Maximen van La Rochefoucauld

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Integrale Nederlandse vertaling van de Réflexions ou Sentences et Maximes morales van François de La Rochefoucauld


Maximen van 1678[bewerken]


Motto
Onze goede eigenschappen zijn meestal niet meer dan verborgen gebreken

Maximen uit de editie van 1666[bewerken]

  • 1. Wat we voor deugden aanzien is vaak niets anders dan een verzameling van verschillende daden en belangen die het lot of onze behendigheid weet te ordenen, het is dus niet altijd door dapperheid en deugdzaamheid dat mannen dapper zijn en vrouwen deugdzaam.
  • 2. Eigenliefde is de ergste van alle vleiers.
  • 3. Welke ontdekkingen men ook gedaan heeft in het land van de eigenliefde, er blijven nog altijd genoeg onontdekte gebieden.
  • 4. Eigenliefde is sluwer dan de sluwste mens ter wereld.
  • 5. De duur van onze passies hangt even weinig van onszelf af als de duur van ons leven.
  • 6. Hartstocht maakt vaak de verstandigste mens tot een dwaas en de grootste dwaas verstandig.
  • 7. De grote en schitterende daden die de ogen verblinden worden door politici voorgesteld als de gevolgen van een groots opgezet plan, terwijl ze gewoonlijk slechts veroorzaakt worden door het temperament en de hartstocht. Zo was de oorlog van Augustus en Marcus Antonius, die men toeschrijft aan hun ambitie om de hele wereld te veroveren, waarschijnlijk niets anders dan het effect van onderlinge naijver.
  • 8. Hartstocht is de enige redenaar die altijd overtuigt. Hij is als een natuurwet waarvan de regels onfeilbaar zijn, waardoor de meest eenvoudige man door zijn enthousiasme beter overtuigt dan de meest welsprekende die dat mist.
  • 9. Hartstochten hebben zoveel onrechtvaardigheid en eigenbelang in zich dat het gevaarlijk is hen te volgen; en dat men er zich tegen moet verzetten, zelfs als ze uitermate redelijk lijken.
  • 10. In het hart van een mens is er een voortdurend ontstaan van hartstochten, zodat het verval van de ene bijna altijd leidt tot de opkomst van de andere.
  • 11. Hartstochten doen vaak hun tegendeel ontstaan: gierigheid leidt soms tot kwistigheid en verkwisting tot gierigheid; men is vaak sterk uit zwakheid en stoutmoedig uit verlegenheid.
  • 12. Welke moeite men ook doet om zijn hartstochten te verbergen achter toewijding en eer, ze komen altijd tevoorschijn door die sluiers heen.
  • 13. Ons egoïsme verdraagt moeilijker de veroordeling van onze smaak dan van onze mening.
  • 14. De mensen zijn niet louter onderworpen aan het vergeten van weldaden en onrecht: ze haten zelfs degenen die hen ergens toe verplicht hebben en houden ermee op degenen te haten die hen wat hebben aangedaan. De verplichting goed terug te moeten doen of kwaad te vergelden lijkt hen een krenking die ze moeilijk kunnen accepteren.
  • 15. De mildheid van heersers is vaak niet meer dan een strategie om de toewijding van het volk te verwerven.
  • 16. De mildheid van heersers, die als een goede eigenschap wordt gezien, komt voort uit ijdelheid, soms uit luiheid, vaak uit vrees, maar bijna altijd uit deze drie samen.
  • 17. De bedaardheid van gelukkige personen komt voort uit de rust die het hen goedgezinde lot geeft aan hun temperament.
  • 18. Matigheid is de vrees het slachtoffer te worden van de afgunst en minachting die degenen ten deel vallen die zwelgen in hun voorspoed; het is een ijdel vertoon van wilskracht; de matigheid van degenen die het meest bereikt hebben is een wens om groter te lijken dan hun welvaart.
  • 19. We beschikken allen over voldoende vermogens om het ongeluk van anderen te verdragen.
  • 20. De onverstoorbaarheid van wijze mensen is niets anders dan de kunst om de onrust in hun hart te bedwingen.
  • 21. Degenen die men tot het schavot veroordeeldt vertonen soms een vastberadenheid en verachting voor de dood, die in feite niets anders is dan de vrees om die onder ogen te zien; zodat men kan zeggen dat deze vastberadenheid en verachting voor hun geest zijn wat de blinddoek voor hun ogen is.
  • 22. Voorbije en toekomstige tegenslagen worden door wijsheid moeiteloos beheerst, maar de huidige winnen het van haar.
  • 23. Weinigen kennen het besef van de dood: men verdraagt het doorgaans niet uit eigen wil, maar door stompzinnigheid of sleur; en de meeste mensen sterven omdat aan sterven niet te ontkomen is.
  • 24. Als groten zich laten ontmoedigen door aanhoudende tegenslagen dan toont dat aan dat ze die slechts konden weerstaan door de kracht van hun ambitie en niet door hun wilskracht; en dat, afgezien van een enorme ijdelheid, helden net zo zijn als andere mensen.
  • 25. Het eist meer van onze vermogens om een gelukkig lot te dragen dan een ongelukkig.
  • 26. De zon en de dood kan men niet lang recht aankijken.
  • 27. Men gaat vaak prat op zelfs de meest misdadige gevoelens, maar de afgunst is zo’n benepen en beschamend gevoel dat men dit nooit durft te erkennen.
  • 28. Jaloezie is, in zekere zin, juist en rechtvaardig aangezien zij slechts beoogt iets te behouden dat wij al of niet terecht als het onze beschouwen; maar afgunst is een razernij die niet kan verdragen dat het anderen goed gaat.
  • 29. Het kwaad dat wij doen bezorgt ons niet zoveel last en haat als onze goede kwaliteiten.
  • 30. We zijn tot meer in staat dan we willen; en vaak is het om onszelf vrij te pleiten dat we ons inbeelden dat dingen onmogelijk zijn.
  • 31. Als we helemaal geen tekortkomingen hadden zouden we er niet zoveel genoegen in scheppen ze bij anderen op te merken.
  • 32. Afgunst voedt zich met twijfel; en wordt woede of eindigt, zodra de twijfel overgaat in zekerheid.
  • 33. De trots weet zich altijd te redden en niets te verliezen, zelfs als zij het aflegt tegenover de ijdelheid.
  • 34. Als we zelf niet trots waren zouden we ons niet beklagen over de trots van anderen.
  • 35. De trots is bij alle mensen gelijk; en zij verschilt slechts in de middelen waarmee en de manier waarop zij zich uit.
  • 36. Het lijkt erop dat de natuur, die zo zorgvuldig de organen van ons lichaam heeft gevormd om ons gelukkig te maken, ons ook de trots heeft geschonken om ons de krenking te besparen van het besef van onze onvolkomenheden.
  • 37. Trots speelt een grotere rol dan goede bedoelingen in de opmerkingen die we maken over fouten van anderen; en we wijzen hen niet terecht om het hen beter te laten doen maar om hen te overtuigen dat wij ervan gevrijwaard zijn.
  • 38. Wij doen beloften naargelang wat we verwachten, en houden ons eraan naargelang wat we vrezen.
  • 39. Het eigenbelang spreekt alle mogelijke talen en speelt alle mogelijke rollen, zelfs die van belangeloosheid.
  • 40. Het eigenbelang, dat de enen verblindt, licht de anderen bij.
  • 41. Zij die zich wijden aan kleine zaken worden gewoonlijk ongeschikt voor grote.
  • 42. We hebben niet voldoende kracht om ons helemaal te laten leiden door ons verstand.
  • 43. De mens meent vaak zichzelf te leiden terwijl hij geleid wordt; en terwijl hij met zijn verstand het ene doel nastreeft leiden zijn gevoelens hem ongemerkt naar het andere.
  • 44. Wat betreft de kracht of zwakte van de geest gebruiken we de verkeerde termen; want het zijn in feite niets anders dan de goede of slechte aanleg van lichamelijke organen.
  • 45. De wispelturigheid van ons humeur is nog meer bizar dan die van het lot.
  • 46. De hechting of onthechting die filosofen ten opzichte van het leven toonden hing slechts af van hun mate van eigenliefde, men dient hierover evenmin te twisten als over smaak of kleur.
  • 47. Ons temperament hangt een prijskaartje aan alles wat het lot ons toebedeelt.
  • 48. Het geluk ligt in onze voorkeuren en niet in de dingen; en het is door te hebben waarvan men houdt dat men gelukkig is, niet door te hebben waarvan anderen houden.
  • 49. Men is nooit zo gelukkig of ongelukkig als men zich voorstelt.
  • 50. Zij die denken een beter lot te verdienen maken er een erezaak van ongelukkig te zijn: ze willen anderen en zichzelf ervan overtuigen dat ze het waard zijn een speelbal van het lot te zijn.
  • 51. Niets zou zozeer onze zelfgenoegzaamheid moeten aantasten dan te merken dan we de ene keer iets afkeuren wat we een andere keer bijval schenken.
  • 52. Welke verschillen er ook lijken te bestaan tussen ieders lot, er is altijd een zekere tegenkracht die het in evenwicht brengt.
  • 53. Welke goede eigenschappen de natuur ook schenkt, het is niet slechts zij maar ook het lot dat iemand tot een held maakt.
  • 54. De verachting van rijkdom door de filosofen was een verborgen wens om wraak te nemen op het lot door die goederen te verachten die hen werden onthouden; het was een geheim wapen tegen de vernedering van de armoede; het was een omweg naar het aanzien dat ze niet konden verwerven door rijkdom.
  • 55. Haat ten opzichte van begunstigden is niets anders dan het zelf daarnaar hunkeren. De ergernis er zelf geen deel aan te hebben wordt getroost en verzacht door minachting tegenover hen; en omdat we de erkenning van anderen niet kunnen voorkomen weigeren we de onze.
  • 56. Om in de wereld te slagen doet men alles wat men kan om geslaagd te schijnen.
  • 57. Hoezeer mensen ook prat gaan op hun grote daden, deze zijn vaak niet het gevolg van een groots opzet, maar van het toeval.
  • 58. Het lijkt er op dat onze daden beïnvloed worden door het toeval, en dat zij daaraan een groot deel van hun lof en blaam moeten toeschrijven.
  • 59. Gebeurtenissen zijn nooit zo ongelukkig dat handige mensen er geen voordeel weten uit te halen, noch zo gelukkig dat onvoorzichtigen er zichzelf niet bij benadelen.
  • 60. Het is het lot dat alles in het voordeel wendt van degenen die het begunstigt.
  • 61. Het geluk en ongeluk van mensen hangt niet minder af van hun temperament dan van het toeval.
  • 62. Oprechtheid komt uit het hart. Men vindt ze bij weinig mensen en wat men gewoonlijk ziet is slechts een subtiele veinzerij om het vertrouwen van anderen te winnen.
  • 63. Afkerigheid van liegen is dikwijls een ongemerkt streven om onze uitspraken gewicht te geven, en onze woorden het gezag van een religie.
  • 64. De waarheid brengt niet zoveel goeds teweeg in de wereld als het kwaad dat wordt veroorzaakt door haar schijn.
  • 65. Bedachtzaamheid wordt alom geprezen; toch weet zij ons niet te behoeden voor de geringste toevalligheid.
  • 66. Een verstandig man moet zijn belangen rangschikken en ze naargelang hun rangorde afwerken; onze hebzucht belemmert dit vaak door veel tegelijk na te jagen zodat we door de wens naar minder belangrijke zaken de belangrijkste mislopen.
  • 67. Bevalligheid is voor het lichaam wat gezond verstand is voor de geest.
  • 68. Het is moeilijk om de liefde te omschrijven: wat men ervan kan zeggen is dat het in de ziel om heerszucht gaat; in de geest om sympathie; en in het lichaam een verborgen en heerlijk verlangen om na een heleboel geheimzinnig gedoe te hebben wat men lekker vindt.
  • 69. Als er al een liefde bestaat die zuiver is en niet vermengd met andere hartstochten, dan is het er een die diep in het hart verborgen zit en die we niet kennen.
  • 70. Er is geen masker dat lang een bestaande liefde kan verbergen, noch een onbestaande veinzen.
  • 71. Er zijn vrijwel geen mensen die zich niet schamen verliefd te zijn geweest als ze dat niet langer meer zijn.
  • 72. Als men de liefde beoordeelt naar de meeste van haar gevolgen dan heeft ze meer gemeen met haat dan met vriendschap.
  • 73. Er zijn vrouwen te vinden die nooit een avontuurtje hadden, maar men vindt er zelden een die er slechts één heeft gehad.
  • 74. Er is maar één soort liefde, maar er zijn duizend verschillende kopieën.
  • 75. De liefde kan, net als het vuur, niet bestaan zonder voortdurende beweging; en zij dooft uit zodra zij ophoudt te hopen of te vrezen.
  • 76. Met de ware liefde is het net als met een geestverschijning: iedereen praat er over, maar weinigen hebben haar gezien.
  • 77. Liefde leent haar naam aan een oneindig aantal handelingen die men aan haar toeschrijft maar waar zij even weinig mee te maken heeft als de Doge met wat zich in Venetië afspeelt.
  • 78. Rechtvaardigheidsliefde is bij de meeste mensen slechts de vrees om onrecht te ondergaan.
  • 79. Zwijgen is de veiligste toevlucht voor iemand die zichzelf niet vertrouwt.
  • 80. Wat ons in onze vriendschappen zo veranderlijk maakt is dat men moeilijk de gemoedstoestanden kan kennen, maar makkelijk de gedachten.
  • 81. We kunnen niet van iets houden tenzij op basis van onszelf en we volgen slechts onze eigen voorkeur en genoegen als we onze vrienden vooropstellen ten opzichte van onszelf; het is echter slechts door deze voorkeur dat pure en echte vriendschap kan bestaan.
  • 82. De verzoening met onze vijanden is niet anders dan het verlangen om onze omstandigheden te verbeteren, het moe zijn van de oorlog en de vrees voor een nare gebeurtenis.
  • 83. Wat mensen vriendschap noemen is niets anders dan een samenwerking, een gezamenlijk omgaan met belangen, een uitwisseling van diensten; het is niets anders dan een handel waarin de eigenliefde altijd verwacht er iets bij te zullen winnen.
  • 84. Zijn vrienden wantrouwen is beschamender dan er door bedrogen te worden.
  • 85. We overtuigen er onszelf vaak van gesteld te zijn op mensen die machtiger zijn dan wij, maar toch is het enkel eigenbelang waar onze vriendschap uit voortspruit. We wijden ons niet aan hen om het goede dat we hen willen bieden, maar om dat wat wij van hen willen ontvangen.
  • 86. Ons wantrouwen rechtvaardigt het bedrog door anderen.
  • 87. Mensen zouden elkaar niet lang gezelschap houden als ze elkaar niet zouden bedriegen.
  • 88. Eigenliefde laat de goede eigenschappen van onze vrienden toe- of afnemen naargelang onze voldoening over hen; en we beoordelen hun verdiensten naar de manier waarop ze zich tegenover ons gedragen.
  • 89. Iedereen klaagt over zijn geheugen, maar niemand over zijn oordeelsvermogen.
  • 90. In de sociale omgang vallen we vaak meer in de smaak door onze gebreken dan door onze goede eigenschappen.
  • 91. De grootste ambitie verliest heel haar glans als ze bij het nastreven van haar doel op een onoverkomelijke hindernis stuit.
  • 92. Een man met een hoge eigendunk zijn illusies ontnemen is hem een even slechte dienst bewijzen als de gek uit Athene overkwam, die dacht dat alle binnenvarende schepen van hem waren.
  • 93. Bejaarden geven zo graag goede raad om zichzelf ervoor te troosten dat ze niet meer het slechte voorbeeld kunnen geven.
  • 94. Een grote naam vernedert in plaats van verheft degene die niet in staat is hem hoog te houden.
  • 95. Het kenmerk van een grote verdienste is dat degenen die haar het meest benijden zich genoodzaakt voelen haar te prijzen.
  • 96. Pas die man is ondankbaar die minder dankbaar is dan zijn weldoener tegenover anderen is.
  • 97. Men vergiste zich toen men dacht dat intelligentie en oordeelsvermogen twee verschillende dingen zijn: oordeelsvermogen is niets anders dan de grote helderheid van de intelligentie; deze helderheid verlicht zaken tot op de bodem, merkt er alles op wat opmerkenswaardig is en zelfs wat onwaarneembaar lijkt. Men moet het er dus mee eens zijn dat het de enorme helderheid van de intelligentie is die alles tot stand brengt wat toegeschreven wordt aan het oordeelsvermogen.
  • 98. Iedereen prijst zijn gevoelens, en niemand durft zijn verstand te prijzen.
  • 99. Geestelijke beschaving bestaat uit het hebben van oprechte en fijnzinnige gedachten.
  • 100. Geestelijke charme bestaat uit het op een aangename manier vleiende dingen zeggen.
  • 101. Het gebeurt vaak dat dingen zich in onze geest presenteren in een meer afgewerkte vorm dan we via langdurige inspanning hadden kunnen bereiken.
  • 102. Het verstand wordt altijd beetgenomen door het gevoel.
  • 103. Allen die hun geest kennen, kennen niet hun gevoelens.
  • 104. Mensen en zaken vergen hun eigen gezichtspunt: er zijn er die men van dichtbij moet zien om er goed over te oordelen; en andere waarvan men pas op afstand een goed beeld krijgt.
  • 105. Niet hij is rationeel die bij toeval de redelijkheid vindt, maar hij die haar kent, waarneemt en verifieert.
  • 106. Om de dingen goed te kennen moet men hun details weten en aangezien deze vrijwel oneindig zijn blijft onze kennis altijd oppervlakkig en beperkt.
  • 107. Het is een vorm van koketterie erop te wijzen dat men daar nooit aan doet.
  • 108. Het verstand weet niet lang de rol van het gevoel te spelen.
  • 109. Jongeren wisselen van voorkeur door de warmte van hun bloed, ouderen behouden de hunne uit gewoonte.
  • 110. Niets wordt zo gul gegeven als goede raad.
  • 111. Hoe meer we van een geliefde houden, hoe meer we geneigd zijn haar te haten.
  • 112. De aantasting van de geest neemt toe met de jaren, net als die van het gelaat.
  • 113. Er zijn goede huwelijken, maar er zijn totaal geen verrukkelijke.
  • 114. We kunnen geen troost vinden voor het bedrogen zijn door vijanden en verraden door vrienden, maar we berusten erin als we het onszelf aandoen.
  • 115. Het is even makkelijk zichzelf te bedriegen zonder het te merken als het moeilijk is om anderen te bedriegen zonder dat zij het merken.
  • 116. Niets is minder oprecht dan de gewoonte om raad te vragen en te geven: degene die erom vraagt lijkt een respectvolle eerbied te hebben voor de meningen van zijn vriend, hoewel hij slechts een bevestiging van de zijne wil horen en de ander borg wil laten staan voor zijn gedrag; en degene die raad geeft vergoedt het vertrouwen dat men in hem stelt met een fervente en belangeloze ijver, terwijl hij nochtans meestal in de gegeven adviezen niets anders zoekt dan zijn eigen belang en eer.
  • 117. De meest verfijnde kunst is te veinzen dat we de val niet opmerken die men voor ons opzet, maar men wordt nooit zo makkelijk bedrogen als wanneer men probeert anderen te bedriegen.
  • 118. Het voornemen nooit te bedriegen stelt ons bloot aan het gevaar vaak bedrogen te worden.
  • 119. We zijn er zo aan gewend tegenover anderen te huichelen dat we op den duur huichelen tegenover onszelf.
  • 120. Men pleegt vaker verraad uit zwakheid dan door een vooropgezet plan om te verraden.
  • 121. Vaak doet men goed om ongestraft kwaad te kunnen doen.
  • 122. Als we standhouden tegenover onze hartstochten is het meer door hun zwakheid dan door onze kracht.
  • 123. We zouden weinig plezier beleven als we onszelf nooit zouden vleien.
  • 124. De meest geslepenen wijden heel hun leven aan het op de hak nemen van sluwheid, om er zich bij een gunstige gelegenheid zelf van te bedienen als er een groot belang op het spel staat.
  • 125. Het regelmatig hanteren van sluwheid is het kenmerk van een kleingeestige, en door daarmee iets te verbergen brengt men bijna altijd wat anders aan het licht.
  • 126. List en bedrog komen slechts voort uit een gebrek aan bekwaamheid.
  • 127. De echte manier om bedrogen te worden is zichzelf slimmer te achten dan anderen.
  • 128. Een te grote scherpzinnigheid is valse spitsvondigheid; een gevatte spitsvondigheid is echt scherpzinnig.
  • 129. Lomp zijn is soms voldoende om niet bedrogen te worden door een geslepen persoon.
  • 130. Zwakheid is het enige gebrek dat niet valt te corrigeren.
  • 131. Het minst onvolkomene van vrouwen die zich aan de liefde gaan wijden is dat ze zich aan de liefde wijden.
  • 132. Het is makkelijker verstandig te zijn voor anderen dan voor zichzelf.
  • 133. De enige goede kopieën zijn die welke ons de belachelijkheid tonen van de slechte originelen.
  • 134. Men is niet zozeer belachelijk door de eigenschappen die men heeft, als door die welke men voorwendt te hebben.
  • 135. Soms verschilt men evenzeer van zichzelf als van anderen.
  • 136. Er zijn mensen die nooit verliefd zouden zijn geworden als ze er niet hadden horen over praten.
  • 137. Er wordt weinig gepraat als de ijdelheid niet tot praten aanzet.
  • 138. Men spreekt liever kwaad over zichzelf dan er helemaal niet over te spreken.
  • 139. Een van de dingen waarom men zo weinig mensen vindt die redelijk en aangenaam lijken in een gesprek is dat er bijna niemand is die niet veel meer denkt over wat hij zelf wil zeggen dan over een duidelijk antwoord op wat men hem vertelt. De handigste en meest gedienstige personen beperken zich tot slechts een aandachtige gezichtsuitdrukking, terwijl men tegelijkertijd in hun ogen en geest verstrooidheid merkt ten opzichte van wat hen gezegd wordt, en ongeduld om terug te keren naar wat ze willen zeggen; ze verliezen daarbij uit het oog dat die sterke zelfingenomenheid een slechte methode is om anderen van nut te zijn of te overtuigen; en dat goed luisteren en goed antwoorden een van de grootste verdiensten is die men in een gesprek kan hebben.
  • 140. Een verstandig man zou vaak in verlegenheid raken zonder het gezelschap van dommen.
  • 141. We pochen vaak dat we ons niet vervelen, en we zijn zo zelfingenomen dat we onszelf niet als slecht gezelschap willen zien.
  • 142. Zoals grote denkers het vermogen hebben om veel dingen duidelijk te maken met weinig woorden, zo hebben kleingeestigen daarentegen de gave om veel te praten en niets te zeggen.
  • 143. Dat we de goede eigenschappen van anderen overdrijven komt meer door overschatting van onze eigen mening in plaats van door een juist oordeel over hun verdienste; en we willen graag lof ontvangen als we hen die lijken te geven.
  • 144. Men houdt er niet van lof te uiten, en men looft nooit iemand zonder eigenbelang. Lof is een handige vleierij, verborgen en subtiel, die op een verschillende manier de gever en de ontvanger genoegen doet: de een ziet het als een erkenning van zijn verdiensten; de ander geeft het om zijn onpartijdigheid en oordeelsvermogen te demonstreren.
  • 145. We kiezen onze complimenten vaak in zulke venijnige bewoordingen dat ze, in wat we prijzen, gebreken tonen die we niet op een andere manier aan het licht durven brengen.
  • 146. Men prijst gewoonlijk slechts om geprezen te worden.
  • 147. Weinig mensen zijn zo verstandig dat ze kritiek die hen tot nut kan zijn verkiezen boven lof die onterecht is.
  • 148. Er zijn verwijten die loven en loftuitingen die afkeuren.
  • 149. Lof wegwimpelen is twee keer lof willen ontvangen.
  • 150. De wens om recht te doen aan de complimenten die men ons geeft versterkt onze wilskracht; en die welke men geeft aan het verstand, de dapperheid en de schoonheid doen deze toenemen.
  • 151. Het is moeilijker om te voorkomen dat men geregeerd wordt dan zelf te regeren.
  • 152. Als we onszelf niet zouden vleien zou de vleierij van anderen ons niet kunnen schaden.
  • 153. De natuur schept de verdiensten, en het lot zet ze in werking.
  • 154. Het lot corrigeert veel gebreken die ons verstand niet weet te corrigeren.
  • 155. Er zijn onaangename mensen die verdiensten hebben, en anderen die bevallen door hun tekortkomingen.
  • 156. Er zijn mensen waarvan de enige verdienste er uit bestaat dat ze dwaasheden zeggen en doen die goed uitpakken, en die alles zouden verknoeien als ze hun gedrag zouden wijzigen.
  • 157. De roem van grote mensen moet altijd vergeleken worden met de middelen die ze hebben aangewend om die te verwerven.
  • 158. Vleierij is een valse munt, waarvan de koers bepaald wordt door onze ijdelheid.
  • 159. Het is niet voldoende grote kwaliteiten te hebben, men moet er ook weten mee om te gaan.
  • 160. Hoe schitterend een daad ook is, ze moet niet voor groots doorgaan als ze niet het gevolg is van een groots plan.
  • 161. Er moet een zekere balans zijn tussen daden en hun bedoelingen, als men alle eventuele effecten ervan wil benutten.
  • 162. De vaardigheid om middelmatige kwaliteiten goed te benutten dwingt respect af en levert vaak een betere reputatie op dan echte verdienste.
  • 163. Er zijn oneindig veel gedragingen die belachelijk lijken, terwijl de verborgen motieven verstandig en doordacht zijn.
  • 164. Het is makkelijker een functie waardig te schijnen die men niet heeft dan een die men werkelijk uitoefent.
  • 165. Onze verdiensten leveren ons de achting van oprechte mensen, ons lot die van het publiek.
  • 166. De wereld beloont veel vaker de schijn van verdienste dan de verdienste zelf.
  • 167. Gierigheid is meer het tegengestelde van goed beleid dan van vrijgevigheid.
  • 168. De hoop, hoe bedrieglijk ook, helpt ons tenminste om het einde van ons leven te halen langs een aangenamer weg.
  • 169. Terwijl het luiheid en verlegenheid zijn waardoor we ons aan onze verplichtingen houden is het vaak onze deugd die er om wordt geprezen.
  • 170. Het is moeilijk te beoordelen of een zuivere, eerlijke en respectabele handelwijze het gevolg is van integriteit of van gewiekstheid.
  • 171. Goede bedoelingen monden uit in eigenbelang, zoals rivieren in de zee.
  • 172. Als men de verschillende consequenties van ergernis goed onderzoekt zal men ontdekken dat zij meer verzuim uitlokt dan het eigenbelang.
  • 173. Er zijn verschillende soorten nieuwsgierigheid: zo komt er één voort uit eigenbelang en zet ons aan te willen weten wat ons van nut kan zijn; en een andere uit verwaandheid, die ons doet wensen te weten wat anderen niet weten.
  • 174. Het is beter onze intelligentie te gebruiken om tegenslagen op te vangen die ons overkomen dan om die te voorzien die ons kunnen overkomen.
  • 175. Trouw in de liefde bestaat uit voortdurende ontrouw, die maakt dat onze gevoelens zich achtereenvolgens hechten aan elke eigenschap van de geliefde, met nu eens een voorkeur voor de ene , dan weer voor de andere eigenschap: op die manier is de trouw slechts een ontrouw die wordt ingeperkt en vastgehouden door dezelfde persoon.
  • 176. Er zijn twee soorten trouw in de liefde: de ene komt voort uit het vinden van steeds nieuwe aantrekkelijke punten in de persoon van de geliefde, de andere uit het een erezaak maken van de trouw.
  • 177. Vasthoudendheid verdient blaam noch lof, aangezien zij niets anders is dan het standhouden van onze voorkeuren of gevoelens, die men niet van zich af kan werpen noch zich toeeigenen.
  • 178. Wat maakt dat we nieuwe kennissen aardig vinden is niet de afkeer van de oude, of het plezier van de afwisseling, maar de teleurstelling over niet genoeg bewonderd worden door degenen die ons te goed kennen, en de hoop meer bewondering te oogsten bij degenen die ons nog niet zo goed kennen.
  • 179. We beklagen ons soms achteloos over onze vrienden om op voorhand onze eigen achteloosheid te rechtvaardigen.
  • 180. Ons berouw is niet zozeer spijt over het kwaad dat we gedaan hebben als vrees voor de gevolgen.
  • 181. Er is een wispelturigheid die voortkomt uit achteloosheid of zwakheid van de geest, waardoor deze de opvattingen van anderen klakkeloos overneemt: en er is een andere die vergeeflijker is en die voortkomt uit de afkeer van dingen.
  • 182. Ondeugden doen dienst in de samenstelling van deugden, zoals giftige stoffen in die van medicijnen: wie wijs is mengt en tempert ze en bedient zich er uiteindelijk van tegen de kwalen van het leven.
  • 183. Men moet het er mee eens zijn, en het de deugd nageven, dat de ergste ellende die mensen overkomt die is waarin ze door hun eigen misdaden terechtkomen.
  • 184. We erkennen onze gebreken, om door onze oprechtheid de nadelen op te heffen die ze ons opleveren in de beoordeling door anderen.
  • 185. Er zijn helden in het kwade zoals in het goede.
  • 186. Men veracht niet iedereen die ondeugden heeft, maar men veracht iedereen die geen enkele deugd heeft.
  • 187. De benaming deugd wordt net zo goed gegeven aan eigenbelang als aan ondeugden.
  • 188. Gezondheid van de geest is even onzeker als die van het lichaam; en al lijkt men ver verwijderd van hartstochten, men is niet minder in gevaar zich door hen te laten meeslepen dan om ziek te worden terwijl men zich gezond voelt.
  • 189. Het ziet er naar uit dat de natuur bij ieder mens, vanaf zijn geboorte, grenzen heeft gesteld van zijn goede eigenschappen en aan zijn slechte.
  • 190. Het past enkel grote mensen om grote gebreken te hebben.
  • 191. Men zou kunnen zeggen dat de ondeugden ons opwachten in onze levensloop als waren het gastheren waarbij men opeenvolgend moet logeren; en ik betwijfel of de ervaring ons hen zou laten ontwijken als we twee keer dezelfde weg mochten volgen.
  • 192. Als de ondeugden ons verlaten vleien we ons met de overtuiging dat wij het zijn die hen verlaten.
  • 193. Er zijn recidieven in de ziekten van de ziel net als in die van het lichaam; wat we aanzien voor onze genezing is meestal niets anders dan een onderbreking of een verandering van de kwaal.
  • 194. Ziekten van de ziel zijn als lichamelijke wonden: welke zorg we ook aan hun genezing besteden, het litteken blijft aanwezig en dreigt zich ieder ogenblik weer te openen.
  • 195. Wat ons zo vaak belet ons over te geven aan een ondeugd is dat we er nog meer hebben.
  • 196. We vergeten makkelijk onze fouten als wij alleen ze kennen.
  • 197. Er zijn mensen waarover we nooit iets slechts zouden geloven tenzij we het zien; maar er zijn er geen waarbij het ons moet verbazen als we het zien.
  • 198. We bewieroken de enen om de anderen af te kraken, en soms onthouden we zowel Condé als Turenne onze lof om geen van beiden neer te halen.
  • 199. De wens om knap te lijken belet vaak het te zijn.
  • 200. De deugd zou niet zo ver gaan als de ijdelheid haar geen gezelschap hield.
  • 201. Wie denkt dat hij zonder de anderen kan vergist zich schromelijk; maar wie denkt dat de anderen niet zonder hem kunnen vergist zich nog veel meer.
  • 202. Schijnbaar respectabele mensen zijn diegenen die hun tekortkomingen verbergen voor zowel anderen als zichzelf; echt respectabel zijn degenen die ze terdege kennen en er voor uit komen.
  • 203. De echt respectabele man is degene die zich nergens op beroemt.
  • 204. Ongenaakbaarheid is bij vrouwen gekunsteld, opsmuk waarmee ze hun schoonheid verhogen.
  • 205. Het fatsoen van vrouwen komt vaak voort uit gehechtheid aan hun reputatie en hun rust.
  • 206. Men is werkelijk een respectabel mens als men zich niet onttrekt aan de blikken van respectabele mensen.
  • 207. Dwaasheid gaat mee met onze levensloop. Als iemand wijs lijkt dan is dat slechts omdat zijn dwaasheden passen bij zijn leeftijd en omstandigheden.
  • 208. Er zijn onnozele mensen die dat zelf beseffen, en die handig gebruik maken van hun onnozelheid.
  • 209. Wie nooit een dwaasheid begaat is niet zo wijs als hij denkt.
  • 210. Met de jaren nemen zowel dwaasheid als wijsheid toe .
  • 211. Sommige mensen lijken op populaire liedjes, die maar een korte tijd gezongen worden.
  • 212. De meeste mensen beoordelen anderen slechts naar hun succes of hun fortuin.
  • 213. De wens om te schitteren, de angst voor de schande, het voornemen fortuin te maken, het verlangen ons leven makkelijk en aangenaam te maken, en de zin om anderen te vernederen, zijn vaak de oorzaken van de onder mensen zo geroemde dapperheid.
  • 214. Dapperheid is bij eenvoudige soldaten een gevaarlijk vakmanschap dat ze hebben aangenomen om zich in leven te houden.
  • 215. Weergaloze dapperheid en totale lafheid zijn twee uitersten waar men slechts zelden in belandt. De ruimte tussen beide is uitgestrekt en bevat alle andere vormen van moed: er zijn niet minder verschillen tussen hen dan tussen de verschillende gezichten en karakters. Er zijn mensen die zich vrijwillig aan gevaar blootstellen bij het begin van een gevecht maar die het makkelijk laten afweten en de moed opgeven bij de voortzetting ervan; er zijn er die zich tevreden stellen als ze in de ogen van het publiek hun eer gered hebben en die weinig meer doen dan dat. Er zijn er die niet doorlopend hun angst even goed de baas blijven; anderen laten zich soms meeslepen door algemene paniek; weer anderen gaan tot de aanval over omdat ze niet op hun post durven te blijven. Er zijn er bij wie het gewend zijn aan kleinere gevaren hun moed versterkt en hen in staat stelt grotere te trotseren. Sommigen zijn dapper tegenover degenstoten maar vrezen musketschoten.; anderen zijn zelfverzekerd tegenover musketschoten en zien op tegen het moeten vechten met degenstoten. Al deze verschillende soorten moed hebben gemeen dat de nacht, die angst doet groeien en zowel goede als slechte daden verhult, de gelegenheid biedt zich enigszins te redden. We zien nog een meer algemene manier van zich redden: want we zien niemand doen wat hij had kunnen doen als hij zeker was het er levend vanaf te zullen brengen. Zodat het duidelijk is dat door de doodsangst aan dapperheid wordt ingeboet.
  • 216. Echte dapperheid is zonder getuigen doen wat men zou kunnen doen als iedereen toekeek.
  • 217. Koelbloedigheid is een buitengewone kracht van het gemoed, waardoor het zich verheft boven de verwarring, chaos en emoties die het zien van grote gevaren in haar zou kunnen oproepen; en het is door deze kracht dat helden zich kalm staande weten te houden en de vrije beschikking over hun verstand hebben onder de meest overweldigende en angstaanjagende omstandigheden.
  • 218. Huichelarij is een eerbewijs dat de ondeugd aan de deugd brengt.
  • 219. De meeste mensen stellen zich in een oorlog voldoende aan gevaar bloot om hun eer te redden; maar slechts weinigen willen zich altijd aan zoveel gevaar blootstellen als nodig is om het doel te bereiken waarvoor ze zich aan gevaar blootstellen.
  • 220. Ijdelheid, schaamte en vooral temperament bepalen vaak de dapperheid van mannen en de deugdzaamheid van vrouwen.
  • 221. Men wil zeker zijn leven niet verliezen, en men wil roem oogsten; dit leidt ertoe dat dapperen meer behendigheid en verstand hebben om aan de dood te ontsnappen dan duitenklievers om hun bezit te bewaren.
  • 222. Er zijn vrijwel geen personen die niet bij het eerste verval van de ouderdom laten zien op welke manier hun lichaam en geest zullen aftakelen.
  • 223. Dankbaarheid hangt samen met het goed vertrouwen van kooplui: het houdt de handel in stand, en we kwijten onze schulden niet omdat we dat rechtvaardig vinden maar om makkelijker mensen te vinden die ons krediet verlenen.
  • 224. Al degenen die uit verplichting dankbaarheid tonen hoeven daarom nog niet prat te gaan op hun dankbaarheid.
  • 225. De misrekening bij de dankbaarheid die we verwachten voor bewezen diensten ontstaat doordat de trots van de gever en de trots van de ontvanger het niet eens kunnen worden over de prijs van de gunst.
  • 226. Al te grote haast om aan een verplichting te voldoen is een vorm van ondankbaarheid.
  • 227. Mensen die geluk hebben zijn niet kritisch op zichzelf, en denken altijd gelijk te hebben zolang het lot hun verkeerde gedragingen niet afstraft.
  • 228. Trots wil geen verplichtingen, eigenliefde wil niet betalen.
  • 229. De goede diensten die we van iemand hebben ontvangen verplichten ons de narigheden van zijn kant te verdragen.
  • 230: Niets werkt zo aanstekelijk als een voorbeeld en we doen nooit iets erg goeds of erg slechts zonder dat het navolging opwekt. We imiteren goede daden door wedijver; en slechte door de verdorvenheid van onze aard, die door de schaamte achter slot en grendel was gezet, maar door het voorbeeld in vrijheid wordt gesteld.
  • 231. Het is een grote dwaasheid om als enige wijs te willen zijn.
  • 232. Welk voorwendsel we ook geven aan ons verdriet, het wordt vaak enkel gevoed door eigenbelang en ijdelheid.
  • 233. Er zijn in het verdriet verschillende soorten huichelarij: zo is er een vorm waarin we, onder het voorwendsel te huilen om het verlies van een dierbaar persoon, onszelf betreuren; we hebben spijt van het gunstige oordeel over ons dat met hem verdwijnt; we betreuren het verlies van onze voorspoed, ons plezier, ons prestige. Zo krijgen de doden de eer van de tranen die enkel vloeien om de levenden. Ik noem dit een vorm van huichelarij omdat men in dit soort verdriet zichzelf bedriegt. Er is een andere huichelarij die minder onschuldig is, omdat zij iedereen voor de gek houdt: dat is het verdriet van sommige personen die streven naar de eer van een mooi en eeuwig lijden. Nadat de tijd, die alles oplost, de echte smart heeft geheeld, volharden ze hardnekkig in hun tranen, klachten en zuchten; ze spelen een somber personage en spannen zich in om door al hun daden het beeld op te roepen dat hun ongeluk pas zal eindigen als hun leven eindigt. Deze droevige en vermoeiende ijdelheid vindt men gewoonlijk bij eerzuchtige vrouwen: doordat hun geslacht hen alle wegen naar de glorie verspert spannen ze zich in om naam te maken door een vertoon van ontroostbaar verdriet. Er is nog een andere soort tranen, die slechts onbeduidende bronnen hebben en makkelijk vloeien en weer opdrogen: men huilt om voor teer door te gaan; men huilt om medelijden op te wekken; men huilt om betreurd te worden; tenslotte huilt men om de slechte reputatie te vermijden dat men nooit huilt.
  • 234. Het is vaker door trots dan door gebrek aan inzicht dat men zich met zoveel hardnekkigheid verzet tegen de meest gangbare opvattingen: men vindt de eerste rangen van de goede partij bezet en wil niet op de laatste zitten.
  • 235. We leggen ons makkelijk neer bij tegenslagen van onze vrienden, als we daardoor de kans krijgen hen onze genegenheid te tonen.
  • 236. Het lijkt alsof eigenliefde door goedhartigheid bedrogen wordt, en dat ze zichzelf vergeet als we ons inspannen voor het welzijn van anderen. Maar op die manier neemt zij juist de meest zekere weg naar het doel: het is lenen met woekerrente onder de mom van geven; zij kan zo iedereen voor zich winnen op een subtiele en verfijnde manier.
  • 237. Niemand verdient te worden geprezen voor zijn goedaardigheid als hij niet het vermogen heeft om iets slechts te doen: elke andere goedaardigheid is meestal slechts luiheid of gebrek aan wilskracht.
  • 238. Het is bij de meeste mensen minder gevaarlijk hen slecht te behandelen dan er al te goed voor te willen zijn.
  • 239. Niets streelt onze trots meer dan vertrouwelijkheid van groten, aangezien we dat als een gevolg van onze verdienste zien, zonder te merken dat het meestal voortkomt uit hun ijdelheid of loslippigheid.
  • 240. Men kan van aantrekkelijkheid, los van schoonheid, zeggen dat het een symmetrie betreft waarvan men de regels niet kent, en een geheimzinnige samenhang van: alle trekken samen, de trekken met de kleuren, en het voorkomen van de persoon.
  • 241. Behaagzucht ligt aan de basis van het vrouwelijk temperament; maar niet allen geven er uiting aan omdat bij sommigen de behaagzucht wordt afgeremd door angst of gezond verstand.
  • 242. Men ergert anderen vaak, wanneer men denkt hen nooit te kunnen ergeren.
  • 243. Slechts weinig dingen zijn op zichzelf onuitvoerbaar; en het ontbreekt ons vaker aan de inspanning om ze te laten slagen dan aan de middelen.
  • 244. De hoogste bekwaamheid bestaat uit het kennen van de prijs van alle dingen.
  • 245. Het is een grote bekwaamheid als men zijn bekwaamheid weet te verbergen.
  • 246. Wat edelmoedigheid lijkt is vaak niet anders dan een vermomde ambitie, die kleine belangen negeert om grotere na te streven.
  • 247. De betrouwbaarheid van de meeste mensen is niets anders dan een uitvinding van de eigenliefde om vertrouwen te wekken; het is en manier om ons boven anderen te verheffen en ons tot hoeder te maken van de belangrijkste zaken.
  • 248. Grootmoedigheid versmaadt alles, om alles te hebben.
  • 249. Er is niet minder welsprekendheid in de toon van de stem, in de ogen en de houding van de persoon, dan in de keuze van de woorden.
  • 250. Echte welsprekendheid bestaat er uit te zeggen wat nodig is, en niet meer dan nodig is.
  • 251. Er zijn mensen die gesierd worden door hun gebreken, en anderen die ontsierd worden door hun kwaliteiten.
  • 252. Het is even gewoon om de smaak te zien veranderen als het ongewoon is om de voorkeuren te zien veranderen.
  • 253. Het eigenbelang maakt gebruik van alle mogelijke deugden en ondeugden.
  • 254. Nederigheid is vaak niets meer dan geveinsde onderwerping, waarvan men zich bedient om anderen te onderwerpen; het is een kunstgreep van de trots die zich verlaagt om zich te verheffen; en hoewel deze duizend verschillende vormen kan aannemen is hij nooit meer bedrieglijk en beter vermomd dan wanneer hij zich verbergt achter de gedaante van nederigheid.
  • 255. Alle gevoelens hebben elk hun eigen intonatie, gebaren en uitdrukkingen; en de samenhang hiervan, goed of slecht, aangenaam of onaangenaam, maakt dat een persoon prettig overkomt of niet.
  • 256. In elk beroep neemt elk de uiterlijke schijn aan waarin men anderen wil laten geloven: men kan dus zeggen dat de wereld slechts uit schijn bestaat.
  • 257. Gewichtigheid is een raadselachtig spelletje, bedacht om leegheid van geest te verbergen.
  • 258. Goede smaak is eerder het resultaat van oordeelsvermogen dan van intelligentie.
  • 259: Het genot van de liefde bestaat in het liefhebben, en men is gelukkiger door de gevoelens die men heeft dan door die welke men bij de geliefde opwekt.
  • 260: Wellevendheid is de wens om ook zodanig behandeld te worden en als beleefd gezien te worden.
  • 261: De opvoeding die men doorgaans aan jongeren geeft is het verstrekken van een tweede dosis eigenliefde.
  • 262: Geen enkele hartstocht wordt zo hevig beheerst door eigenliefde als de liefde, en men is altijd veel meer bereid de vrede van de geliefde op te offeren dan de zijne te verliezen.
  • 263. Wat men vrijgevigheid noemt is meestal niets anders dan schenken vanuit onze ijdelheid, die ons nauwer aan het hart ligt dan dat wat we geven.
  • 264. Medelijden is vaak het voelen van ons eigen leed in het leed van anderen; het is een handige vooruitblik op ongeluk dat ons kan overkomen; we geven hulp aan anderen om hen te motiveren in gelijkaardige omstandigheden hulp aan ons te bieden, en de diensten die we hen verlenen zijn, op de keper beschouwd, weldaden die we alvast voor onszelf verrichten.
  • 265. Bekrompenheid van geest leidt tot halsstarrigheid, en we geloven niet makkelijk wat buiten ons gezichtsveld ligt.
  • 266. Men vergist zich als men denkt dat het slechts heftige hartstochten zijn, zoals eerzucht en liefde, die over de andere kunnen triomferen. De luiheid, hoe futloos zij ook is, laat vaak niet na hen de baas te zijn: zij maakt zich meester van alle plannen en daden in het leven; ongemerkt vernietigt en verslindt zij hartstochten en deugden.
  • 267. De neiging om een beschuldiging te geloven, zonder die voldoende te verifiëren, komt voort uit trots en luiheid: men wil schuldigen vinden en niet de moeite nemen om de daden te onderzoeken.
  • 268. We verwerpen rechters om de geringste belangen; maar we laten onze reputatie en eer sterk afhangen van het oordeel van anderen, die ons helemaal vijandig gezind zijn door hun afgunst, hun vooroordelen of hun kleingeestigheid; en het is om hen gunstige uitspraken te ontlokken dat we op allerlei manieren onze rust en ons leven in gevaar brengen.
  • 269. Zelden is een mens intelligent genoeg om al het kwaad op te merken dat hij aanricht.
  • 270. Verworven eer is een onderpand voor te verwerven eer.
  • 271. Jong zijn is een aanhoudende roes: het is de koorts van het verstand.
  • 272. Niets zou mensen die grote lof verdienden nederiger moeten maken dan de moeite die ze nog doen om zich te laten gelden in kleinigheden.
  • 273. Er zijn mensen die men in de wereld waardeert en die geen andere verdiensten hebben dan de tekortkomingen die hen van nut zijn in de sociale omgang.
  • 274. De bevalligheid van het nieuwe is voor de liefde wat het dons op de vrucht is: het geeft er een glans aan die makkelijk weggeveegd kan worden en niet meer terugkomt.
  • 275. Spontane goedhartigheid, die er prat op gaat uit gevoeligheid te handelen, wordt vaak verstikt door een gering eigenbelang.
  • 276. Afwezigheid doet middelmatige gevoelens verminderen en sterke toenemen, zoals de wind kaarsen uitdooft maar het vuur aanwakkert.
  • 277. Vrouwen denken vaak lief te hebben terwijl ze niet liefhebben: het in beslag genomen worden door een avontuurtje, de opwinding die een verhouding geeft, de natuurlijke neiging tot het genot van geliefd worden, en de moeite om af te wijzen overtuigen hen ervan dat ze hartstocht voelen terwijl ze enkel behaagzucht hebben.
  • 278. Wat maakt dat we zo vaak ontevreden zijn over onderhandelaars is dat ze bijna altijd het belang van hun vrienden laten varen voor het slagen van de onderhandelingen, wat hun eigen belang wordt door de eer die ze kunnen inleggen als ze slagen in hun opdracht.
  • 279. Als we de genegenheid aandikken, die onze vrienden voor ons voelen, is dat vaak minder uit erkentelijkheid dan vanuit de wens onze verdiensten aan te tonen.
  • 280. De bijval die men geeft aan starters komt vaak voort uit stille afgunst op degenen die hun naam al gevestigd hebben.
  • 281. De trots, die ons zoveel afgunst bezorgt, helpt ons vaak ook om die te temperen.
  • 282. Er zijn gehuichelde bedriegerijen die de waarheid zo sterk benaderen dat men er verkeerd aan doet zich er niet door te laten beetnemen.
  • 283. Het vergt soms niet minder denkwerk om een goed advies te kunnen benutten dan om zelf een oplossing te vinden.
  • 284. Er zijn schurken die minder gevaarlijk zouden zijn als ze niet ook een beetje goedhartig waren.
  • 285. Grootmoedigheid wordt voldoende gedefinieerd door zijn naam; niettemin zou men kunnen zeggen dat het het gezond verstand van de trots is, en de meest nobele weg om lof te oogsten.
  • 286. Het is onmogelijk een tweede keer te houden van een liefde die men eerder volledig heeft beëindigd.
  • 287. Het is niet de scherpte van het verstand die ons meerdere oplossingen voor eenzelfde probleem doet vinden, dan dat het gebrek aan invallen ons laat talmen bij alles wat in onze verbeelding opkomt en ons belet van meet af aan de beste uitweg te zien.
  • 288. Sommige kwesties en ziekten verslechteren door de remedie op een bepaald moment en de grote vaardigheid bestaat er uit te weten wanneer het gevaarlijk is die laatste toe te passen.
  • 289. Gekunstelde eenvoud is precair bedrog.
  • 290. Er zijn meer gebreken in het temperament dan in de geest.
  • 291. De verdienstelijkheid van mensen heeft zijn seizoen, net zoals de vruchten.
  • 292. Men kan over het temperament van mensen hetzelfde zeggen als van gebouwen: dat de aanblik van sommige kanten aangenaam is, van andere kanten onaangenaam.
  • 293. Bedaardheid kan zich niet op de verdienste beroepen onze eerzucht zowel te bestrijden als te onderdrukken: dat kan niet allebei. Bedaardheid is de loomheid en luiheid van het karakter, zoals de eerzucht er de werkzaamheid en heftigheid van is.
  • 294. We houden altijd van onze bewonderaars, maar niet altijd van degenen die wij bewonderen.
  • 295. Het scheelt heel wat dat we niet al onze motieven kennen.
  • 296. Het is moeilijk te houden van mensen waar we op neerkijken; maar het is niet minder moeilijk te houden van mensen waar we erg naar opkijken.
  • 297. De vloeistoffen van het lichaam hebben hun gewone en regelmatige stroming, die ongemerkt onze wil stuurt en beweegt; zij circuleren gezamenlijk en besturen opeenvolgend een geheim rijk in ons, zodanig dat zij een aanzienlijke rol in onze daden spelen zonder dat we het opmerken.
  • 298. Erkentelijkheid is bij de meeste mensen niets anders dan en heimelijk verlangen naar grotere gunsten.
  • 299. Vrijwel iedereen schept er genoegen in kleine verplichtingen na te komen; veel mensen tonen zich erkentelijk bij gewone verplichtingen; maar er is vrijwel niemand die zich niet ondankbaar toont als het om grote gaat.
  • 300. Voor sommige dwaasheden kan men even vatbaar zijn als voor besmettelijke ziekten.

Maximen toegevoegd in de editie van 1671[bewerken]

  • 301. Heel wat mensen doen luchtig over bezit, maar weinigen kunnen er afstand van doen.
  • 302. Het is gewoonlijk slechts bij kleine belangen dat we het er maar op wagen niet op de schijn af te gaan.
  • 303. Wat voor goeds men ook van ons zegt, men leert ons niets nieuws.
  • 304. We vergeven vaak degenen die ons vervelen, maar degenen die wij vervelen kunnen we niet vergeven.
  • 305. Het eigenbelang, waaraan men al onze misdaden toeschrijft, verdient vaak ook geprezen te worden voor onze goede daden.
  • 306. Men komt vrijwel geen ondankbaren tegen zolang men nog over de mogelijkheden beschikt om goed te doen.
  • 307. Het is even acceptabel om tegenover zichzelf prat te gaan op zijn prestaties als het belachelijk is om dat tegenover anderen te doen.
  • 308. Men heeft een deugd gemaakt van matigheid om de ambities van groten in te tomen en middelmatigen te roosten voor hun gebrek aan geluk en verdienste.
  • 309. Sommige mensen zijn voorbestemd om dwaas te zijn en begaan niet alleen dwaasheden door hun eigen beslissingen, maar worden daar ook door het lot toe gedwongen.
  • 310. Er overkomen ons soms dingen in het leven waarbij het helpt een beetje gek te zijn.
  • 311. Als iemand nooit belachelijk heeft geleken dan heeft men niet goed gekeken.
  • 312. Wat maakt dat geliefden het nooit moe worden bij elkaar te zijn is dat ze altijd over zichzelf praten.
  • 313. Hoe komt het toch dat ons geheugen voldoende in staat is de kleinste details te onthouden van wat ons overkwam, maar niet om te onthouden hoe vaak we die al verteld hebben aan dezelfde persoon?
  • 314. Het extreme genoegen dat we erin scheppen over onszelf te praten moet ons doen vrezen dat dit matig gedeeld wordt door onze toehoorders.
  • 315. Wat ons gewoonlijk belet onze vrienden diep in ons hart te laten kijken is niet zozeer het wantrouwen dat we hebben tegenover hen, maar tegenover onszelf.
  • 316. Zwakke personen kunnen niet oprecht zijn.
  • 317. Het is geen grote tegenslag verplichtingen te hebben tegenover een ondankbare, maar het is onverdraaglijk in het krijt te staan bij een oneerlijk mens.
  • 318. Er zijn middelen te vinden om gekte te genezen, maar niet om een eigenzinnige kop te laten buigen.
  • 319. Men zou niet lang de gevoelens in stand kunnen houden die men moet hebben tegenover zijn vrienden en weldoeners als men zichzelf toestond vaak over hun gebreken te praten.
  • 320. Heersers prijzen voor deugden die ze niet bezitten komt neer op hen straffeloos beledigen.
  • 321. We zijn eerder geneigd te houden van degenen die ons haten dan van degenen die ons meer liefhebben dan we willen.
  • 322. Enkel verachtelijke mensen zijn bang om veracht te worden.
  • 323. Onze wijsheid is niet minder overgeleverd aan het lot dan ons bezit.
  • 324. In jaloezie zit meer eigenliefde dan liefde.
  • 325. We troosten vaak onszelf uit zwakheid, om leed waarvoor het verstand ons niet kan troosten.
  • 326. Belachelijk zijn beschadigt onze eer meer dan schande.
  • 327. We geven kleine gebreken alleen maar toe om de indruk te wekken dat we geen grote hebben.
  • 328. Afgunst is onverzoenlijker dan haat.
  • 329. Men denkt soms vleierij te haten, maar dan haat men slechts de manier waarop er gevleid wordt.
  • 330. Men vergeeft naargelang men liefheeft.
  • 331. Het is moeilijker trouw te blijven aan zijn geliefde als men er gelukkig mee is dan wanneer men er slecht door behandeld wordt.
  • 332. Vrouwen kennen niet helemaal hun behaagzucht.
  • 333. Vrouwen zijn niet volledig ongenaakbaar tenzij door afkeer.
  • 334. Vrouwen kunnen moeilijker hun behaagzucht overwinnen dan hun hartstocht.
  • 335. In de liefde overtreft het bedrog bijna altijd het wantrouwen.
  • 336. Liefde kan zo groot zijn dat ze jaloezie belet.
  • 337. Het is met sommige goede eigenschappen als met die van zintuigen: degenen die ze volledig missen kunnen ze niet waarnemen, noch begrijpen.
  • 338. Als onze haat te hevig is plaatst zij ons lager dan degenen die wij haten.
  • 339. We ervaren ons wel en wee slechts naargelang onze eigenliefde.
  • 340. Het verstand van de meeste vrouwen helpt hen eerder om hun dwaasheid te laten toenemen dan hun redelijkheid.

Maximen toegevoegd in de editie van 1675[bewerken]

  • 341. De hartstocht van de jeugd is niet minder hinderlijk voor het welzijn dan de onverschilligheid van de ouderdom.
  • 342. De tongval van de geboortestreek blijft voortbestaan in de geest en in het hart, net zo goed als in de taal.
  • 343. Om een groot mens te zijn moet men gebruik weten te maken van wat het lot brengt.
  • 344. Het grootste deel van de mensen heeft, net als de planten, verborgen eigenschappen die door het toeval te voorschijn komen.
  • 345. De omstandigheden maken onze aard duidelijk aan anderen, en nog meer aan onszelf.
  • 346. Er kunnen geen regels zijn in de geest en het hart van een vrouw als ze niet overeenstemmen met haar temperament.
  • 347. We vinden mensen zelden gezond verstand hebben, tenzij ze onze mening delen.
  • 348. Als men liefheeft twijfelt men vaak aan wat men het sterkst gelooft.
  • 349. Het wonderlijkste van de liefde is dat ze de behaagzucht geneest.
  • 350. Wat ons zoveel bitterheid oplevert tegenover degenen die ons met sluwheid benaderen is dat ze denken slimmer te zijn dan wij.
  • 351. Het kost veel moeite te breken als men niet meer van elkaar houdt.
  • 352. Men verveelt zich meestal bij degenen bij wie het niet toegestaan is zich te vervelen.
  • 353. Een respectabel mens kan verliefd zijn als een gek, maar niet als een dwaas.
  • 354. Er zijn van die gebreken die, mits goed gehanteerd, schitterender zijn dan de echte vermogens.
  • 355. Bij het verlies van sommige personen voelen we meer spijt dan verdriet; en bij anderen meer verdriet dan spijt.
  • 356. We prijzen gewoonlijk slechts van harte degenen die ons bewonderen.
  • 357. Kleine geesten worden gekwetst door kleinigheden; grote geesten merken ze alle op maar zijn er niet door gekwetst.
  • 358. Nederigheid is het echte bewijs van de christelijke deugden: zonder haar behouden we onze gebreken en zijn die slechts aan het oog onttrokken door onze trots, die ze verbergt voor anderen en vaak ook voor onszelf.
  • 359. Ontrouw zou liefde moeten doen uitdoven, en we zouden nooit jaloers moeten zijn als men er het slachtoffer van is; enkel mensen die nooit aanleiding geven tot jaloezie zijn het waard om die op te wekken.
  • 360. Men verspeelt veel eerder ons krediet door kleine bedriegerijen tegenover ons dan grote tegenover anderen.
  • 361. De jaloezie ontstaat altijd tegelijk met de liefde, maar zij eindigen niet altijd beide tegelijk.
  • 362. De meeste vrouwen betreuren de dood van hun geliefde niet vanwege hun liefde voor hem, maar om het meer waard te lijken bemind te worden.
  • 363. De klappen die anderen ons geven doen ons vaak minder pijn dan wat we onszelf aandoen.
  • 364. Men beseft voldoende dat men niet te veel over zijn vrouw moet praten, maar men beseft onvoldoende dat men nog minder over zichzelf moet praten.
  • 365. Er zijn goede eigenschappen die aftakelen tot gebreken als ze aangeboren zijn, en andere die nooit volmaakt worden als ze verworven zijn: zo moet bijvoorbeeld ons verstand ons leren te waken over ons bezit en over wie te vertrouwen; daarentegen moet de natuur ons goedheid en dapperheid schenken.
  • 366. Welk wantrouwen we ook hebben omtrent de eerlijkheid van degenen die met ons praten, we geloven altijd dat ze tegenover ons eerlijker zijn dan tegenover anderen.
  • 367. Er zijn weinig vrouwen met fatsoen die dat leven niet beu zijn.
  • 368. De meeste eerbare vrouwen zijn verborgen schatten, die slechts veilig zijn omdat men ze niet zoekt.
  • 369. De kwellingen die we onszelf aandoen om niet verliefd te zijn komen vaak harder aan dan de afwijzingen van de geliefde.
  • 370. Er zijn maar weinig lafaards die altijd volledig hun angst kennen.
  • 371. Het is bijna altijd de vergissing van degene die verliefd is niet te merken dat de liefde niet meer wordt beantwoord.
  • 372. Het grootste deel van de jongeren denken ongedwongen te zijn terwijl ze onbeleefd en lomp zijn.
  • 373. Er zijn van die tranen die onszelf misleiden nadat ze eerst anderen hebben misleid.
  • 374. Als men denkt van zijn geliefde te houden omwille van de liefde voor haar, dan wordt men pas goed bedrogen.
  • 375. Middelmatige geesten veroordelen gewoonlijk alles wat hun begrip te boven gaat.
  • 376. Afgunst wordt vernietigd door echte vriendschap, en behaagzucht door echte liefde.
  • 377. De grootste blunder van scherpzinnigheid is niet het missen van het doel maar het voorbijschieten ervan.
  • 378. Men geeft raad, maar men heeft geen invloed op het gedrag.
  • 379. Als onze vermogens minder worden, neemt ook onze goede smaak af.
  • 380. Het lot maakt onze goede en slechte eigenschappen zichtbaar, zoals het daglicht de voorwerpen.
  • 381. Het geweld dat men zichzelf aandoet om trouw te blijven aan een geliefde is niet veel meer waard dan een keer ontrouw zijn.
  • 382. Onze daden zijn als opgegeven rijmwoorden, iedereen kan daarvoor invullen wat hem het beste bevalt.
  • 383. De wens om over onszelf te praten, en om onze gebreken van de door ons gewenste kant te laten zien, maakt een groot deel uit van onze openhartigheid.
  • 384. Men zou zich nergens over moeten verbazen, behalve dat men nog steeds verbaasd kan worden.
  • 385. Men is bijna even moeilijk tevreden te stellen als men te veel liefheeft als wanneer de liefde vrijwel over is.
  • 386. Er zijn geen mensen die zo vaak ongelijk hebben als diegenen die het niet kunnen uitstaan ongelijk te hebben.
  • 387. Een dwaas heeft te weinig kwaliteiten om goed te zijn.
  • 388. Als de ijdelheid de deugden niet volledig omverwerpt, dan brengt ze ze toch wel allemaal aan het wankelen.
  • 389. Wat de ijdelheid van anderen zo onverdraaglijk maakt is dat ze de onze kwetst.
  • 390. We zien eerder af van ons belang dan van onze smaak.
  • 391. Het lot lijkt nooit zo blind als tegenover degenen die er geen geluk door hebben.
  • 392. Men moet met zijn lot omgaan als met zijn gezondheid: ervan genieten als het goed gaat, geduld hebben als het slecht gaat, en nooit naar drastische middelen grijpen als het niet uiterst noodzakelijk is.
  • 393. Het burgerlijk fatsoen raakt men soms kwijt in het leger, maar nooit aan het hof.
  • 394. Een mens is vaak slimmer dan een ander, maar nooit slimmer dan alle anderen.
  • 395. Het is soms minder ongelukkig door een liefde bedrogen te worden dan erdoor gedesillusioneerd.
  • 396. Men is zijn eerste geliefde lang trouw, als men niet aan een tweede begint.
  • 397. We hebben doorgaans niet de moed om te zeggen dat we geen slechte eigenschappen hebben, en onze vijanden geen goede, maar op de keper beschouwd staan we er dichtbij dat te geloven.
  • 398. Van al onze gebreken is die waar we ons het makkelijkst bij neerleggen de luiheid: we maken onszelf wijs dat zij verwant is aan alle vreedzame deugden, en dat zij, zonder deze te vernietigen, slechts de uitwerking ervan opschort.
  • 399. Er is een vorm van uitblinken die niet van het lot afhangt: het is een soort zelfbewustzijn dat ons kenmerkt en dat ons lijkt voor te bestemmen voor grote dingen; het is een prijs die we ongemerkt aan onszelf toekennen; het is door deze eigenschap dat we de achting van de anderen afdwingen, en zij is het gewoonlijk die ons meer boven hen plaatst dan afkomst, ereambten of verdiensten.
  • 400. Er is verdienste zonder rangverhoging, maar er is geen rangverhoging zonder enige verdienste.
  • 401. Rangverhoging is voor verdienste wat versiering voor mooie mensen is.
  • 402. Wat men het minst aantreft in liefdesavontuurtjes is liefde.
  • 403. Het lot bedient zich soms van onze gebreken om onze rang te verhogen, en er zijn lastige mensen waarvan de verdienste slecht beloond zou worden als men niet bereid was te betalen voor hun afwezigheid.
  • 404. Het lijkt erop dat de natuur in het diepste van onze geest talenten en vaardigheden heeft verborgen die we niet kennen; enkel de hartstochten hebben het recht ze aan het licht te brengen en ons soms veel vastere en diepgaandere inzichten te verschaffen dan we met behendigheid zouden kunnen bereiken.
  • 405. We komen als nieuwelingen aan in elke volgende levensfase, en we hebben er dan vaak te weinig ervaring voor, ondanks onze jaren.
  • 406. Behaagzieke vrouwen beroemen zich op jaloezie omtrent hun minnaar om te verbergen dat ze afgunstig zijn op andere vrouwen.
  • 407. Het scheelt heel wat dat degenen die in onze listen trappen ons minder belachelijk overkomen dan wijzelf als we in die van anderen trappen.
  • 408. Ouderen die aantrekkelijk waren dreigen zich met name te blameren als ze vergeten dat ze dat niet meer zijn.
  • 409. We zouden ons vaak schamen voor onze mooiste daden als de anderen alle motieven ervoor zouden kennen.
  • 410. Wat de meeste moeite kost in vriendschap is niet onze eigen tekorten te tonen; het is de ander de zijne te laten zien.
  • 411. Men heeft nauwelijks tekortkomingen die zo onvergeeflijk zijn als de middelen die men aanwendt om ze te verbergen.
  • 412. Welke schande we ook verdiend hebben, het ligt bijna altijd in onze macht onze reputatie te herstellen.

Maximen toegevoegd in de editie van 1678[bewerken]

