer, tot heldre daad gereeder.
En zei: „ja Maria, je hebt gelijk."
 
En zacht gingen ze weg, heen door de scheemring,
in den avond die was een Zondagavond.
Maandag-morgen, morgen, moest het gedaan.
Zij gingen met de handen in elkaar
en met de gezichten iets naar elkaar toe,
maar weinig, en er was iets in zijn beenen
en op zijn lijf, iets wonderbaars te zien.
En zij was meer gewoon, niets ongewoons
aan haar, vast, zeker, schouder en boezem.
Maar hun hoofden, ah, die waren zoo klaar,
zoo vast zeker droegen zij die temoet
de wereld. En er was niets in

[ 16 ]

van grauwe weifling die 'n mensch leelijk maakt.
Als overwinnaars kwamen zij in macht,
en zelfs de liefde was maar weinig zichtbaar.

's Nachts droomde hij een gouden, gouden droom.
Het was hem of hij in een gouden streek
was gekomen, en of hij gouden menschen
zag, die naakt gingen door een verguld licht.
Zilveren stroomen waren er en heuvels
van goud, en daarin zag hij die zonmenschen.
 
Hij kon er maar niet genoeg heen kijken.
Hij zag niet veel, het was ook niet zoozeer
wat hij zag, hoewel 't was echt gouden licht
als de zon, als een gloeiende bakkersoven.
Maar 't was dat heerlijke gevoel wat door
hem zelf heenstroomde als hij er naar keek,
daarom was het zoo heerlijk in dien droom.

Terwijl hij er naar keek, stroomde het door

[ 17 ]

zijn rug, zilvren stroomen nieuwe gedachten.
Wijl hij er naar keek, werd hij een ander mensch,
heel, heel anders. Wat was het toch dat in
hem kwam? zoo, zoo had hij toch nooit gevoeld
En hij trachtte het midden in zijn droom
te begrijpen, zooals een droomer denkt,
ook weer droomend, maar toch begrijpend en
droomende over zijn droom nadenkende.

En hij keek aldoor maar weer, want hij voelde
dat het vandaar moest komen, het begrip
van d' heerlijkheid, als de heerlijkheid zelf.
En hij keek steeds in dat ronde gewelf,
een ovaal-breed gewelf met vlakken grond,
vol gouden gloed en met gouden menschen,
heel klein, maar heel gelukkig, en goudnaakt.
En van uit die beelden, van uit hun haren,
als 't ware van hen af en naar hem toe,
stroomde aldoor in hem dat nieuw gevoel.
En zoozeer stroomde het uit hen naar hem toe,
dat 't leek hij werd zooals die menschen zelf.

[ 18 ]

En toen op-eens, werd hij door 't kijken kalm,
en toen begreep hij 't—wat hij voelde was
wat die kleine en gouden menschen hadden.
Er was iets in hen wat hij, hij, niet had,
maar door hen te zien zag hij dat zij 't hadden.
En zooals alleen zien, iets aan den ziener
geeft van het geziene, zoo voelde hij
dat van hen in zich,—maar als een gemis.

En toen keek hij nog eens zeer kalm en goed,
met de uiterste spanning van al zijn oogen
trachtend te grijpen. En toen voelde hij
't klaar komen door zich: Dat Nieuwe was Vrijheid.
Dat wat hij voelde was wat hij zoo hoopte,
maar niet had, die oven dat was de Toekomst,
en die menschen dat waren Vrije menschen.
 
En dien Maandag-morgen, toen stond hij op,
en met zijn zwarte en jongzacht gezicht,—

[ 19 ]

hij als een vaste en jong-zwarte stier—
ging als een bloem naar zijne kameraden,
en zei dat hij mee zou doen.—