Het Esperanto/IV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
III. Het Esperanto (1902) van Antoon Jozef Witteryck V.


[ 21 ]
 

IV

 

Het Esperanto.

 

1° ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

 

Veelvuldig zijn de pogingen, die tot nu toe gedaan werden, om aan eene wederlandsche taal te geraken.

Ongelukkiglijk de dagbladschrijvers—die niet nauw zien—noemen ieder uitgegeven schrift, dat zich dien naam toeeigent, algemeene taal; van zijnen kant, het volk, zonder die nieuwstijding van zijn dagblad te onderzoeken, is het eens om er mede uit te roepen: «Wat! nog eene wereldtaal! Er zullen er welhaast zooveel zijn als natuurtalen!»

Hierin vergist men zich. Er zijn inderdaad maar twee stelsels die, volmaakt tot alles gereed en na ervaring, aangeboden werden. Wat de andere voortbrengsels aangaat, die in verscheidene tijden onder den naam van algemeene taal het licht zagen, het zijn maar beschouwende en bespiegelende ontwerpen, en het meeste deel van hen kunnen maar aanzien worden als een ruw ontwerp, als eene schets, eene beschrijving van te doene werken, om aan de oplossing van de vraag te komen.

Geven wij er een bewijs van:

La Revue encyclopédique, van 13 November 1897—gij ziet dat het van gister is—onder hoofding «De Gedachten» geeft lucht aan het volgende voorstel:

Algemeene taal.—Het nut eener algemeene taal [ 22 ] wordt niet meer betwist; maar de moeilijkheid van dit gedacht uit te werken is overgroot. Hetgeen tot stand zou moeten gebracht worden, is ééne eenige woordenlijst dienende voor alle volkeren, maar waarvan ieder volk zou gebruik maken, volgens zijnen eigen geest en zijne geaardheid, juist gelijk elk persoon, zich van de woorden zijner taal volgens zijn eigen vernuft en zijnen eigen aard bedient.

Zou men, tot het opmaken dier woordenlijst, niet kunnen beginnen met vast te stellen, dat eigennamen onvertaalbaar zijn? Het schijnt onnuttig en overtollig aan dezelfde stad drie of vier namen te geven, terwijl haar ware naam deze is, die haar in 't land waarvan zij deel maakt, toegekend wordt. De openbare macht zou de volkeren daaraan kunnen gewennen, met in de openbare stukken geene plaatsnamen meer te vertalen.

(Geteekend) G. S.

Zeker is het dat de schrijver van dit voorstel met de beste meening bezield is. Maar het zal ons toegelaten zin te denken, dat zijne bijdrage tot eene algemeene taal, van dit slag van voortbrengsels is, waarvan wij komen te spreken. Wat de doelmatige woordenlijst aangaat, waarvan daar sprake is, heer G. S. zal met genoegen vernemen dat zij reeds bestaat en dat zijn wensch vervuld is.

Aangezien het er op aan komt de wereld met eene wederlandsche taal te begiftigen, is het klaar dat ze met wederlandsche gronddeelen moet samengesteld worden.

Nu, voor de beschaafde volkeren, het is te zeggen voor deze die het eerste en grootste belang in de zaak hebben, zijn die gronddeelen groot in getal.

[ 23 ] Een groote voorraad woorden is hun gemeen, behoorende niet alleen tot de wetenschappen, maar—groot voordeel—ook tot het dagelijksch leven. Waarom er geen gebruik van gemaakt?

Waarom de woorden botaniek, atoom, doktoor, statie, theater, wagon, Amerika, enz. enz. die reeds wederlandsch zijn, door gemaakte en van iedereen onbekende woorden vervangen? Leenen wij aan de talen al wat redelijk en bruikbaar is; kiezen wij de gronddelen van het wederlandsch spraakmiddel, naar gelang van het internationaal karakter dat zij hebben bij de volkeren, die aan het hoofd der beschaving staan.

Alzoo zullen wij meest menschen ten nutte staan en zooveel mogelijk het leeren van de gemeene taal vergemakkelijken.

