Heemskerck op Nova Zembla/VI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
V Heemskerck op Nova Zembla van Piet Visser

VI. Aan den dood ontsnapt.

VII


[ 93 ]

HOOFDSTUK VI
 

AAN DEN DOOD ONTSNAPT

 

Des morgens bij 't opstaan vonden zij zich dan opnieuw weer heelemaal toegestopt. Maar zij waren er nu nog slechter aan toe dan den vorigen keer, want door de dikke sneeuwlucht was er in den schoorsteen heelemaal geen trek, waardoor het allerverschrikkelijkst rookte.

„In 's Hemelsnaam," zei de schipper, „dan moeten we vandaag maar wat minder vuur aanmaken. Zóó is het niet om uit te houden!"

Maar jawel, nu zaten ze al heel gauw te klappertanden van de kou, en ze kropen dus allemaal zoo dicht mogelijk bij het beetje vuur dat aan den haard brandde.

Daar werden zij nu wel wat warmer, maar 't bleek er niet te harden van den rook. De oogen deden hun weldra ondraaglijk veel pijn en de sukkelende Aerjansz begon zoo vreeselijk te hoesten, dat hij het raadzaam achtte, maar weer naar kooi te gaan om zich dáár wat over de warmte."

„Die Aerjansz is nog zoo dom niet!" zei Jacob. „Weet je wàt, mannen, ik ga ook mijn mandje weer in. Hier is het niet te hóúden voor een mensch. We worden er allemaal gerookt als bokkingen."

„Ik kom bij je, kameraad!" zei meester Hans, „want aan den haard is het om te stikken!"

De een na den nader kroop nu weer te kooi en weldra [ 94 ] was de kok, die voor het eten moest zorgen, alleen nog maar over.

„Een mooie boel!" bromde de arme man tusschen de tanden. „Jullie kunnen naar bed gaan, en ik mag maar onder dien satanschen schoorsteen blijven rondscharrelen... Gans elementen wat een pijn!" en hij wreef met het binnenvlak van de hand zijn oogen eens uit, die voortdurend overliepen. „Toen mijn arme Lotje begraven werd, heb ik den geheelen dag niet zóó geschreid, als nu, door dien verwenschten rook, in den tijd van vijf minuten."

December zette dus al heel slecht in.

En ach, des anderen daags was het rooken nog volstrekt niet minder! En bij het weinigje vuur dat men maar kon aanhouden, begon het in de hut met ieder uur kouder te worden. Zelfs in hun kooien konden zij zich niet meer verwarmen! De arme kerels lagen te rillen onder de dekens, met ijskoude voeten.

Hooghwout sprong het bed uit om, in weerwil van den ondraaglijken rook, bij den haard even zijn voeten te warmen.

Opeens krijgt hij een gelukkigen inval.

Hij neemt twee steenen en doet die in het vuur, gaat er dan weer mee te kooi en legt de warme steenen aan zijn voeten.

Dadelijk werd zijn voorbeeld door de anderen gevolgd. En waren de steenen koud geworden, dan sprongen zij maar weer het bed uit, om ze opnieuw te warmen.

Zoo sukkelden zij dien tweeden December door.

Ook de daarop volgende dag werd, uit hoofde van den rook, voor het grootste deel weer in de kooien doorgebracht.

„Meester Hans!" vroeg Jacob angstig aan den barbier, die nu zijn slaapkameraad was, „wat zou dat toch wezen?... Hoor!... Daar wàs het weer!... Zou het onweer zijn?" . . .

[ 95 ] „Nee jongen," zei de meester, „maar je herinnert je zeker de groote drijvende ijsbergen nog wel, die we van den zomer gezien hebben?"

„O ja, meester, die in de verte soms zoo mooi leken, en waar we altijd zoo voor moesten oppassen, om er niet onder te raken, wanneer ze kantelden..."

„Welnu dan, ik hou het er voor, dat die drijvende bergen dat doen. Wat jij voor onweer houdt is stellig het donderend gekraak, waarmee op 't oogenblik, dunkt mij, die geweldige ijsmassa's tegen elkaar worden gestuwd."

„O, meester, wat is het hier toch een akelig land," zuchtte de knaap. „Als die rook nog langer aanhoudt, zullen we nog bevriezen!"

„Ja, jongen, het is nu al de derde dag, dat we bijna geen vuur aan den haard kunnen hebben. Maar het zal toch wel ééns ophouden met sneeuwen!"