  • 413. Men valt niet lang in de smaak als men maar één soort geestigheid heeft.
  • 414. Gekken en dwazen zien alle zaken enkel naargelang hun humeur.
  • 415. Ons verstand helpt ons soms om onbesuisd dwaasheden te begaan.
  • 416. Levendigheid die toeneemt met ouderdom grenst aan gekte.
  • 417. Wie het eerst van zijn liefde genezen is, geneest het best.
  • 418. Jonge vrouwen die niet behaagziek willen lijken, en oude mannen die niet belachelijk willen zijn, moeten niet over liefde praten als iets waarin ze betrokken zouden kunnen zijn.
  • 419. We kunnen groot schijnen in een taak die beneden onze vermogens ligt, maar we lijken vaak klein in een taak die groter is dan wij.
  • 420. We denken vaak vastberaden te zijn tegenover onze tegenslagen, terwijl we slechts beheerst worden door moedeloosheid, en we ze ondergaan zonder ze aan te pakken, zoals lafaards zich laten doden uit angst zich te verdedigen.
  • 421. Vertrouwen draagt meer bij aan een gesprek dan geestigheid.
  • 422. Alle hartstochten laten ons blunders begaan, maar de liefde de meest belachelijke.
  • 423. Slechts weinigen verstaan de kunst om oud te zijn.
  • 424. We gaan prat op gebreken, tegengesteld aan de werkelijke: als we zwak zijn snijden we er over op vasthoudend te zijn.
  • 425. Scherpzinnigheid heeft een vermogen tot doorgronden dat onze ijdelheid meer streelt dan alle andere eigenschappen van het verstand.
  • 426. Zowel de charme van de nieuwigheid als van de lange gewenning, hoe tegengesteld beide ook zijn, beletten ons op gelijke wijze de gebreken van onze vrienden op te merken.
  • 427. De meeste vrienden doen onze zin in vriendschap verdwijnen, de meeste vromen onze zin in vroomheid.
  • 428. We vergeven makkelijk aan onze vrienden de gebreken waar we geen last van hebben.
  • 429. Een vrouw die liefheeft vergeeft makkelijker een grote loslippigheid dan een kleine ontrouw.
  • 430. In de herfst van de liefde is het als in die van het leven, men beleeft nog de lasten, maar niet de lusten.
  • 431. Niets belet ons zozeer natuurlijk te zijn als de wens zo over te komen.
  • 432. Men eigent zich in zekere zin goede daden toe als men ze uitvoerig prijst.
  • 433. Het meeste echte kenmerk van geboren te zijn met grote kwaliteiten is geboren te zijn zonder afgunst.
  • 434. Als onze vrienden ons bedrogen hebben mogen hun uitingen van genegenheid ons onverschillig laten, maar we moeten hen aandacht blijven schenken bij hun tegenspoed.
  • 435. Het toeval en het humeur beheersen de wereld.
  • 436. Het is makkelijker om de mensen in het algemeen te kennen dan één mens in het bijzonder.
  • 437. Men moet de verdienstelijkheid van iemand niet beoordelen op zijn grote kwaliteiten, maar op de manier waarop hij die weet te benutten.
  • 438. Er is een zekere vorm van sterke erkentelijkheid die ons niet alleen ontslaat van onze verplichtingen voor ontvangen weldaden, maar zelfs maakt dat onze vrienden op hun beurt ons iets verschuldigd zijn.
  • 439. We zouden slechts weinige dingen vurig wensen als we goed in de gaten hadden wat we echt wensen.
  • 440. Wat maakt dat de meeste vrouwen weinig geraakt worden door genegenheid is dat die flauw overkomt als men de liefde heeft geproefd.
  • 441. In de vriendschap, net als in de liefde, is men vaak gelukkiger door wat men niet weet dan door wat men weet.
  • 442. We proberen op te snijden over gebreken die we niet willen afleren.
  • 443. De hevigste gevoelens gunnen ons soms rust, maar ijdelheid blijft ons altijd voortdrijven.
  • 444. Oude dwazen zijn dwazer dan jonge.
  • 445. Zwakheid is een grotere bedreiging voor goede eigenschappen dan de slechte eigenschappen
  • 446. Wat schaamte en jaloezie zo pijnlijk maakt is dat onze ijdelheid ons niet kan helpen ze te verdragen.
  • 447. Wellevendheid is de geringste wet, en degene die men het meest gehoorzaamt.
  • 448. Een rechtgeaarde geest heeft minder moeite om zich te schikken naar dwarsdrijvers dan om ze leiding te geven.
  • 449. Als het lot ons verrast door ons een belangrijke positie te verschaffen, zonder er ons stapsgewijs heen te hebben geleid, of zonder er door ons eigen streven te zijn beland, dan is het bijna onmogelijk zich er goed te handhaven, en de positie waardig te blijken.
  • 450. Onze trots neemt vaak toe door wat we wegnemen van onze andere gebreken.
  • 451. Geen gekken zijn onaangenamer dan geestige gekken.
  • 452. Er is geen mens die zich in elk van zijn kwaliteiten minder acht dan de mens die hij het meest waardeert.
  • 453. In grote zaken dient men zich minder toe te leggen op het scheppen van gunstige gelegenheden dan op het gebruikmaken van die welke zich voordoen.
  • 454. We sluiten meestal geen slechte koop als men ophoudt goeds over ons te zeggen mits men maar niets kwaads zegt.
  • 455. Hoezeer de wereld ook geneigd is verkeerd te oordelen, toch wordt opschepperij veel vaker geaccepteerd dan echte verdienste afgekraakt.
  • 456. Een gek kan soms geestig zijn, maar nooit wijs.
  • 457. We zouden er meer bij winnen ons te laten zien zoals we zijn dan door de schijn te willen wekken van wat we niet zijn.
  • 458. Onze vijanden benaderen de waarheid in hun oordeel over ons meer dan wijzelf.
  • 459. Er zijn veel remedies tegen de liefde, maar geen enkele is altijd afdoende.
  • 460. We moeten vooral steeds goed weten waar onze gevoelens ons toe aanzetten.
  • 461. De ouderdom is een tiran die, met de dood als straf, alle genoegens van de jeugd verbiedt.
  • 462. Dezelfde trots die ons gebreken laat bekritiseren waarvan we ons vrij achten maakt dat we de goede eigenschappen minachten die we niet hebben.
  • 463. Er is vaak meer trots dan goedhartigheid bij ons beklagen van de tegenspoed van onze vijanden: het is om hen te laten voelen dat we boven hen staan dat we tegenover hen medeleven uiten.
  • 464. Er zijn extremen in geluk en ongeluk die onze beleving te boven gaan.
  • 465. Voor de onschuld valt veel minder bescherming te vinden dan voor de misdaad.
  • 466. Van alle heftige hartstochten is degene die nog het beste bij vrouwen past de liefde.
  • 467. De ijdelheid laat ons vaker dan ons verstand dingen met tegenzin doen.
  • 468. Er zijn slechte eigenschappen die soms grote talenten vormen.
  • 469. Men wenst nooit vurig wat men slechts op grond van zijn verstand wenst.
  • 470. Al onze eigenschappen zijn onzeker en twijfelachtig, zowel in het goede als in het slechte, en zij zijn bijna altijd overgeleverd aan de omstandigheden.
  • 471. In de eerste liefde is een vrouw verliefd op de geliefde, in alle volgende op de liefde.
  • 472. De trots heeft zijn eigenaardigheden, zoals de andere gevoelens: men schaamt zich te bekennen dat men jaloers is, maar men gaat er prat op het geweest te zijn en het te kunnen zijn.
  • 473. Hoe zeldzaam echte liefde ook is, zij is het minder dan echte vriendschap.
  • 474. Er zijn slechts weinig vrouwen waarbij de charme hun schoonheid overleeft.
  • 475. De wens beklaagd of bewonderd te worden vormt vaak het grootste motief voor onze vertrouwelijkheid.
  • 476. Onze afgunst duurt altijd langer dan het geluk van degenen die we benijden.
  • 477. Dezelfde standvastigheid die dient om de liefde te weerstaan dient ook om haar heftig en duurzaam te maken; en zwakke personen die voortdurend door hun hartstochten worden meegesleept zijn daar nooit erg van vervuld.
  • 478. De verbeelding zou er niet in slagen zoveel verschillende tegenstrijdigheden te bedenken als er van nature in het gemoed van ieder persoon voorkomen.
  • 479. Slechts mensen die standvastigheid hebben kunnen echte zachtmoedigheid bezitten: degenen die zachtmoedig lijken hebben gewoonlijk slechts zwakheid die makkelijk verandert in bitsheid.
  • 480. Verlegenheid is een zwakheid waarbij het gevaarlijk is de persoon te berispen die men ervan wil genezen.
  • 481. Niets is zeldzamer dan echte goedheid: zij die denken er over te beschikken zijn meestal enkel toegeeflijk of zwak.
  • 482. Het verstand hecht zich door luiheid en starheid aan wat makkelijk en aangenaam is: die gewoonte stelt altijd grenzen aan onze kennis, en nooit heeft iemand de moeite genomen om zijn verstand zover uit te breiden en te sturen als het zou kunnen reiken.
  • 483. Kwaadspreken gebeurt meestal meer uit ijdelheid dan uit boosaardigheid.
  • 484. Als het hart nog onrustig is door de restanten van een hartstocht staat men eerder op het punt een nieuwe op te vatten dan wanneer men er helemaal van genezen is.
  • 485. Zij die hevige hartstochten hebben doorgemaakt voelen zich hun hele leven zowel gelukkig als ongelukkig ervan genezen te zijn.
  • 486. Er zijn nog altijd meer mensen zonder belangstelling dan zonder afgunst.
  • 487. We zijn luier van geest dan van lichaam.
  • 488. De kalmte of onrust van ons humeur hangt niet zozeer af van belangrijke belevenissen als van de prettige of onaangename opeenvolging van dagelijkse banaliteiten.
  • 489. Hoe kwaadaardig mensen ook zijn, ze durven het niet aan zich een vijand van de deugd te tonen; als ze haar willen vertrappen doen ze alsof deze vals is of dat ze háár van slechtheid verdenken.
  • 490. Men maakt vaak de stap van liefde naar eerzucht, maar men keert niet vaak terug van eerzucht naar liefde.
  • 491. Extreme hebzucht grijpt bijna altijd mis: geen enkele hartstocht mist zo vaak zijn doel en wordt zo zeer beheerst door het heden, met nadeel in de toekomst tot gevolg.
  • 492. De hebzucht heeft vaak tegenstrijdige effecten: Tallozen offeren al hun bezit op voor twijfelachtige en ver verwijderde verwachtingen; anderen veronachtzamen grote toekomstige voordelen voor kleine onmiddellijke belangen.
  • 493. Het lijkt erop alsof mensen nog niet genoeg gebreken bij zichzelf vinden: ze verhogen het aantal door zich met opzet te tooien met sommige bijzondere eigenschappen, en cultiveren die met zoveel zorg tot het uiteindelijk zulke vanzelfsprekende gebreken worden dat ze niet meer bij machte zijn zich ervan te ontdoen.
  • 494. Waar het uit blijkt dat mensen hun gebreken veel beter kennen dan men denkt is dat ze nooit ongelijk hebben als ze over hun gedrag praten: dezelfde eigenliefde die hen gewoonlijk verblindt verlicht hen dan en geeft hen zo'n heldere kijk dat ze de geringste punten van kritiek kunnen verzwijgen of verhullen.
  • 495. Jongeren die de maatschappij in gaan moeten verlegen of lichtzinnig zijn. Een bedaarde en bezonnen houding leidt vaak tot vrijpostigheid.
  • 496. Ruzies zouden niet lang duren als het ongelijk zich slechts aan één kant bevond.
  • 497. Het dient nergens toe om jong en niet mooi te zijn, noch om mooi en niet jong te zijn.
  • 498. Sommige mensen zijn zo wispelturig en onbezonnen dat ze even ver verwijderd zijn van echte gebreken als van flinke kwaliteiten.
  • 499. Het eerste avontuurtje van een vrouw krijgt meestal pas gewicht als ze een tweede heeft.
  • 500. Sommige mensen zijn zo vol van zichzelf dat ze bij hun verliefdheid helemaal in beslag zijn genomen door hun eigen gevoelens in plaats van door hun geliefde.
  • 501. Liefde, hoe aangenaam ook, is prettiger door de manier waarop ze zich uit dan door zichzelf.
  • 502. Een klein licht dat oprecht is verveelt op den duur minder dan een groot licht dat de zaken dwarsboomt.
  • 503. Afgunst is de ergste van alle kwaden, en degene die het minst medelijden opwekt bij de veroorzakers.
  • 504. Na gesproken te hebben over de valsheid van zoveel schijnbare deugden is het redelijk om iets te zeggen over de valsheid van verachting voor de dood: ik versta daaronder de kracht waar de heidenen prat op gaan die uit zichzelf te putten, zonder de hoop op een beter leven. Er is een verschil tussen het besef van de dood standvastig verdragen en minachting voor hem aan de dag leggen: het eerste is zeer gewoon, maar ik geloof dat het andere nooit echt is. Men heeft nochtans van alles geschreven om ons er zoveel mogelijk van te overtuigen dat de dood geen onheil is, en zowel de zwaksten als de meest heldhaftigen hebben duizenden fameuze voorbeelden gegeven om deze opvatting te bewijzen; toch betwijfel ik of er ooit een weldenkend mens geloof aan heeft gehecht, en de moeite die men zich getroost om er anderen en zichzelf van te overtuigen toont genoegzaam aan dat dit geen makkelijke opgave is. Men kan omtrent veel aspecten van het leven tegenzin voelen, maar het is nooit voldoende reden om de dood te verachten; zelfs degenen die hem vrijwillig verkiezen nemen hem niet lichtvaardig op en zijn even verbijsterd en afwerend als anderen wanneer hij hen op een andere manier treft dan ze hadden gekozen. De verschillen die men merkt in de moed tussen een groot aantal dappere mensen ontstaan doordat de dood zich anders aan hen vertoont dan ze zich hadden voorgesteld, en de ene keer dichterbij lijkt dan de andere: zo kan het gebeuren dat ze tenslotte, na veracht te hebben wat ze niet kenden, angst voelen voor wat ze wel kennen. Men moet vermijden de dood met al zijn consequenties onder ogen te zien als men niet wil geloven dat hij het grootste onheil is. De handigsten en de dappersten zijn zij die de meest respectabele voorwendsels gebruiken om zichzelf niet te confronteren met zijn realiteit. Maar ieder mens die hem durft onder ogen te zien zoals hij is vindt hem iets verschrikkelijks. De noodzaak te sterven leidde tot vastberadenheid bij de filosofen. Ze meenden dat men die tocht waardig moest maken als men hem niet kon vermijden; en aangezien ze hun leven niet eeuwig konden laten duren stelden ze alles in het werk om dat voor hun reputatie te bereiken om zo toch nog iets van de ondergang te redden. Laten we, om goedgehumeurd te blijven, niet alles formuleren wat we ervan denken, en laten we meer onze hoop stellen op ons temperament dan op deze zwakke redeneringen die ons willen laten geloven dat we de dood onverschillig tegemoet kunnen treden. De eer van met vastberadenheid sterven, de hoop betreurd te worden, het verlangen een goede reputatie na te laten, de zekerheid verlost te zijn van alle ellende in het leven en van de afhankelijkheid van de grillen van het lot, het zijn hulpmiddelen die men niet moet afwijzen; maar men moet ook niet geloven dat ze afdoende zijn. Ze doen, om ons gerust te stellen, wat een simpele heg vaak in de oorlog doet om degenen gerust te stellen die naar een plek toe moeten die onder vijandelijk vuur ligt: als men er ver van verwijderd is stelt men zich voor dat ze bescherming kan vormen; maar als men er vlakbij is stelt men vast dat ze maar een geringe dekking biedt. Men stelt het zich te mooi voor als men meent dat de dood van dichtbij hetzelfde zal blijken als we van veraf dachten, en dat onze slechts uit zwakheid bestaande gevoelens voldoende gestaald zullen zijn om niet aangetast te worden door deze hevigste beproeving. Men kent ook de gevolgen van de eigenliefde slecht als men denkt dat zij ons kan helpen om dat te veronachtzamen wat haar onvermijdelijk moet vernietigen; en het verstand, waarmee men zoveel uitwegen meent te kunnen vinden, is bij deze confrontatie te zwak om ons te laten geloven wat we zouden willen geloven; het is juist de rede die ons het vaakst in de steek laat en die, in plaats van ons verachting voor de dood bij te brengen, ons juist de gruwelijkheid en verschrikkelijkheid ervan laat ontdekken; alles wat zij voor ons kan doen is ons adviseren de ogen ervan af te wenden en op andere zaken te richten. Cato en Brutus kozen voor beroemde zulke zaken; een lakei vermaakte zich onlangs door te dansen op het schavot waar hij geradbraakt zou worden. Hoewel de motieven dus verschillend zijn leiden ze tot hetzelfde effect: zodat het waar is dat men duizend keer gezien heeft hoe zowel de groten als de gewone mensen, ongeacht hun onderlinge verschillen, de dood met dezelfde houding tegemoet treden - maar dat is altijd met dit verschil geweest dat bij groten die de dood verachten het hun eerzucht is die hen het zicht erop ontneemt, terwijl het bij de gewone mensen hun beperktheid van geest is die hen belet de omvang van hun ellende te overzien en hen vrij laat om aan andere dingen te denken.

Postume Maximen[bewerken]

Maximen afkomstig uit het Manuscrit Gilbert[bewerken]

  • 505. God heeft de mens verschillende soorten talenten gegeven, zoals hij verschillende soorten bomen in de natuur heeft geplant, zodat elk talent, net als iedere boom, zijn bijzondere eigenschappen en vruchten heeft. Daarom kan de beste perenboom van de wereld nog niet de gewoonste appels voortbrengen en het uitzonderlijkste talent soms niet hetzelfde bereiken als het meest alledaagse; en daarom is het even belachelijk maximen te willen opstellen zonder er enige aanleg voor te hebben als een bloemperk tulpen te willen laten voortbrengen zonder bollen te hebben geplant.
  • 506. Ontelbaar zijn alle gedaanten van de ijdelheid.
  • 507. De wereld is vol potten die de ketel verwijten dat hij zwart ziet.
  • 508. Zij die hun waardigheid al te hoog inschatten houden te weinig rekening met de herkomst ervan.
  • 509. God heeft toegestaan dat de mens, als straf voor de erfzonde, een god zou maken van zijn eigenliefde, om er in alle daden van zijn leven door gekweld te worden.
  • 510. Het eigenbelang is de ziel van de eigenliefde; net als het van zijn ziel beroofde lichaam zonder ogen, zonder oren, zonder besef, gevoel of beweging is, zo kan inderdaad ook de eigenliefde, wanneer zij bij wijze van spreken gescheiden is van het eigenbelang, niet meer zien, horen, voelen of bewegen. Vandaar ook dat dezelfde persoon die hemel en aarde beweegt omwille van zijn eigenbelang plots verlamd raakt als het om het belang van anderen gaat; vandaar de onverschilligheid en schijndood die we veroorzaken bij degenen waarmee we onze eigen besognes bespreken; vandaar hun plotse heropleving als we in ons verhaal iets mengen dat op hen betrekking heeft; zo zien we dus in onze gesprekken en handelingen dat iemand plotseling het bewustzijn verliest of weer bij zijn positieven komt naargelang zijn eigenbelang in het geding is of uit het zicht verdwijnt.
  • 511. Al onze angsten hebben wij omdat we sterfelijk zijn, al onze verlangens omdat we denken onsterfelijk te zijn.
  • 512. Het ziet er naar uit dat het de duivel is geweest die met opzet de luiheid bij de poort heeft gezet van vele goede eigenschappen.
  • 513. Wat ons zo grif doet geloven in de gebreken van anderen is dat men gemakkelijk gelooft wat men wenst.
  • 514. De remedie voor de jaloezie is de bevestiging te krijgen van wat men vreesde, omdat dit leidt tot het einde van het leven of van de verliefdheid; het is een wrede remedie maar ze is milder dan de twijfels en de verdenkingen.
  • 515. Hoop en vrees zijn onafscheidelijk en er is nooit vrees zonder hoop, noch hoop zonder vrees.
  • 516. We hoeven niet boos te worden dat anderen de waarheid voor ons verbergen, aangezien we die zo vaak voor onszelf verbergen.
  • 517. Wat ons vaak belet juist te oordelen over uitspraken die de valsheid van deugden aantonen is dat we al te makkelijk aannemen dat ze bij ons wel echt zijn.
  • 518. Toewijding aan de leider is een andere vorm van eigenliefde.
  • 519. Het einde van het goede is ellende, het einde van het ellende is een weldaad.
  • 520. De filosofen veroordelen de rijkdommen slechts omwille van het misbruik dat we ervan maken; het hangt van ons af hoe we ze vergaren en gebruiken zonder misdaden; en in plaats van slechtheid er mee te voeden en doen toenemen, zoals het hout het vuur onderhoudt en aanwakkert, kunnen we ze aanwenden voor alle goede zaken en deze zo zelfs aangenamer en schitterender maken.
  • 521. De ondergang van een ander doet zowel zijn vrienden als zijn vijanden genoegen.
  • 522. Aangezien de gelukkigste persoon ter wereld degene is die met weinig tevreden is, zijn de groten en eerzuchtigen er het ergst aan toe, want ze moeten een oneindige hoeveelheid verzamelen om zich gelukkig te voelen.
  • 523. Een overtuigend bewijs dat de mens niet geschapen is zoals hij is bestaat hieruit dat, naarmate hij redelijker wordt, hij zich heimelijk meer en meer schaamt voor de buitensporigheid, laagheid en verdorvenheid van zijn gevoelens en neigingen.
  • 524. Wat zoveel strijd oproept over de maximen die het innerlijk van de mens blootleggen is dat men zelf vreest ermee doorzien te worden.
  • 525. De macht die personen van wie we houden over ons hebben is bijna altijd groter dan die welke wij over onszelf hebben.
  • 526. Men heeft makkelijk kritiek op de gebreken van anderen, maar men maakt er zelden gebruik van om de zijne te corrigeren.
  • 527. De mens is zo miserabel dat hij, terwijl hij met al zijn gedragingen zijn hartstochten probeert te bevredigen, voortdurend zucht onder hun tirannie: hij kan hun macht niet verdragen noch zelf de nodige kracht opbrengen om zich van hun juk te bevrijden; hij walgt van hun heftigheid maar ook van hun remedies en kan zich noch schikken in zijn lijden noch in de noodzakelijke behandeling ervoor.
  • 528. Het goede en het kwade dat ons overkomt treft ons niet naargelang hun heftigheid maar naargelang onze gevoeligheid.
  • 529. Sluwheid is slechts een armzalige vaardigheid.

Maximen uit de correspondentie van La Rochefoucauld[bewerken]

  • 530. Men looft slechts om er voordeel uit te halen.
  • 531. Hartstochten zijn slechts de verschillende varianten van eigenliefde.
  • 532. Een hevige ergernis heeft als functie dat we ons niet vervelen.
  • 533. Lof en afkeuring heeft men over de meeste zaken slechts naargelang de mode.