Daarenboven, die doenwijze kan de prikkelbaarheid of lichtgeraaktheid van niet één volk kwetsen. Want indien wij het eene stamwoord aan het andere verkiezen, dat zal niet grillig geschieden, maar alleenlijk omdat een grooter internationaal kenteeken hem meer recht gaf om in de taal op te treden.

Het zal om zoo te zeggen de beschaafde wereld zelf zijn, die de gronddeelen der taal zal uitgelezen hebben.

Hewel, die taal moet niet meer gemaakt worden, maar bestaat.

Er werd gezegd dat zij onuitvoerbaar was, en ziet, sinds tien jaren is zij werkzaam! Tien jaren reeds vernietigt zij dagelijks meer en meer al de ontstane loocheningen.

Haar naam «La Lingvo internacia Esperanto» [ 24 ] zijn wij verschuldigd aan eenen Russischen geneesheer, Doktor Zamenhof, van Grodno, die de taal bekend maakte in 1887, onder den deknaam van «Doktoro Esperanto», het is te zeggen de «hopende doktoor», en van daar «Esperanto», naam aan de taal gegeven.

Dat het Esperanto waarlijk aan al de eischen voldoet, die wij opgesomd hebben, dat zullen wij bewijzen door de verklaring van zijne spraakkunst en samenstelling.


2° TAALREGELS.


De geheele spraakkunst van het Esperanto bepaalt zich tot eenige eenvoudige regelen, die geene uitnemingen kennen. Om ze aan te leeren is een uurtje voldoende.


DE abc.


De esperantische ABC verwezentlijkt de overgroote en nogtangs eenvoudige vooruitgang, van aan ieder letterteeken slechts ééne enkele vertolking toe te kennen.

Ziehier dat ABC, bestaande uit 28 letters:




[ 25 ]

Letters. — Uitspraak.


1. De volgende letters worden uitgesproken juist gelijk in het Vlaamsch: b, d, f, j, k, l, m, n, p, r, s, t, v, z.

2. De klinkers worden altijd lang uitgesproken

a (daken), e (zegen), i (liter), o (noten), u (als oe in groeten). — Men bemerke dat de u niet klinkt als in het Vlaamsch ; men heeft haar den klank oe toegekend, zooals in meest alle talen.

3. De volgende letters worden niet uitgesproken gelijk in het Vlaamsch:

c — klinkt als ts in mutsaard ;
g — wordt uitgesproken als de harde g in het Fransch, dus als in Gand, gourmand ;
h — wordt altijd aangeblazen zooals de Hollanders doen.

4. De volgende geteekende letters bestaan niet in het Vlaamsch:

ĉ — wordt uitgesproken juist als ch in het Engelsch woord charming, dus bijna als tj in tjilpen.
ĝ — wordt uitgesproken juist als in het Engelsch woord gentleman, dus als dj in het alomgekend straatvlaamsch djakke (franç. : fouet).
ĥ — klinkt als ch in lachen.
ĵ — wordt uitgesproken als in het Fransch woord Jean.
ŝ — wordt uitgesproken als ch in het Fransch woord cheval.
ŭ — klinkt als oe doch zeer kort en vormt, met den voorgaanden klinker, eenen tweeklank ; alzoo wordt laŭ (volgens) uitgesproken als [ 26 ] het Vlaamsch woord lauw.—Aŭ en eŭ zijn de eenige tweeklanken die in het Esperanto bestaan.

5. De volgende letters bestaan niet in het Esperanto: ij, q, w, x, y.

Klemtoon.—De klemtoon valt immer op de voorlaatste lettergreep. Al de letters worden uitgesproken. De tweeklanken aŭ en eŭ vormen ééne enkele lettergreep.


* * *


Voor wat de keus der woorden betreft, wij hebben reeds gezegd dat de Esperantische woordenlijst uiterst gemakkelijk is, daar zij samengesteld is uit deelen van de beschaafde talen en zulks naar evenredigheid van hun internationaal karakter.

De Esperantische woordenlijst bestaat slechts uit ongeveer 2000 stamwoorden. Met dat klein getal stamwoorden en bij middel van samenstelling uit afleiding kan men alle mogelijke gedachten uitdrukken.