„Och meester, als het nog een paar dagen langer moet duren, dan weet ik niet, hoe het nog met ons zal afloopen. Gister en eergister hing het ijs al aan de wanden en den zolder, maar kijk, vandáág zit het zelfs al twee vingers dik tegen het zoldertje van onze kooi."

Maar den vierden morgen bleek het rooken gelukkig weer over. Dàt was een blijdschap, toen ze weer rondom den haard konden zitten! Ze maakten een vuur aan, of er wel zeven vossen tegelijk op gebraden moesten worden.

Maar het moest dan buiten toch zeker geweldig koud zjjn, want ondanks al hun gestook vroor het binnen de hut nog zóó hard, dat het uurwerk aanhoudend bleef stilstaan, ofschoon De Veer al herhaaldelijk het gewicht dat er aan hing, verzwaard had. Om zich niet in den tijd te vergissen, werd nu het zandglas van 12 uur in gebruik genomen, waarbij ieder op zijn beurt de wacht houden moest.

Ja, zij ontdekten het maar al te wel, de wintermaand [ 96 ] was begonnen, de wintermaand van Nova Zembla!

Weldra was het zóó koud, dat „de neushoorn" zei: „Als het nóg kouder moet worden jongens, dan zullen we allemaal nog bevriezen bij den haard, 't Is of dat vuur geen warmte geeft! Ik zit er bij te rillen en toch heb ik vier broeken aan!"

„Wat? Draag jij wel vier broeken?" vraagt Hooghwout.

„Ja, hoeveel jij dan?"

„Wel, ik maar drie!"

„'t Is ook wat! Dat scheelt er net maar ééntje!"

„En ik heb àl mijn kleeren aan die ik rijk ben," zei Jacob, „en nòg kan ik niet warm worden. Vóór gaat nog wat, maar van achter lijk ik wel bevroren en als ik met mijn rug naar het vuur ga zitten, krijg ik buikpijn van de kou!

En dan durfden we verleden winter in Amsterdam soms wel te klagen, dat het koud was. Weet je, wat ik geloof? Als we het volgende jaar weer in 't vaderland zijn, zullen we onder de felste vorst nog zuchten over de warmte."

„In 't vaderland!" steunde de Kromme, die ook al aan 't sukkelen was: „Kun je begrijpen, we gaan allemaal den timmerman achterna."

„Kom, kom!" zei de schipper bemoedigend, „wat zijn dat nu voor sombere gedachten. Ik hoop aanstaanden winter in Holland nog schaatsen te rijden! Maar komaan, 't is juist deeldag van den wijn en een beetje Xerésche Sek zal misschien den geest weer wat opwekken.—Kok, geef elk zijn gewone rantsoen!"

Nu, veel was dat niet, want geruimen tijd al ontving ieder niet meer dan om den anderen dag een half pintje.

De kok zou dan weer uitdeeling houden, maar och arme! De wijn bleek tot op den bodem bevroren. Hij was dus genoodzaakt er een stuk wijn uit te hakken [ 97 ] en dat eerst in een ketel behoort te smelten, vóór hij ieder man zijn pintje kon toedeelen.

En ach, den volgenden dag was het nog wèl zoo koud. Vooral tegen den avond. Ofschoon zij stookten, dat de schoorsteen bijna in brand vloog, toch zaten zij nog te klappertanden vlak bij het vuur.

„Mochten we nu maar wat van die steenkolen gebruiken, die we voor den terugtocht moeten bewaren," fluisterde Jacob aan meester Hans.

Maar hoe zacht hij ook gesproken had, de schipper had het gehoord.

„Dat is waar ook," zei Heemskerck, „we konden nu onze kolen wel eens aanspreken. Daar had ik heelemaal niet aan gedacht.

Voor de terugreis houden we er altijd nog genoeg over, al wordt er een enkelen keer eens van gestookt."

Elk haalde nu een paar handen vol smeêkolen uit het portaal, en wierp die op het vuur.

Dat hielp! De zolder begon te druipen van dooi, de klok kon weer gaan, door de geheele hut verspreidde zich weldra een aangename warmte, en een behaaglijke stemming deelde zich aan ieder mee. Elk haalde alvast zijn steenen uit bed, om er straks weer warm mee naar kooi te kunnen gaan.