Maximen afkomstig uit de postume editie van 1693[bewerken]

  • 534. Heel wat mensen willen vroom zijn, maar niemand nederig.
  • 535. Fysieke arbeid verlost ons van psychische pijn; daarom zijn de armen gelukkig.
  • 536. De echte krenkingen zijn die welke we niet merken; de ijdelheid brengt de andere makkelijk tot uiting.
  • 537. Nederigheid is het altaar waarop God wil dat men Hem offers brengt.
  • 538. Wijzen zijn met weinig tevreden; dwazen met niets; daarom zijn bijna alle mensen doodongelukkig.
  • 539. We tobben ons minder af om gelukkig te worden dan om het te lijken.
  • 540. Het is veel makkelijker een eerste verlangen te onderdrukken dan alle andere te vervullen die er op volgen.
  • 541. Wijsheid is voor de geest wat gezondheid is voor het lichaam.
  • 542. Aangezien de groten der aarde geen lichamelijke gezondheid of geestelijke rust kunnen bieden wordt men altijd bedrogen wat betreft hun nut.
  • 543. Alvorens iets vurig te wensen moet men goed nagaan hoe gelukkig de bezitter ervan is.
  • 544. Een echte vriend is het grootste goed maar dat waarover men het minst droomt het te bemachtigen.
  • 545. Minnaars zien slechts de tekortkomingen van de geliefde als de bekoring is geëindigd.
  • 546. Bedachtzaamheid en verliefdheid zijn niet voor elkaar gemaakt: naarmate de verliefdheid groeit neemt de bedachtzaamheid af.
  • 547. Het is soms prettig voor een man om een jaloerse vrouw te hebben: hij hoort voortdurend praten over zijn geliefde.
  • 548. Hoe beklagenswaardig is een vrouw als ze zowel verliefd als trouw is!
  • 549. Een wijs man vindt er meer voldoening in van de strijd af te zien dan te winnen.
  • 550. Het is noodzakelijker mensen te bestuderen dan boeken.
  • 551. Geluk en ongeluk vallen meestal degenen ten deel die er al voldoende van hebben.
  • 552. Een respectabele vrouw is een verborgen schat; wie haar gevonden heeft doet zijn uiterste best er niet over op te scheppen.
  • 553. Als we teveel liefhebben is het moeilijk te onderkennen dat het niet meer wederzijds is.
  • 554. Men spreekt slechts kwaad over zichzelf om lof te horen.
  • 555. Men verveelt zich meestal bij degenen die men verveelt.
  • 556. Het is nooit moeilijker een normaal gesprek te voeren dan wanneer men zich ervoor geneert te zwijgen.
  • 557. Niets is vanzelfsprekender of bedrieglijker dan te menen dat men aardig wordt gevonden.
  • 558. We hebben liever te maken met onze begunstigden dan met onze weldoeners.
  • 559. Het is moeilijker de gevoelens die men heeft te verbergen dan die te veinzen welke men niet heeft.
  • 560. Hernieuwde vriendschappen vereisen meer zorg dan die welke nooit verbroken zijn.
  • 561. Een mens aan wie niemand bevalt is veel ongelukkiger dan degene die aan niemand bevalt.

Maxime gevonden door Saint-Évremond (uit brief aan Ninon de Lenclos)[bewerken]

  • 562. De hel voor de vrouwen, dat is de ouderdom.

Weggelaten Maximen[bewerken]

  • 563. De eigenliefde is de liefde voor zichzelf en voor alle dingen omwille van zichzelf; zij maakt de mensen tot afgodendienaars van zichzelf en tot tirannen van de anderen, als het lot hen daar de middelen voor verschaft. Niets buiten haar interesseert haar echt, zij pauzeert slechts bij andere onderwerpen zoals bijen bij bloemen, om er uit te halen wat van haar gading is. Niets is zo woest als haar wensen, niets zo geheim als haar plannen, niets gebeurt zo behendig als haar handelingen; haar kronkelwegen zijn onvoorstelbaar, haar gedaanteverwisselingen overtreffen Ovidius’ Metamorfosen, haar verfijningen die van de scheikunde: men kan haar diepte niet peilen, noch de duisternis van haar afgronden: hier is zij verborgen voor de scherpste blik; ongemerkt wendt en keert zij zich er duizendmaal; daar is zij vaak onzichtbaar voor zichzelf; ongemerkt raakt zij er zwanger van een groot aantal gevoelens van genegenheid en haat, voedt hen en brengt ze groot; zij maakt hen zo monsterlijk dat zij hen bij hun tevoorschijn komen niet herkent of er niet toe kan komen hen te erkennen: uit die nacht die hen verbergt ontstaan de belachelijke overtuigingen die zij over zichzelf heeft, haar dwalingen, haar onwetendheid, haar lompheid en onnozelheid als het om haarzelf gaat. Vandaar dat zij gelooft dat haar gevoelens dood zijn terwijl ze slechts slapen, dat ze meent geen zin in draven meer te hebben als zij rust en in de waan verkeert alle lusten kwijt te zijn die ze heeft bevredigd. Maar die dichte duisternis die haarzelf aan haar oog onttrekt belet niet dat ze perfect alles buiten zichzelf opmerkt: daarin is zij net als onze ogen die alles waarnemen en slechts blind zijn voor zichzelf. Inderdaad, als het om haar grootste belangen en aanzienlijkste zaken gaat - waar de heftigheid van al haar verlangens al haar aandacht opeist - ziet, voelt, hoort zij, verbeeldt, vermoedt, doorgrondt en concludeert zij alles precies, zodat men geneigd zou zijn te geloven dat elk van haar hartstochten over een eigen magische kracht beschikt. Niets is zo hecht en sterk als de boeien die zij vruchteloos probeert te verbreken bij het zien van uiterste tegenslagen die haar bedreigen. Toch doet zij soms, in een oogwenk en met weinig moeite, iets wat zij in de loop van vele jaren met haar uiterste inspanningen niet had weten te bereiken; waaruit men met grote waarschijnlijkheid kan afleiden dat door haarzelf haar verlangens worden ontketend, veel meer dan door de schoonheid of verdienste van haar objecten; dat haar neigingen de prijs bepalen van wat zij waarde toekent en de opsmuk vormen die hen verfraait; dat het zichzelf is die zij achterna rent, en dat zij haar eigen genoegens najaagt als zij dingen najaagt die haar behagen. Zij bestaat uit tegenstellingen: ze is heerszuchtig en gehoorzaam, oprecht en vals, meelevend en wreed, timide en brutaal. Ze heeft uiteenlopende verlangens, naargelang de gemoedstoestanden die haar voortstuwen en haar zich nu eens laten wijden aan eer, dan weer aan rijkdom, dan weer aan genot; zij wisselt deze verlangens af naargelang onze leeftijd, ons lot en onze ervaringen, maar het maakt haar niets uit of ze er meerdere heeft of slechts één enkele, want zij verdeelt haar krachten over meerdere of bundelt ze naar één, naargelang de noodzaak of haar wensen. Zij is wispelturig, en behalve de veranderingen die van buitenaf veroorzaakt worden zijn er legio die voortkomen uit haarzelf en door haarzelf ontworpen zijn; zij is wisselvallig, door wispelturigheid, lichtzinnigheid, verliefdheid, nieuwlichterij, verveeldheid of afkeer; zij is grillig en men ziet haar soms aan het werk, met uiterste inzet en ongelooflijke inspanningen, om dingen te verwerven die totaal niet in haar voordeel zijn maar juist schadelijk, en die ze najaagt omdat ze die wil hebben. Zij is onberekenbaar en wijdt zich soms volledig aan de meest beuzelachtige ondernemingen; zij vindt al haar plezier in de meest onbenullige daarvan en behoudt haar trots bij de meest verachtelijke. Zij is aanwezig in alle levensfasen en alle omstandigheden; zij leeft overal, zij leeft van alles en van niets; zij past zich aan alle dingen aan en ook aan het gebrek daaraan. Zij kiest zelfs de kant van degenen die haar bestrijden, zij neemt hun plannen over en, wat het meest verbazingwekkend is, zij deelt hun haat voor haar met hen, zij zweert haar eigen ondergang, zet zich in voor haar eigen verderf; kortom, zij maakt zich er enkel zorgen om te bestaan, en mits ze maar bestaat wil ze best haar eigen vijand zijn. Men moet er zich dus niet over verbazen als zij de partij kiest van spartaanse ascese en daar verwoed meevecht om zichzelf te vernietigen, want terwijl ze zich op de ene plaats te gronde richt herstelt ze zich op een andere; als men denkt dat ze haar genoegens laat varen doet zij niets anders dan die uitstellen of wijzigen en als men meent dat ze verslagen en op de vlucht gejaagd is ziet men haar al triomferend in haar eigen nederlaag terug. Ziedaar het portret van de eigenliefde, waarvan het hele leven niets anders is dan een grote en lange rusteloosheid; de zee vormt er een tastbaar beeld van, en de eigenliefde vindt in het heen en weer deinen van de onophoudelijke golven een getrouwe weergave van de turbulente opeenvolging van haar gedachten en van haar eeuwig in beweging zijn.
  • 564. Alle hartstochten zijn slechts verschillende graden van warmte of kou in het bloed.
  • 565. Matigheid bij voorspoed is niets anders dan vrees voor de schaamte na onbeheerst gedrag, of angst om te verliezen wat men heeft.
  • 566. Matigheid is als soberheid: men zou wel meer willen maar men vreest de nare gevolgen.
  • 567. Iedereen heeft op een ander aan te merken wat men heeft aan te merken op hemzelf.
  • 568. De trots raakt als het ware moe van al zijn kunstgrepen en wisselende metamorfosen; na in zijn eentje alle rollen van de menselijke komedie te hebben gespeeld toont hij zijn echte gezicht en uit zich als hooghartigheid; zodat men kan zeggen dat hooghartigheid de openlijke demonstratie is van de trots.
  • 569. Het talent dat men nodig heeft voor kleine dingen is tegengesteld aan dat wat men nodig heeft voor grote dingen.
  • 570. Het is een vorm van geluk te weten in welke mate men ongelukkig moet zijn.
  • 571. Als men de rust niet in zichzelf vindt dan is het nutteloos deze elders te zoeken.
  • 572. Men is nooit zo ongelukkig als men denkt en nooit zo gelukkig als men hoopt.
  • 573. Men troost zich vaak voor het ongelukkig zijn door er een zeker genoegen in te scheppen het te lijken.
  • 574. Men zou moeten kunnen instaan voor zijn lot om te kunnen instaan voor wat men ermee zal aanvangen.
  • 575. Hoe kan men aangeven wat men in de toekomst wil, aangezien men dat niet kan betreffende het heden?
  • 576. Liefde is voor de ziel van degene die liefheeft wat de ziel is voor het lichaam.
  • 577. Aangezien men niet vrij is om te beminnen of op te houden te beminnen is het onterecht als de minnaar zich beklaagt over de wispelturigheid van zijn geliefde of zij over de lichtzinnigheid van haar minnaar.
  • 578. Rechtsgevoel is niets anders dan de voortdurende vrees dat men ons ontneemt wat ons toebehoort; vandaar de zorg en het respect voor de belangen van de ander en de zorgvuldige waakzaamheid hem geen schade te berokkenen. Die vrees houdt de mensen binnen de grenzen die hun afkomst of lot hen heeft gesteld en zonder die vrees zouden ze voortdurend aanvallen plegen op anderen.
  • 579. De rechtvaardigheid van rechters die gematigd zijn is niets anders dan liefde voor hun eigen aanzien.
  • 580. Men veroordeelt onrecht, niet vanwege de afkeer die men ervan heeft, maar vanwege het nadeel dat men ervan ondervindt.
  • 581. Als we genoeg hebben van een liefde komt het ons goed uit als deze ons ontrouw wordt: het ontslaat ons van verdere trouw.
  • 582. De eerste opwelling van vreugde, die we hebben bij het geluk van onze vrienden, komt niet voort uit de goedheid in onszelf noch uit onze vriendschap voor hen: zij komt voort uit onze eigenliefde, die ons streelt met de verwachting op onze beurt geluk te hebben of enig voordeel te hebben bij het geluk van onze vrienden.
  • 583. In de tegenspoed van onze beste vrienden vinden we altijd wel iets dat ons bevalt.
  • 584. Hoe kunnen we er aanspraak op maken dat een ander ons geheim bewaart als we het zelf niet kunnen?
  • 585. De verblinding van de mensen is het gevaarlijkste effect van hun trots: hij zorgt ervoor dat deze gevoed wordt en toeneemt, en ontneemt ons de kennis van de middelen die onze ellende zouden kunnen verlichten en onze tekortkomingen zouden kunnen herstellen.
  • 586. Men heeft geen redelijkheid meer als men niet meer hoopt deze bij anderen te vinden.
  • 587. Niemand zet anderen zo onder druk als luiaards die genoeg geluierd hebben en ijverig willen lijken.
  • 588. Men heeft even weinig reden zich te beklagen over degenen die ons zelfkennis bijbrengen als die gek uit Athene die zich beklaagde over de arts die hem genas van het waanidee rijk te zijn.
  • 589. De filosofen, en vooral Seneca, hebben het kwaad niet uitgeroeid door hun voorschriften; ze hebben het enkel gebruikt om hun eigen trots op te bouwen.
  • 590. Het is een bewijs van geringe vriendschap om niet te merken dat die van onze vrienden bekoeld is.
  • 591. De meest verstandigen zijn dit op onbelangrijke punten, maar ze zijn het bijna nooit in hun meest ernstige zaken.
  • 592. De meest subtiele dwaasheid komt voort uit de meest subtiele slimheid.
  • 593. Soberheid is gesteld zijn op zijn gezondheid, of niet in staat zijn veel te eten.
  • 594. Elk talent in een mens heeft, net als bij elke boom, zijn eigenschappen en effecten die elke persoon volledig eigen zijn.
  • 595. Men vergeet nooit zo makkelijk dingen als wanneer men er genoeg van heeft erover te praten.
  • 596. De nederigheid, die loftuitingen lijkt weg te wimpelen, is eigenlijk slechts een verlangen om er nog subtielere te ontvangen.
  • 597. Men laakt en looft slechts uit eigenbelang.
  • 598. De lof die men ons toezwaait helpt op zijn minst om standvastig te blijven in het nastreven van het goede.
  • 599. De bijval die men geeft aan de intelligentie, de schoonheid en de dapperheid doet deze toenemen en verbeteren en brengt hen tot grotere effecten dan ze uit zichzelf zouden hebben.
  • 600. De eigenliefde maakt terdege dat degene die ons vleit nooit degene is die ons het meeste vleit.
  • 601. Men maakt geen onderscheid tussen de verschillende soorten woede, terwijl er nochtans een lichte en vrijwel onschuldige is, die voortkomt uit de heftigheid van het temperament, en een andere, zeer kwaadaardige, die op de keper beschouwd de razernij van de trots is.
  • 602. Grote geesten zijn niet die met minder hartstochten of betere kwaliteiten maar die met grotere doeleinden.
  • 603. Heersers doen met mensen zoals met muntstukken: ze geven hen de waarde die ze willen, en men moet ze accepteren naargelang hun koers en niet naargelang hun echte prijs.
  • 604. De woestheid van de natuur begaat minder wreedheden dan de eigenliefde.
  • 605. Men kan over al onze goede eigenschappen zeggen wat een Italiaanse dichter zei over de eer van vrouwen: dat het vaak niets anders is dan de kunst om eerbaar te lijken.
  • 606. Wat de wereld deugdzaamheid noemt is gewoonlijk slechts een spookbeeld gevormd door onze hartstochten, en waaraan men een fraaie naam geeft om ongestraft te doen wat men wil.
  • 607. We bekijken onszelf zo bevooroordeeld en positief dat wat we als goede eigenschappen opvatten vaak slechts gebreken zijn die erop lijken, en die onze eigenliefde voor ons verbloemt.
  • 608. Er zijn misdaden die onschuldig worden, en zelfs roemrijk, door hun luister, hun aantal en hun buitensporigheid; vandaar dat openlijk stelen als handigheid wordt gezien, en het onrechtmatig inpalmen van landstreken betiteld wordt als het doen van veroveringen.
  • 609. Wij erkennen nooit onze tekortkomingen tenzij uit ijdelheid.
  • 610. Men vindt in de mens noch het goede noch het kwade in zijn uiterste vorm.
  • 611. Zij die niet in staat zijn om grote misdaden te begaan verdenken niet makkelijk anderen daarvan.
  • 612. Bij de rouwceremonie gaat het meer om de ijdelheid van de levenden dan de eer voor de doden.
  • 613. Welke onzekerheid en afwisseling er ook in de wereld is, men merkt er toch een zekere verborgen samenhang en een door de Voorzienigheid eeuwig gereguleerde orde, wat maakt dat alles in het gelid marcheert en zijn voorbestemde loop volgt.
  • 614. Koelbloedigheid wordt vereist om samenzweringen te beramen, terwijl eenvoudige dapperheid voldoende kracht levert in de gevaren van de oorlog.
  • 615. Wie een overwinning wil verklaren vanuit haar oorsprong zou geneigd kunnen zijn, zoals dichters, om het een geschenk van de hemel te noemen, aangezien men er geen aardse bron voor vindt. In werkelijkheid komt zij voort uit een oneindig aantal handelingen die, in plaats van haar, slechts het persoonlijke belang van de uitvoerenden najagen, aangezien elke strijder op zoek is naar eigen eer en promotie, en zo dat grote en algemene doel verwezenlijkt.
  • 616. Men kan niet handelen vanuit moed als men nooit in gevaar is geweest.
  • 617. Men legt zich makkelijker beperkingen op wat betreft zijn erkentelijkheid dan wat betreft zijn verwachtingen en verlangens.
  • 618. Imitatie is altijd armzalig; en alles wat is nagemaakt valt ons juist tegen door dezelfde elementen die ons bekoren als ze natuurlijk zijn.
  • 619. Spijt over het verlies van een vriend komt niet altijd door zijn waarde; maar door die van onze behoeften en het positieve oordeel dat hij over ons had.
  • 620. Het is bijzonder lastig om onderscheid te maken tussen een algemene, tegenover iedereen betoonde, goedhartigheid en doortrapte geslepenheid.
  • 621. Om ons altijd goedhartig te laten zijn moeten anderen geloven dat ze ons nooit ongestraft kwaad kunnen doen.
  • 622. Het idee in de smaak te vallen is vaak de weg om anderen juist bij uitstek tegen te vallen.
  • 623. We geloven niet makkelijk datgene wat buiten onze waarneming ligt.
  • 624. Het vertrouwen dat men in zichzelf heeft is de bron van het grootste deel van het vertrouwen in anderen.
  • 625. Er is een algemene omwenteling aan de gang die de heersende voorkeuren en opvattingen verandert, evenals het lot van de wereld.
  • 626. Waarheid is de basis van, en de reden voor, perfectie en schoonheid; een ding, van welke aard ook, kan niet mooi en perfect zijn tenzij het werkelijk alles is dat het moet zijn en alles heeft dat het moet hebben.
  • 627. Er zijn mooie dingen die prachtiger zijn wanneer zij onvolmaakt blijven dan wanneer zij te zeer afgewerkt zijn.
  • 628. Grootmoedigheid is een edele inspanning van de trots, waardoor deze de mens meester maakt over zichzelf, met als doel hem meester te maken over alles.
  • 629. Luxe en te grote beschaafdheid in staten zijn het zekere voorteken van hun verval aangezien alle particuliere burgers, die zich vastklampen aan hun eigenbelang, geen oog hebben voor het algemeen belang.
  • 630. Van alle hartstochten is degene die we zelf het slechtst kennen de luiheid; ze is de heftigste en kwaadaardigste van allemaal, al is haar macht onmerkbaar en de schade die zij veroorzaakt zeer verborgen. Als we goed op haar invloed gaan letten zullen we zien dat ze zich in elke situatie meester maakt van onze gevoelens, belangen en genot; het is de zuigvis die de kracht heeft om de grootste schepen tegen te houden; het is een windstilte die gevaarlijker is voor de allerbelangrijkste zaken dan de klippen of de hevigste stormen. De rust van de luiheid is een geheime aantrekkingskracht voor de geest die de felst begeerde en meest hardnekkig nagejaagde doeleinden uitstelt; om tenslotte een werkelijk idee te geven van deze hartstocht moet men zeggen dat het een gelukzaligheid van de ziel is, die haar troost voor alle verliezen en de plaats inneemt van alle weldaden.
  • 631. Uit veel verschillende gebeurtenissen die het lot naar eigen goeddunken tot stand brengt ontstaan veel verschillende goede eigenschappen.
  • 632. Men houdt ervan anderen te doorzien, maar men houdt er niet van doorzien te worden.
  • 633. Het is een vervelende ziekte zijn gezondheid te willen behouden met een al te streng regime.
  • 634. Het is makkelijker liefde te ontvangen als men die niet heeft dan er zich van te ontdoen als men ze wel heeft.
  • 635. De meeste vrouwen geven zich eerder uit zwakheid dan uit hartstocht. Vandaar dat ondernemende mannen gewoonlijk meer succes hebben, hoewel ze niet aantrekkelijker hoeven te zijn.
  • 636. Niet al te zeer van iemand houden in de liefde is een zeker middel om geliefd te worden.
  • 637. De eerlijkheid, die geliefden van elkaar vragen, om aan te geven wanneer men niets meer voor hen voelt, betreft niet zozeer de wens om gewaarschuwd te worden maar de zekerheid dat ze worden bemind zolang het tegenovergestelde niet is uitgesproken.
  • 638. Het meest treffende waarmee men de liefde kan vergelijken is de koorts: we hebben niet de macht over de ene noch de andere, of het nu om hun hevigheid of hun duur gaat.
  • 639. De grootste handigheid van onhandigen is zich weten aan te passen aan de goede manieren van anderen.
  • 640. Men vreest altijd de geliefde onder ogen te komen wanneer men net tot iemand anders toenadering heeft gezocht.
  • 641. Het kan een troost voor onze gebreken zijn, wanneer we de moed hebben ze te erkennen.