Geef nu de Esperantische woordenlijst aan eenen Spanjaard die niets anders kent dan het Spaansch, zijne moedertaal, en verzoek hem de woorden te doorstrepen welke hij verstaat zonder dezelve geleerd te hebben; hij zal er rond de 1400 uitvagen.

Geef nu die zelfde woordenlijst aan eenen Rus, die alleenlijk zijne moedertaal machtig is, het is deze die er het minst stammen zal aantreffen die uit zijne taal genomen zijn en toch zal hij er rond de 700 vinden.

Daar hebt gij de 2 uiteinden: de Latijnsche en de [ 27 ] Slavische stammen. De andere volkeren, zooals wij, Germanen, vallen daartusschen.—Wij kennen dus, zonder voorafgaande studie, ongeveer 1000 Esperantische stamwoorden.

Die woorden worden natuurlijk onder Esperantischen vorm voorgesteld en zulks is noodzakelijk om de nieuwe taal gelijkvormig en derhalve eenvoudig te maken.

In het Esperanto eindigen al de zelfst. naamw. op o, zoo heeft men:

vinger   in 't Esperanto   fingro
jaar » jaro
straat » strato

Al de bijvoegelijke woorden eindigen op a, zoo heeft men:

blind   in 't Esperanto   blinda
lam » lama
warm » varma.

Al de werkwoorden eindigen in den noemvorm op i, aldus:

danken   in 't Esperanto   danki
kosten » kosti
bakken » baki.

De vervoeging der werkwoorden, die in alle talen zoo moeilijk is, levert hier ook geen last op. Al de werkwoorden, zonder uitneming, worden regelmatig vervoegd en voor elken tijd bestaat slechts één vorm voor al de personen; alzoo heeft men:

Onbep. wijze:  Beminnen   -Ami.
Teg. tijd Ik bemin   -Mi amas.
Gij bemint -Vi   »
Wij beminnen Ni   »
Gij bemint Vi   »
Zij beminnen Ili   »
Verl. tijd: Ik beminde Mi amis, enz.
Toek. tijd: Ik zal beminnen Mi amos, enz.
Voorw. tijd: Ik zou beminnen Mi amus, enz.
Geb. wijze: Bemin — Amu.
De bijvoegende wijze wordt niet gebruikt.
 
Al de bijwoorden eindigen op e;
Al danken, in 't Esperanto danke;
Op vaderlijke wijze, » patre.


* * *


Dan heeft men 32 vóór- en achtervoegsels die altijd eene zelfde beteekenis hebben en bij middel van welke men nieuwe woorden vormt.

Alzoo heeft men het voorvoegsel mal, dat woorden vormt die het tegenstrijdige beteekenen van hetgeen het stamwoord uitdrukt:

varma beteekent warm, malvarma beteekent koud
bona   » goed, malbona   » slecht
forta   » sterk, malforta   » zwak.

Het achtervoegsel induidt het vrouwelijk geslacht aan van hetgeen het stamwoord beteekent:

knabo beteekent knaap, knabino beteekent meisje
patro   » vader, patrino   » moeder
frato   » broeder, fratino   » zuster.

Het achtervoegsel ist beduidt den persoon die het ambt uitoefent dat in verband staat met de zaak door het grondwoord voorgesteld:

[ 29 ]

boto beteekent laars, botiste = laarzenmaker
biero   » bier, bieristo = brouwer
pano   » brood, panisto = bakker.

Het achtervoegsel il duidt het werktuig aan dat dient om datgene te doen of te maken dat door het grondwoord voorgesteld wordt:

kombi beteekent kammen, kombilo = kam
flugi   » vliegen, flugilo = vleugel
kudri   » naaien, kudrilo = naald.

Voegen wij nog hierbij dat het Esperanto zeer welluidend en vloeibaar is, ja, zoo aangenaam om hooren als het Italiaansch.

Mij steunende op de meening van vele geleerden, durf ik bevestigen dat het Esperanto mag aanzien worden als een onder alle opzichten volmaakt wederlandsch spraakmiddel.