„Jongens," zei Sterrenburgh, „we zitten hier op 't oogenblik zoo gezellig bijeen, als we in geen dagen gedaan hebben. Wie doet er nu eens een vertelling?"

„Ik wed van meester Hans wel!" riep Jacob.

„Och, wàt, jongen! Ik..."

Maar hij kon niet uitspreken, want:

„Ja, ja!" riepen allen, „meester Hans, meester Hans! Dat is een geleerde, die zal wel wat weten!"

Hans Vos zag nu wel, dat er geen af komen aan was, ook had het niet weinig zijn ijdelheid gestreeld, dat de maats hem eenparig een geleerde genoemd hadden. Hij begon dus:

[ 98 ] „Het treft goed, mannen, dat ik voor een dag of twaalf juist in één van die oude boekjes gelezen heb, die je daar op mijn medicamentenkist ziet liggen. Daardoor ben ik in staat je de zeldzame riddergeschiedenis te vertellen van Karel en de Elegast."

Met veel smaak ging de meester aan het vertellen, totdat hij ten slotte uitriep:

„Ziezoo, nu zullen mijn steenen wel warm geworden zijn en ik ga te kooi. Wel te rusten, mannen!"

„'t Is toch jammer voor dat heerlijke kolenvuurtje," zei Sterrenburgh, „dat we nu allemaal naar bed gaan. Maar weet je wat, ik zal eerst den schoorsteen even dichtstoppen. Dan houden we de warmte zoo lang mogelijk in huis!"

„Ja, en dan heeft ook geen mensch bij de klok of het zandglas wacht te houden," zei Hooghwout.

„Maar mannen," waarschuwde meester Hans uit zijn kooi, „wat zullen we dan een benauwde, onfrissche lucht in de hut krijgen!"

„Och kom, zoo'n barbier heeft ook altijd wat!" riep Louw Willemsz. „Ga maar stil onder zeil, meester! Je zult 'ereis zien, hoe lekker we slapen vannacht!"

De heerlijke warmte had allen verkwikt en in een opgewekte stemming gebracht. Lang bleven ze in hun kooien nog liggen praten, maar eindelijk viel de een na den ander in een diepen slaap.

Doch de zieke Aerjansz werd spoedig weer wakker. Een vreeselijke benauwdheid drukte hem op de horst. Opeens begreep hij, dat dit van de kolendamp moest komen. Hij probeerde op te staan, maar was er niet toe in staat.

„Hei! hola! wakker, mannen!" riep hij nu angstig. „Wakker, of we zullen nog allemaal stikken hier!"

Een dof gekreun uit de verschillende kooien was het eenige antwoord.

„Om Godswil, wordt toch wakker, kerels! of we zullen [ 99 ] stikken!" schreeuwde hij nog luider.

Ieder ontwaakte nu, maar ook iedereen voelde zich vreemd en duizelig.

„De Neushoorn" en Louw Willemsz, die nog de kloeksten waren, sprongen evenwel toch het bed uit; maar zij leken wel dronken, zooals zij door de hut liepen te waggelen.

Toch gelukte het onzen Louw, om in der haast den schoorsteen open te stooten, terwijl „de Neushoorn" strompelend naar de deur wist te scharrelen en die open wierp. Maar op hetzelfde oogenblik viel hij in zwijm op de sneeuw neer.

Een kille luchtstroom kwam door de openstaande deur de hut binnen, en door de kou, die hen zoo vaak gekweld had, werd nu ieder weer spoedig verkwikt.

Gerrit de Veer vloog naar de spinde, haalde er azijn uit en wreef er den Neushoorn net zoo lang mee in 't gezicht, tot hij weer bijkwam.

„Nu zie je, wat er van komt, mannen, als je den raad van ons, geleerden, in den wind slaat," sprak meester Hans deftig.

„Ja vrienden, we zijn erg dom geweest," zei Heemskerck, „en we mogen den Hemel wel danken, dat wij er nog met den schrik zijn afgekomen."

Het was intusschen frisch genoeg geworden om de deur weer dicht te doen en allen gingen nu weer naar kooi, waar ze verder rustig doorsliepen tot den volgenden dag.

Maar ofschoon de koude er in de eerste weken volstrekt niet minder op werd, de schrik zat er zóó diep in, dat het nog lang duurde, voor zij opnieuw een kolenvuur durfden aanleggen.

Geen wonder! Ze waren dan ook louter door een toeval aan den dood ontsnapt.