Maximen afkomstig uit het Manuscrit Liancourt[bewerken]

  • L.207. Niets bewijst beter hoe erg men de dood moet vrezen dan de moeite die filosofen doen om aan te tonen dat men hem moet verachten.
  • L.241. Het is moeilijk te begrijpen hoe groot zowel de overeenkomsten als de verschillen zijn tussen alle mensen.

Maximen afkomstig uit de Édition de Hollande[bewerken]

  • H.108. Vrijpostigheid is een loslaten van vrijwel alle regels van de beschaafde omgang, wat door de vrijdenkers in de maatschappij is geïntroduceerd om ons een sociaal leven toe te staan dat comfortabel wordt genoemd.
  • H.109. Vrijpostigheid is een gevolg van de eigenliefde, die alles wil aanpassen aan onze zwakheid en ons daarom afstand laat doen van de beleefde onderdanigheid, die voor goede omgangsvormen wordt vereist. Om alle mogelijke wegen te vinden naar een makkelijker leven verandert de eigenliefde zo deze goede manieren in wangedrag.
  • H.110. Aangezien de vouwen van nature zwakker zijn dan mannen vervallen zij eerder in deze vrijpostigheid en lijden er meer verliezen door: het aanzien van hun sekse wordt niet gehandhaafd; het respect dat zij zou moeten afdwingen neemt af. En men kan zeggen dat een respectabel mens er het grootste deel van zijn rechten door verliest.

Weinig mensen zijn wreed uit wreedheid maar men kan zeggen dat het grootste deel van de mensen wreed en onmenselijk zijn uit eigenliefde.

  • H.152. Scherts is een aangename opgewektheid van de geest, die de conversatie opvrolijkt en de band met elkaar verstevigt als ze beminnelijk is maar ze verstoort als ze dat niet is.
  • H.153. Scherts is er meer voor degene die haar uitspreekt dan voor degene die haar ondergaat.
  • H.154. Scherts is altijd een getwist met vernuft, voortkomend uit ijdelheid; zodat degenen die dat onvoldoende meester zijn en degenen die blozen om het op de korrel genomen gebrek er zich in dezelfde mate aan storen, alsof het een smadelijke nederlaag is die ze niet kunnen vergeven.
  • H.155. Scherts is een vergif dat in zuivere vorm de vriendschap doodt en haat oproept; maar gemitigeerd door de charme van de geest en door de vleierij van de lof verwerft of behoudt zij die; men moet er slechts matig gebruik van maken tegenover vrienden en zwakkeren.

Index[bewerken]

A[bewerken]

  • Aanblik: 292
  • Aangeboren: 365
  • (On-)Aangename mensen: 155, 255
  • Aanleg: 44, 365
  • Aanmerkingen: 567
  • Aanstekelijk: 230
  • Aantrekkelijk: 176, 240, 408, 630
  • Aanzien: 54, 579
  • Aard: 345
  • Aardig vinden: 557
  • Achteloosheid: 179, 181
  • (Min-)Achting: 55, 165, 399, 452
  • Advies: 283
  • Afgodendienaars: 563
  • Afgronden: 563
  • Afgunst: 27, 28, 32, 268, 280, 281, 376, 406, 433, 476, 486, 503
  • Afhankelijkheid: 504
  • Afkeer: 181, 333, 563, 580
  • Afkeuring: 51, 148
  • Afkomst: 399, 578
  • Afkraken: 198
  • Afwezigheid: 276
  • Afscheid: 351
  • Afwijzingen: 369
  • Ambitie: 7, 24, 91, 246, 308
  • Angst of vrees: 11, 16, 21, 38, 75, 78, 82, 180, 215, 217, 241, 370, 420, 511, 515, 565, 578
  • Arbeid: 535
  • Arm(-oede): 54, 535
  • Ascese: 563
  • Augustus: 7
  • (Liefdes-)Avontuurtje: 73, 277, 402, 499

B[bewerken]

  • Banaliteiten: 488
  • Bedaardheid: 293
  • Bedachtzaamheid: 65, 546
  • Beleefd: H.109
  • Beschaafd: H.108
  • (Goede -) Bedoelingen: 161, 171
  • Bedrog: 84, 86, 87, 114, 115, 117, 118, 126, 127, 129, 233, 254, 282, 289, 335, 360, 373, 374, 395, 434, 542
  • Beetnemen: 282, 407
  • Begrip: 375
  • Begunstigden: 55, 60, 96, 558
  • Behaagzucht: 107, 241, 277, 332, 334, 349, 376, 406, 418, 640
  • Behandeling: 527
  • Behendigheid: 1, 221, 404, 563
  • Bejaarden: 93
  • Beklagen: 179, 463, 475
  • Bekoring: 545
  • Bekrompenheid: 265, 504
  • (On-)Bekwaamheid: 126, 244, 245
  • Belachelijk: 133, 134, 163, 307, 311, 326, 407, 418, 422
  • Belang(-eloosheid): 1, 39, 66, 124, 246, 268, 278, 390, 492, 563, 578, 615, 630
  • Belangstelling: 486
  • Beledigen: 320
  • Beleefd: 260
  • Beleving: 464
  • Beloften: 38
  • Beminnelijk: H.152
  • Beoordeling: 184, 437
  • Beproeving: 504
  • Berispen: 480
  • Beroep: 214
  • Berouw: 180
  • Beschaafdheid: 629
  • Beschuldiging: 267
  • Besognes: 510
  • Betalen: 228
  • Betreuren: 504
  • Betrouwbaarheid: 247
  • Beuzelachtig: 563
  • Bevallen: 561
  • Bevalligheid: 67, 155, 247, 274
  • Beweegredenen: 295
  • Bewonderaars: 178, 294
  • Bewonderen: 178, 294, 356, 475
  • Bewustzijnsverlies: 510
  • Bezit: 221, 301, 323, 365, 492, 522, 543, 578
  • Bijen: 563
  • Bijval: 51, 280, 599
  • Bitsheid: 479
  • Bitterheid: 350
  • Blameren (zich -): 408
  • Bloed: 564
  • Bloem(-perk): 505, 563
  • Blozen: H.154
  • Blunder: 377, 422
  • Boeken: 550
  • Boom: 505, 594
  • Boosaardigheid: 483
  • Brutaal: 563
  • Brutus: 504
  • Burgerlijk: 393

C[bewerken]

  • Cato: 504
  • Charme: 100, 240, 426, 474, 630, H.155
  • Christelijk: 358
  • Complimenten: 145, 150
  • Condé: 198
  • Conversatie: H.152

D[bewerken]

  • Daden (goede en slechte): 1, 57, 58, 160, 161, 170, 215, 230, 297, 305, 382, 409, 432, 509, 563
  • (On-)Dank(-baarheid): 96, 223 - 225, 226, 298, 299, 306, 317, 438, 617
  • Dapperheid: 1, 150, 213 - 216, 219, 220, 221, 365, 504, 599, 614
  • Degenstoten: 215
  • Denkers: 142, 602
  • Denkwerk: 283
  • (On-)Deugd: 1, 169, 182, 183, 186, 187, 191, 192, 195, 200, 218, 253, 266, 308, 320, 358, 388, 398, 517, 520
  • Deugdzaamheid: 1, 606
  • Diefstal: 608
  • Diensten: 225
  • Doeleinden: 630
  • Dommen en dwazen: 6, 140, 156, 209, 210, 231, 309, 353, 414, 444, 538
  • Dood: 21, 23, 26, 215, 221, 233, 461, 504, 563, L.207
  • Doorgronden: 425, 524
  • Doorzien (- worden): 425, 524, 632
  • Drastische midelen: 392
  • Duitenkliever: 221
  • Duivel: 512
  • Dwaasheid: 207, 300, 309, 340, 387, 415, 592
  • Dwarsbomen: 502
  • Dwarsdrijvers: 448

E[bewerken]

  • Edelmoedigheid: 246, 248
  • Eenvoud: 289
  • (On-)Eer: 116, 176, 215, 233, 268, 270, 278, 326, 368, 399, 504, 548, 563, 605, 612, 615
  • (On-)Eerlijkheid: 170, 202, 317, 366, 383, 637
  • Eerzucht: 233, 293, 504, 522
  • Egoisme: 9, 13
  • Eigenbelang: 9, 39, 40, 116, 144, 171 - 173, 187, 232, 253, 275, 278, 305, 390, 510, 597
  • Eigendunk: 92, 127, 134, 203
  • Eigenliefde: 2, 3, 4, 46, 88, 228, 236, 247, 261, 262, 324, 339, 494, 500, 504, 509, 510, 518, 531, 563, 582, 600, 604, 607, H.109, H.110
  • Eigenschappen, goede en slechte: Motto, 53, 90, 134, 143, 186, 189, 337, 344, 365, 380, 397, 399, 424, 445, 462, 468, 470, 493, 498, 512, 594, 605, 607, 631
  • Eigenzinnigheid: 318
  • Enthousiasme: 8
  • Ellende: 183, 504, 519, 585
  • Erfzonde: 509
  • Ergernis: 172, 242, 532
  • Erkenning: 55
  • Erkentelijkheid: 279, 298, 299, 438, 617
  • Ervaring: 405, 563

F[bewerken]

  • Fatsoen: 205, 367, 393
  • Filosofen: 46, 54, 504, 520, 589, L.207
  • Fortuin: 212, 213
  • Fouten: Motto, 37, 196, 422
  • Functie: 164

G[bewerken]

  • Gastheren: 191
  • Geboortestreek: 342
  • Gebouwen: 292
  • Gebreken: Motto, 31, 90, 130, 145, 154, 155, 184, 190, 196, 202, 251, 273, 290, 319, 327, 354, 358, 365, 383, 398, 403, 411, 424, 426, 428, 442, 450, 462, 493, 494, 498, 513, 526, 545, 585, 607, 609, 641, H.154
  • Gedachten: 80, 99
  • Gedaanteverwisselingen: 563
  • Gedienstig: 139
  • Gedrag(-ingen): 156, 163, 378
  • Geduld: 392
  • Geest(-elijk): 99, 100, 101, 103, 112, 188, 222, 257, 265, 290, 342, 357, 404, 448, 487, 504, 630, H.152, H.155
  • Geestdrift: 8
  • Geestig(-heid): 413, 421, 451, 456
  • Geheim: 584
  • Geheugen: 89, 313
  • Gehoorzaam: 563
  • Gek (- zijn): 310, 318, 353, 414, 416, 451, 456
  • Gekunsteld: 204, 289
  • Gekwetst: 357
  • Geld: 603
  • Geldingsdrang: 272
  • Geliefde: 175, 176, 259, 262, 312, 331, 362, 369, 374, 381, 396, 406, 471, 500, 545, 547, 637, 640
  • Geloven: 256, 265, 267, 397, 504, 513, 623
  • Gelijk hebben: 227
  • Geluk en ongeluk: 17, 18, 19, 25, 48, 50, 59, 61, 227, 233, 259, 264, 308, 331, 391, 464, 476, 485, 522, 535, 538, 539, 551, 561, 570, 573, 582
  • Gelukzaligheid: 630
  • Gemoed(-stoestand): 80, 217, 478, 563
  • Genegenheid: 235, 279, 434, 440
  • Genezing: 193, 194
  • Genoegen: 81, 123, 430, 461, 521, 563
  • Genot: 233, 259, 277, 392, 563, 630
  • Geslepen: 124, 170, 620
  • Gesprek: 139, 421, 556
  • Getuigen: 216
  • Gevaar: 118, 215, 217, 219, 238, 268, 284, 614, 616
  • Geven: 110, 263
  • Gevoel(-ens): 27, 43, 98, 102, 103, 108, 177, 255, 259, 276, 443, 460, 472, 500, 504, 523, 559, 630
  • Gevoeligheid: 275, 528
  • Gewichtigheid: 257
  • Gewiekstheid: 170
  • Gewone mensen: 504
  • Gezelschap: 87, 141
  • Gezicht: 215, 578
  • Gezond verstand: 347
  • Gezondheid: 188, 392, 541, 542, 593, 633
  • Gierigheid: 11, 167
  • Glorie: 233
  • God: 509, 537, 613
  • Goedhartigheid: 236, 275, 284, 463, 620, 621
  • Goed(-doen), goedaardigheid: 121, 185, 229, 236, 237, 238, 264, 306, 365, 481, 519, 528, 598, 610
  • Golven: 563
  • Grootmoedigheid: 248, 628
  • Groten: 24, 190, 239, 308, 343, 504, 522, 542, 602
  • Gruwelijkheid: 504
  • Gunsten: 264, 298

H[bewerken]

  • Haat: 72, 111, 321, 328, 329, 338, 563, H.155
  • (On-)Handigen: 59, 124, 139, 208, 504, 608, 639
  • Halsstarrigheid: 265
  • Handel: 223
  • Handhaven (zich -): 449
  • Hardnekkig: 177, 233, 234, 424
  • Hart: 342
  • Hartstocht: 5, 6 - 9, 12, 122, 266, 277, 334, 341, 404, 422, 466, 477, 484, 485, 491, 527, 531, 563, 564, 602, 630, 635
  • Hebzucht: 491, 492
  • (Ont-)Hechting: 46, 201
  • Heden: 575
  • Heersers: 15, 16, 266, 320, 151, 518, 603
  • Heerszuchtig: 563
  • Heidenen: 504
  • Helden: 24, 185, 217
  • Hemel (geschenk van de -): 615
  • Huilen: 233
  • Hulp: 264
  • Hof: 393
  • Hooghartigheid: 568
  • Hoop: 75, 168, 504, 515
  • Houden van: 286, 351
  • Huichelen: 119, 125, 218, 233, 282, 457
  • Humeur: 45, 414, 435, 488
  • Huwelijk: 113

I[bewerken]

  • Ijdelheid: 14, 16, 18, 33, 107, 137, 158, 200, 220, 232, 233, 239, 263, 388, 389, 425, 443, 446, 467, 483, 506, 507, 508, 536, 609, 612, H.154
  • Ijver: 243
  • Imitatie: 230, 618
  • Inspanning: 243
  • Integriteit: 170
  • Intelligentie: 97, 174, 244, 245, 258, 269, 599
  • Inzicht: 234, 404, 460

J[bewerken]

  • Jaloezie: 7, 28, 324, 336, 359, 361, 406, 446, 472, 514, 547
  • Jeugd, Jong(-eren): 109, 261, 271, 341, 372, 461, 495, 497

K[bewerken]

