Noorsche Volksvertellingen/De aalscholvers van Udröst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Eene tooverheks Noorsche Volksvertellingen van Peter Christen Asbjørnsen

De aalscholvers van Udröst

De nikkers op het „Zand”


[ 210 ]

TER ZEE.


I.


DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST.




Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers, dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten, die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen; maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt; »hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland, »het Zand" geheeten, met [ 211 ] vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland; visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top, maar op 't oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen, is hij eensklaps verdwenen.

Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde; daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. 't Eenige, waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn' naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in 't hoofd had gezet, dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij de hut van den arme lag.

Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën heen, die elk oogenblik [ 212 ] kwamen aanrollen om hem in den afgrond te werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees, dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde, en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was; want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op eens een' akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders, of 't was een watergeest, die zijn' lijkzang zong. Hij bad den Heer voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim, die al dichter bijkwam; maar 't bleken drie aalscholvers, die op een stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en vermoeid, dat hij geen' raad wist; hij zat met de roerpen in de hand, tot de oogen hem toevielen. Maar op 't zelfde oogenblik schuurde de boot tegen 't strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land: heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet, als hij nooit had geroken.

»Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst," zeide Izaak bij zich zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar, als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde eene witte geit met horens van goud en [ 213 ] uiers zoo groot als de grootste koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw kleed aan op een' stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken; hij had een' baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing.

»Welkom op Udröst, Izaak," zei het mannetje.

»Den zegen van Boven," antwoordde Izaak. »Kent gij mij?"

»Wel mogelijk," sprak het mannetje, »ge komt hier zeker nachtverblijf zoeken?"

»Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader," zeide Izaak.

»'t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van christenmenschen niet verdragen," zeide het mannetje. »Hebt gij ze niet ontmoet?"

»Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten te schreeuwen op een drijfhout," antwoordde Izaak.

»Juist, dat waren mijne zonen," viel het mannetje in; hij klopte zijn pijpje uit en ging voort: »ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan; eene volle maag zal u zeker niet plagen."

»Toch niet," antwoordde Izaak.

Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen, brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt.

Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet veel en sprak nog minder; [ 214 ] toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan de deur rammelen, verliet hij 't vertrek. Na eenige oogenblikken kwam hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar 't scheen, had de oude man hun' afkeer van christenmenschen weten te overwinnen, want ze waren heel vriendelijk en voorkomend.

Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was, wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen mee zou doen, om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht, dien ze samen deden, overviel hun een vreeslijke storm. Een der drie jongelingen zat aan 't roer, de ander stond voorop, de derde hield zich op 't middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte, dat hem 't zweet van 't voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven, of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag op slag een net vol; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten — 't was zijn eigen tuig — ophaalde, waren de [ 215 ] visschen verdwenen. Toen ze de boot vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun' buit in 't drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man, dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan.

De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen, haalde Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch kreeg hij wel drie droogschuren vol visch.

Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken, schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven, en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen; daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar Udröst wilde komen. »Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan," zei de oude. »Goede reis!"

Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee.

Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nog nooit gezien: 't was zoo lang, dat de stuurman, de op den uitkijk stond aan den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon roepen; daarom had men midden op 't vaartuig nog een' man gezet, vlak bij de mast, die de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog [ 216 ] moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan.

De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten, maar, — hoe 't kwam, daar begreep hij niets van, — zoo snel kon hij ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij onder zeil ging, 's avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en drukte hem op 't hart, dat hij de kinderen van zijn' buurman niet zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide, en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht.

»Al wat in den wind staat, is goed en zal 't wel uithouden," zeide hij, en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag, maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien tijd was 't geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als hij in 't najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht.