Heinrich Witte-Wandelgids Bennekom (1902)/19

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XVIII. Wandelgids voor Bennekom's omstreken van Heinrich Witte

XIX.

XX.


[ 100 ]
 

XIX. BOSCHBEEK EN KWADENOORD.

 

Wij bewaarden deze wandeling in de Oostelijke streek voorbedachtelijk voor 't laatst. In de eerste plaats wijl het er mede gesteld is als met die naar en over de Zyselt; het is nogal ver weg, en zij, die voor korteren tijd hier verblijven, bepalen zich niet ten onrechte liefst tot wandelingen in de naaste omgeving; maar in de tweede en voornaamste plaats wenschen wij er mede te besluiten, omdat het een der mooiste en daarbij een zeer interessante wandeling is, die men zeker, haar eens gemaakt hebbende, niet licht zal vergeten.

We stellen ons voor om nu in de eerste plaats een ander gedeelte van den tweeden Ginkelschen weg te leeren kennen, dien we op onze tiende wandeling een goed eind in Z. Westelijke richting afgingen. Thans is het N. Oostelijke gedeelte ons doel, waartoe wij ook nu dat punt als punt van uitgang nemen, waar hij in schuine richting den Arnhemschen grintweg snijdt[1].

Gingen wij toen, van Bennekom komende, rechtsaf, nú slaan we dien ruwen weg ter linkerzijde in; hij snijdt in schuine richting als 't ware een stuk van den Franschen kamp af. Ter rechterzijde hebben we een verleden jaar gekapt gedeelte, dat dus nu vlak is. Lang duurt het echter niet, of we hebben weer Dennen links en rechts, zoodat hij hier zijn karakter van boschweg [ 101 ] weder terug krijgt, en dit nu verderop ook blijft behouden.

Na een minuut of tien schijnt het dat we dezen weg ten einde zijn. Hier treden we uit het bosch en verlaten tevens den Franschen kamp. Wij komen namelijk op een vrij breeden weg uit, die van het Zuiden naar het Noorden dezen van de bosschen van Ooster-Eng scheidt. Een paar schreden verder lezen we tegen een boom dat deze weg de Mofheg heet, en daar zien we ook dat de door ons te volgen weg zich in N. Oostelijke richting door de bosschen voortzet. Wij gaan dus dien breeden weg, de Mofheg schuin over en houden alzoo dezelfde richting[2].

Het komt er op aan dat wij ons streng aan die richting houden, steeds het karrespoor volgende. De weg kronkelt door het bosch, maar verdwalen is aanvankelijk onmogelijk, als men maar rechtuit blijft gaan (de kronkelingen inbegrepen).

Maar als we op een meer open gedeelte komen, zouden we ons kunnen vergissen, althans als wij de richting uit het oog verloren. Hier toch zijn we aan een driesprong. Een pad gaat rechtsaf, een ander, een karreweg een weinig links rechtuit, en daarnaast ligt een derde, ook een karreweg, die er in schuine richting afwijkt. Altijd op de N. Oostelijke richting lettende, begrijpen we dat we dien moeten hebben, dat deze dus de voortzetting van den tweeden Ginkelschen weg is.

Komen we dan weer uit het bosch, dan slaan we linksom (rechtuit zouden we aan Kwadenoord komen). We hebben nu een bosch aan de rechter- en open heide [ 102 ] aan de linkerzijde, terwjjl het karrespoor nauwelijks tusschen die hooge heidestruiken herkenbaar is. Maar wij kunnen hier een voetpad onmiddellijk langs het bosch houden, wijl dat een weinig verder weer op het karrespoor uitkomt.

Spoedig komen we aan het einde van het bosch, op de open vlakte, waar een voetpaadje rechtsaf gaat. Dit volgen wij, en wij zien reeds terstond aan het tusschen verschillende hooge boomen alleenstaande huis, dat wij het doel van onzen tocht, Boschbeek, bereikt hebben.

Boschbeek is geen dorp, zelfs geen gehucht, maar een kleine hoeve, het overschot van een vroeger daar ondernomen landbouw-exploitatie. 't Is wel jammer dat de voortzetting daarvan op eenigszins ruime schaal niet wel mogelijk scheen, maar die idyllische plek heeft daarom toch niets van hare aantrekkelijkheid verloren.

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat we ons hier niet met bespiegelende beschouwingen kunnen inlaten. Een wegwijzer willen we zijn en niets meer, hen, die ons volgen, in hunne waardeering der schoonheid van het landschap volkomen vrij latende.

Dit kunnen we echter wel zeggen, dat de omgeving hier in verschillende richtingen zoo "malerisch" is, dat een landschapschilder in verzoeking zal komen zich eenige dagen in die zeker niet lucratieve huizinge te nestelen.

Boschbeek ontleent zijn naam aan de vrij breede Molenbeek, die niet ver ten Noorden van den spoorweg ontspringt, onder dezen doorloopt, zich, voorbij Boschbeek, door Kwadenoord, langs den Keijenberg naar Oranje-Nassau's-oord voortzet, en verderop in den Rijn afvloeit, na onderweg meerdere kleine beken opgevangen te hebben.

De oorsprong van een dezer laatsten zien wij in een zeer diepen kloof, vlak bij het huisje.