  • Kalmte: 217, 488, 495
  • Karakter: 215, 293
  • Kennis(-sen): 106, 178, 482
  • Klappen: 363
  • Kleingeestig: 125, 142, 268
  • Klippen: 630
  • Knap (- zijn): 199, 497
  • Koelbloedigheid: 217, 614
  • Koketterie: 107
  • Komedie (menselijke - ): 568
  • Kooplui: 223
  • Koorts: 271
  • Kopieën: 133
  • Koppig: 318, 424
  • Krediet: 223, 360
  • Krenking: 14, 36, 536
  • Krijt (in het - staan): 438
  • Kritiek: 31, 37, 51, 147, 462, 494, 526, 533, 567
  • Kronkelwegen: 563
  • Kwaad (doen): 29, 64, 121, 180, 185, 238, 269, 465, 489, 503, 504, 589, 601, 610, 611, 621
  • Kwaadspreken: 138, 454, 483, 554
  • Kwalen: 182
  • Kwaliteiten (goede en slechte): Motto, 29, 159, 162, 251, 387, 433, 437, 452, 498, 602
  • Kwellen: 369, 509

L[bewerken]

  • Lafheid: 215, 370, 420
  • Lakei: 504
  • Lastig(-e mensen): 242, 403
  • Leed: 233, 264, 325
  • Leegheid: 257
  • Leger: 393, 615
  • Leiding: 42, 43, 448, 518
  • Lenen: 223
  • Levendigheid: 416
  • Levensfase: 405, 563
  • Levensloop: 168, 191, 207, 405
  • Libertijnen: H.108
  • Lichaam: 188, 222, 297, 487, 510, 576
  • Licht (klein/groot): 502
  • Lichtzinnig: 495, 563, 577
  • Liedjes: 211
  • Liefhebben: 277, 286, 321, 330, 348, 351, 362, 385, 429, 525, 553, 577, 637
  • Liefde: 68 - 70, 72, 74 - 77, 111, 131, 175, 176, 259, 262, 266, 274, 286, 324, 335, 336, 349, 359, 361, 362, 371, 374, 376, 369, 381, 385, 395, 396, 402, 417, 418, 422, 430, 440, 441, 459, 466, 471, 473, 477, 501, 514, 563, 576, 581, 634, 636, 635, 637, 638
  • Liegen: 63
  • List: 126, 407
  • Lompheid: 129, 372, 563
  • Lof en blaam: 58, 143, 144, 147 - 149, 198, 272, 303, 530, 533, 554, 596 - 598, H.155
  • Loslippigheid: 239, 429
  • (Nood-)Lot: 1, 17, 25, 45, 47, 50, 52 - 54, 57, 58, 60, 61, 153, 165, 207, 212, 227, 309, 310, 323, 339, 343, 380, 391, 392, 399, 403, 435, 449, 470, 504, 563, 574, 578, 625, 631
  • Luiheid: 16, 169, 237, 266, 267, 398, 482, 487, 512, 587, 630
  • Luisteren: 139
  • Lusten en lasten: 430, 563
  • Luxe: 629

M[bewerken]

  • Macht: 525
  • Mannen: 1, 220
  • Marcheren: 613
  • Marcus Antonius: 7
  • Matigheid: 18, 308, 565, 566
  • Maximen: 505, 517, 524
  • Medeleven, Medelijden: 233, 264, 463, 503, 563
  • Mening(-en): 13, 143, 181, 347
  • Mensenkennis: 178, 344, 436, 550, L.241
  • Meester (maken): 628
  • Metamorfosen: 563
  • Middelmatigheid: 308, 375
  • Minnaar: 406, 577
  • Misdaad: 183, 465, 520, 608
  • Miserabel: 527
  • Misleiden: 373
  • Mode: 533
  • Moed: 215, 616
  • Moedeloosheid: 420
  • Monsterlijk: 563
  • Mooi: 401, 497, 627
  • Motieven: 163, 295, 409, 504
  • Musketschoten: 215

N[bewerken]

  • Naam: 94, 233, 280
  • Naijver: 7, 230
  • Namaak: 618
  • Narigheden: 229
  • Natuur(-lijk): 153, 189, 365, 404, 431, 478, 604, 618
  • Navolging: 230
  • Nederig(-heid): 254, 272, 534, 537, 596
  • Nederlaag: H.154
  • Neerkijken op: 296
  • Neerhalen: 198
  • Neigingen: 523
  • Nieuw: 274
  • Nieuwlichterij: 563
  • Nieuwsgierigheid: 173
  • Nijd: 95, 476

O[bewerken]

  • Object: 563
  • Octavianus: 7
  • Offers: 537
  • Ogen: 563
  • Omstandigheden: 207, 345, 453, 470, 563
  • Omwenteling: 625
  • Onbeheerst gedrag: 565
  • Onbeleefd: 372
  • Onbenullig: 563
  • Onbezonnen: 498
  • Onderdanigheid: H.109
  • Ondergang: 521, 563
  • Onderhandelen: 278
  • Onderpand: 270
  • Ongedwongenheid: 372
  • Ongelijk hebben: 386, 496
  • Ongenaakbaarheid: 204, 333
  • Onheil: 504
  • Onmenselijk: H.110
  • Onnozel: 208, 563
  • Onpartijdigheid: 144
  • Onrecht(-vaardigheid): 9, 580
  • Onschuld: 465
  • Ontmoediging: 24
  • Ontrouw: zie Trouw
  • Onverschilligheid: 341, 434, 510
  • Onverstoorbaarheid: 20
  • Onvolkomen: 36, 131
  • Onwetendheid: 563
  • Oordeel: 104-106, 143, 184, 212, 233, 268, 455, 458
  • Oordeelsvermogen: 89, 97, 144, 258, 517
  • Oorlog: 7, 82, 219, 504, 563, 614
  • Opdracht: 278
  • Openhartigheid: 383
  • Opgewektheid: H.152
  • Opkijken naar: 296
  • Oplossing: 283, 287
  • Oprecht(-heid): 62, 63, 165, 184, 316, 502, 563
  • Opsmuk: 204, 563
  • Opsnijden en opscheppen: 424, 442, 455, 552
  • Opvattingen: 181, 234, 625
  • Opvoeding: 261
  • Orde: 613
  • Origineel: 133
  • Oud(-erdom): 93, 109, 112, 222, 341, 408, 416, 418, 423, 444, 562
  • Overtuig(ing)en: 504, 563
  • Overwinning: 615
  • Ovidius: 563

P[bewerken]

  • Paardenmiddel: 392
  • Passie: 5, 6, 8, 10, 11, 12
  • Peilen: 563
  • Pijn: 363, 535
  • Plan: 7, 160, 563
  • Plezier: 123, 233
  • Politici: 7
  • Positie: 449
  • Prat gaan op: 224, 275, 424
  • Praten, zeggen: 137 - 139, 142, 312, 313, 314, 364, 366, 383, 556, 595
  • Precair: 289
  • Prestaties: 307
  • Prestige: 233
  • Prijs: 225, 244, 399, 563
  • Prijzen: 95, 98, 145, 146, 169, 303, 305, 356, 432
  • Prinsen: 15, 16, 320, 518
  • Probleem: 287
  • Promotie: 615
  • Publiek: 165

R[bewerken]

  • (Goede en slechte) Raad: 93, 110, 116, 378
  • Radbraken: 504
  • Rangverhoging: 399, 400, 401, 403, 615
  • Razernij: 601
  • (On-)Recht(-vaardigheid): 78, 223, 578, H.110
  • Rechters: 268, 579
  • Rechtsgevoel: 578
  • Rede(-lijkheid): 9, 523, 586
  • Regels: 346
  • Regeren: 151
  • Remedie: 288, 527
  • Reputatie: 162, 205, 233, 268, 412, 504
  • Respectabel: 162, 170, 202, 203, 206, 355, 552, H.110
  • Revolutie: 625
  • Rijkdom: 520, 563
  • Rijmwoorden: 382
  • Roem: 157, 213, 221
  • Roes: 271
  • Rol: 578
  • Rouwceremonie: 612
  • (On-)Rust: 20, 205, 268, 488, 542, 563, 571
  • Ruzie: 496

S[bewerken]

  • Samenzweringen: 614
  • Schaamte: 71, 230, 409, 446, 523, 565
  • Schade (berokkenen): 578, 563
  • Schande: 213, 326, 412
  • Schavot: 504
  • Scheikunde: 563
  • Schepen: 630
  • Scherpzinnigheid: 128, 287, 377, 425
  • Scherts: H.152 - 155
  • Schijn: 56, 64, 164, 199, 202, 256, 419, 431, 457, 539, 573, 587, 605
  • Schijndood: 510
  • Schitteren: 213
  • Schoonheid: 150, 204, 240, 401, 474, 563, 599, 626, 627
  • Schulden: 223
  • Schuldigen: 267
  • Schurken: 284
  • Seizoen: 291
  • Seneca: 589
  • Slagen: 56, 243
  • Slecht(-heid): 197, 489
  • Slim(-heid): 127, 132, 350, 394, 592
  • Sluw(-heid): 124, 125, 129, 350, 529
  • Smaak (in de - vallen): 13, 177, 252, 258, 379, 390, 413, 622
  • Smart: 233
  • Snoeven: 203, 307
  • Soberheid: 563, 566, 593
  • Sociale omgang: 90, 273, H.108, H.109
  • Soldaat: 214
  • Spartaans: 563
  • Spijt: 180, 355, 619
  • Spitsvondigheid: 128
  • Staat: 629
  • Standvastigheid: 477, 479, 598
  • Starheid: 482
  • Stelen: 608
  • (On-)Sterfelijk: 23, 511
  • Stompzinnigheid: 23
  • Stormen: 630
  • Stoutmoedigheid: 11
  • Streven: 449
  • Succes: 212
  • Symmetrie: 240

T[bewerken]

  • Taak: 419
  • Taal: 342
  • Talent: 404, 468, 505, 569, 594
  • Teer: 233
  • Tegenslagen: 22, 24, 174, 235, 420, 563
  • Tegenspoed: 434, 463
  • Tegenstrijdigheden: 478
  • Tegenzin: 467, 504
  • Tekortkomingen: 31, 36, 155, 202, 273, 290, 410, 498, 545, 585, 609, 641
  • Temperament: 7, 17, 47, 61, 220, 241, 290, 292, 346, 504, 601
  • Tijd: 233
  • Timide: 563
  • Tirannen: 563
  • Toegeeflijkheid: 481
  • Toekomst: 574, 575
  • Toeval: 57, 58, 61, 65, 105, 344, 435, 453
  • Toewijding: 41
  • Toneelspel: 233, 568
  • Tongval: 342
  • Tooien (zich -): 493
  • Tranen: 233, 373
  • Trekken: 240
  • Trots: 32, 34 - 37, 57, 225, 228, 234, 239, 254, 267, 281, 358, 450, 462, 463, 472, 563, 568, 585, 589, 601, 628
  • (On-)Trouw: 175, 176, 331, 359, 381, 396, 247, 429, 548, 581
  • Tulpen: 505
  • Turenne: 198
  • Twijfel: 32, 514

U[bewerken]

Uitblinken: 399

  • Uiterlijk: 256

V[bewerken]

  • Vaardigheid: 288, 404, 529
  • Vakmanschap: 214
  • Valsheid: 504, 517, 563
  • Vastberadenheid: 21, 420, 504
  • Vasthoudendheid: 177
  • Veinzen: 12, 62, 64, 70, 117, 119, 125, 233, 254, 559
  • Verachten: 186, 322, 462, 563
  • Verbazing: 197, 384
  • Verbeelding: 287, 478
  • Verbergen: 245, 358, 516
  • Verbittering: 350
  • Verbloemen: 607
  • Verdenkingen: 514
  • Verdienstelijkheid: 291, 437
  • Verdiensten: 88, 95, 144, 153, 155, 156, 162, 165, 166, 239, 272, 273, 279, 308, 399 - 401, 403, 455, 563
  • Verdriet: 232, 233, 355
  • Verfijningen: 563
  • Vergeten: 196, 595
  • Vergeven: 304, 330
  • Vergif: H.155
  • Verheffen (zichzelf -): 247, 254
  • Verkwisting: 11
  • Verlangen: 113, 504, 511, 540, 543, 544, 563, 573, 617
  • Verlegenheid: 11, 169, 480, 495
  • Verliefdheid: 71, 136, 353, 369, 371, 500, 514, 546, 548, 563
  • Verlies: 353
  • Vermogens: 30, 354, 379, 419
  • Vernederen: 213, 254
  • Vernuft: H.154
  • Veroordeelden: 21
  • Veroveringen: 608
  • Verplichting: 14, 169, 224, 226, 228, 229, 299, 317, 438
  • Verraad: 114, 120
  • Verschil: 135
  • Verschrikkelijkheid: 504
  • Versmaden: 248
  • Verstand(-ig): 42, 43, 66, 67, 98, 102, 108, 132, 140, 147, 150, 154, 217, 221, 271, 287, 325, 340, 347, 415, 425, 467, 469, 482, 504, 591, 592
  • Vertrouwen: 79, 116, 247, 365, 421, 611, 624
  • Vertrouwelijkheid: 239, 475
  • Vervelen: 141, 304, 312, 352, 532, 555, 563
  • Vervreemding: 135
  • Verwaandheid: 173
  • Verwachtingen: 38, 492, 617
  • Verwijten: 148
  • Verzoening: 82
  • (Plichts-) Verzuim: 172
  • Vijanden: 114, 268, 458, 463, 521, 563
  • Vleien: 2, 100, 123, 144, 152, 158, 329, 600, H.155
  • Vloeistoffen (Lichaams-): 297
  • Volk: 16, 504
  • Voorbeeld: 230
  • Voorbestemmen: 399, 613
  • Voordeel: 530
  • Voorkeuren: 177, 252, 625
  • Voorkomen: 240
  • Vooroordeel: 268, 607
  • Voorspoed: 233, 565
  • Voorwendsels: 504
  • Voorzienigheid: 613
  • Vriend(-schap): 72, 80, 81, 83, 84, 88, 114, 179, 235, 278, 279, 315, 319, 376, 410, 426 - 428, 434, 438, 441, 473, 521, 544, 560, 582, 583, 590, 619, H.155
  • Vrijdenkers: H.108
  • Vrijgevigheid: 167, 263
  • Vrijpostigheid: 495, H.108 - 110
  • Vroom: 427, 534
  • Vrouwen: 1, 131, 204, 205, 220, 233, 241, 277, 332-334, 340, 346, 362, 364, 368, 406, 418, 429, 440, 466, 471, 474, 499, 548, 552, 562, 605, 635, H.110
  • Vrucht: 274, 505

W[bewerken]

  • Waarderen: 273, 452
  • Waardigheid, waardig blijken: 449, 508
  • Waarheid: 64, 458, 516, 626
  • Waarneming: 97, 623
  • Wangedrag: H.109
  • Wantrouwen: 84, 86, 315, 335, 611
  • Wedijver: 7, 230
  • Wel en wee: 339
  • Weldoener, weldaden: 96, 229, 264, 319, 558, 630
  • Wellevendheid: 260, 447
  • Welsprekendheid: 249, 250
  • Welvaart: 18
  • Welzijn: 341
  • Wensen: 213, 439, 469, 511, 513, 540, 543, 563, 573, 617
  • Wereld: 613, 625
  • Wet: 447
  • Weten: 441
  • Wijsheid: 20, 22, 207, 209, 210, 231, 323, 456, 538, 541, 549
  • Willen: 297, 573
  • Wilskracht: 18, 19, 24, 30, 42, 44, 122, 237
  • Windstilte: 630
  • Winnen: 549
  • Wispelturigheid: 45, 109, 181, 498, 563, 577
  • Woede: 601
  • Wreed(-heid): 563, 604, H.110

Z[bewerken]

  • Zachtmoedigheid: 479
  • Zaken (grote -): 453
  • Zee: 563
  • Zelfbedrog: 233, 373, 374, 398, 630
  • Zelfbewustzijn: 399
  • Zelfgenoegzaamheid: 51, 203, 141
  • Zelfingenomen: 139, 141
  • Zelfkritiek: 227, 563
  • Zelfmoord: 504
  • Zelfvernietiging: 563
  • Ziekte: 188, 193, 194, 288, 300, 633
  • Ziel: 193, 194, 510, 576, 630
  • Zintuigen: 337
  • Zorg: 578
  • Zuigvis: 630
  • Zwak(-heid): 11, 130, 181, 316, 325, 424, 445, 477, 479, 480, 481, 504, 635, H.109, H.110, H.155
  • Zwanger worden: 563
  • Zwijgen: 79, 556

Bronvermelding[bewerken]

Bronvermelding:
  • (fr) La Rochefoucauld: Maximes et Réflexions Diverses, red. Jean-Pol Caput. Parijs: Librairie Larousse (1975)
  • (fr) Truchet, Jacques, Ed.: La Rochefoucauld: Maximes, suivies des Réflexions diverses, du Portrait de La Rochefoucauld par lui-même et des Remarques de Christine de Suède sur les Maximes. Parijs: Garnier (1967)
  • (fr) La Rochefoucauld: Maximes et Réflections Morales du duc de La Rochefoucauld. Parijs: Ménard et Desenne, Fils (1817)
  • (en) E.H. and A.M. Blackmore en Francine Giguère: François de la Rochefoucauld. Collected Maxims and Other Reflections. Oxford World's Classics. Oxford University Press (2008)
  • (nl) François de La Rochefoucauld: Maximen. Bespiegelingen over het menselijk gedrag. Vert. Maarten van Buuren. Groningen: Historische Uitgeverij (2008)
  • (nl) La Rochefoucauld: Maximen. Bespiegelingen/Portretten. Vert. C. Jongenburger. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum (1978)
  • (en) J.W. Willis Bund en J. Hain Friswell: Reflections; or Sentences and Moral Maxims by François duc de La Rochefoucauld, Prince de Marsillac. New York: Scribner, Welford and Co (1871) Google Books
  • (nl) C. Buddingh: Citaten Omnibus. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum (1967)
  • (en) George H. Holland: François, duc de La Rochefoucauld (1613–1680). Moral Maxims and Reflections. Londen: Methuen & Co (1912)

De vertaling van de Franse teksten en indexering, zoals weergegeven op 21 oktober 2020, is verricht door de aanmaker van deze pagina. Voor de indeling en nummering werd uitgegaan van de GEF(Grands Écrivains de la France)-nummering, zoals gehanteerd in de Larousse-uitgave. De indexering is gebaseerd op de Nederlandstalige tekst.