[ 103 ] Dit huis gaan we om en, nog onder den indruk van die diepte, gaan we over een dam, waar het water genoegzaam gelijk met den kant staat, dus allicht een Meter of acht hooger.

Het voetpad schuin over een grasland volgende, komen we aan een zeer primietieve brug over den Molenbeek, die even hoog is[3].

Volgen we nu het voetpad over de hei en langs de breede beek, dan komen we spoedig op een plek, waar we onwillekeurig blijven stilstaan.

Hier wordt namelijk de Molenbeek rechthoekig door een andere, kleine, "gesneden", maar zonder dat het water dezer beide beken zich met elkaar vermengt, want de kleinere loopt, in een p.m. drie Meter diepe sleuf, onder de andere door, en komt er dus aan de andere zijde weer onderuit.

Dit is zeker een vertooning, die men niet alle dagen te zien krijgt, en waarvan men, opmerkelijk genoeg, een herhaling ontmoet, slechts een klein eind verder.

Dit zeker zeer interessante en in verschillend opzicht zoo fraaie heipad naar Kwadenoord is niet langer dan een kwartier.

Ook dit is zelfs geen gehucht, 't is een streek, die bij wandelaars hoog is aangeschreven.

"We komen hier aan een breede brug, waarmede wij nu wel niet te maken hebben, maar die we toch even willen overgaan, al is het maar om wat uit te blazen in de mooie oude beukenlaan, die we dicht bij ons zien, [ 104 ] en nu we ons daarheen begeven, zien we daar alweer een andere beek ontspringen, die zich spoedig met de grootere vereenigt.

Wij merkten op dat we eigenlijk met deze brug niets te maken hebben; daarom gaan we weer terug, en volgen den breeden zandweg die nu vóór ons ligt, en die spoedig rechtsom buigt. We staan hier op een schilderachtige woeste plek, met hooge dennenbosschen ter linkerzijde en door akkermaalshout aan de rechterzijde begrensd. Spoedig geeft een opening in die bosschen een vrij gezicht op de hooger oprijzende Renkumsche heide, juist tegenover een door de beek bewogen korenmolen.

Wij houden den weg rechtuit en gaan dus een breeden boschweg, die er in schuine richting van afwijkt, voorbij. De weg dien wij volgen loopt slingerend langs den voet van een vrij aanzienlijke met een zwaar dennenbosch bezette hoogte.

Weldra komen we weer aan de Molenbeek, die we een poos uit het oog verloren hadden. Terzijde van den breeden weg zien we hier een zeer aantrekkelijk wandelpad, dat ons, na het zonnige eind 't welk wij van Boschbeek af achter den rug hebben, zeker niet onwelkom is.

Een goed eind verder komt deze weg op den Arnhemschen grintweg uit, en wel in een fraaie, dichte laan, die door het uitgestrekte landgoed Keijenberg loopt.

Hiermede is eigenlijk onze voorgenomen wandeling ten einde, maar wij zijn daarom nog bij lange na niet thuis.

De kortste weg om naar Bennekom terug te keeren is zeker linksom den grintweg rechtuit tot aan het dorp.

Maar dan moeten we bij Ooster-Eng tegen een niet [ 105 ] onaanzienlijke hoogte op, die we kunnen vermijden, zonder een omweg van beteekenis te maken.

We letten slechts op waar de steenen ingangspalen van den Keijenberg staan, even voor den ingang aan deze zijde van Ooster-Eng, en juist daar waar de weg begint te rijzen.

Wij zien nu een weg ter linkerzijde, slaan dien in, gaan een eenzame villa voorbij, vervolgens door een klein bosch en hebben dan maar een grasvlakte schuin over te steken om bij Nol in 't Bosch wat uit te rusten[4].

Wanneer wij nu weten dat we van Nol in 't Bosch langs het Papenpad in ¾ uur te Bennekom kunnen zijn[5], kunnen wij juist nagaan hoelang we hier mogen verblijven, om op een bepaalden tijd terug te wezen.

Wanneer men, waar allicht aanleiding toe is, zich onderweg nu en dan eenige oogenblikken ophoudt, kan men rekenen drie uren na het vertrek bij Nol in 't Bosch te komen. Voor een namiddagwandeling is het dus wel wat ver. Beter doet men er den voormiddag bij te nemen, en het dan zóó in te richten, dat men bij Nol blijft "koffiedrinken". Men heeft dan ruimte van tijd om uit te rusten en op zijn gemak naar Bennekom terug te wandelen.

't Zal een mooie, een goed besteedde dag zijn.

 

 
  1. Zie tot aan dit punt blad. 54
  2. Op het Overzichtskaartje is wel deze richting aangegeven, maar niet de krommingen en bochten.
  3. Deze alles behalve stevige brug is inderdaad griezelig genoeg, en de kans, vooral voor dames, om in de beek een ongewenscht bad te moeten nemen, is niet denkbeeldig. De Vereeniging ter bevordering van het Vreemdelingenverkeer zal daarin wel spoedig op weinig kostbare wijze voorzien.
  4. Vergelijk de noot onder bladz. 61.
  5. Zie voor dezen weg in omgekeerde richting, het begin van de 11e wandeling.