Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
9 Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

10. De jonge reus

11

[ 57 ] Een boer had een zoon, die zoo groot was als het lid eens vingers en in het geheel niet grooter werd. [ 58 ] Eens wilde de boer op het land gaan om te ploegen; zijn zoon vroeg: „vader, mag ik met u gaan?” „Neen,” zeide de vader, „blijf maar te huis; op het land kunt gij toch niets uitvoeren en gij zoudt ook verloren kuunen geraken.” Toen begon de knaap te schreien en liet zijnen vader geene rust voordat deze hein medenam. Om rust te hebben stak de boer hem in zijn zak en zette hem op het land in een ploegspoor. Toen hij daar zat, kwam er een groote reus den berg af. „Ziet gij dien grooten man daar?” zeide de boer, en wilde den jongen bang maken, opdat hij stil zijn zoude; „die komt u halen.” Maar de reus had lange beenen en was met een paar stappen bij den dwerg, nam hem op en met zich mede. De vader, die er bijstond, kon van schrik geen woord spreken en dacht, dat hij zijn zoon nimmer weder zoude zien.

De reus nam hem met zich en voedde hem op, zoodat hij groot en sterk werd, en toen twee jaren om waren, ging de reus met hem in het bosch en wilde zien of hij reeds sterk was. Hij beval zijnen kweekeling: „trek een een wandelstok voor u uit den grond”. Het knaapje was reeds zoo sterk, dat hij een jongen boom met wortel en al uittrok. De reus echter dacht: „het moet beter worden”, nam hem weder met zich, voedde hem nog twee jaren, en toen hij nu weder met hem in het bosch ging, trok de knaap reeds een veel grooteren boom uit; doch de reus nam hiermede nog geen genoegen en voedde hem nog eens twee jaren, waarna hij nogmaals met hem in het bosch ging en zeide: „trek nu een een beter stokje voor [ 59 ] u uit.” Toen trok de jongen den diksten eikeboom uit den grond, dat de wortels krachten, en dat nog wel zonder moeite. Toen de reus dit zag, zeide hij: „nu is het goed, gij hebt uitgeleerd,” en bragt hem terug op het land, vanwaar hij hem gehaald had. De vader was juist wederom met ploegen bezig, toen de jonge reus naar hem toekwam en tot hem zeide: „goeden dag vader, kent gij mij niet meer? Ik ben uw zoon.”
De boer schrikte geweldig en zeide: „neen, gij zijt mijn zoon niet, ga maar weg.” „Waarlijk ben ik uw zoon, laat mij eens ploegen; ik kan het zoo goed als gij.” „Neen, gij zijt mijn zoon niet, en gij kunt ook niet ploegen.” Doch daar hij voor den reus bang was, liet hij den ploeg los en ging ter zijde op het land zitten. Toen ging de jongen aan het ploegen en drukte slechts met zijnen vinger, doch deze druk was reeds zoo hard, dat de ploeg zes voet diep in den grond ging. De boer kon dit niet aanzien en zeide tot hem: „als gij ploegen wilt, moet gij zoo hard niet drukken, want dit is niet goed;” maar de jongen spande de paarden uit en zich zelven voor den ploeg en sprak: „vader, ga maar naar huis, en zeg tegen moeder, dat zij een goeden schotel eten kookt; ik zal ondertusschen dit land wel ploegen.”

Toen ging de boer heen en vertelde het aan zijne vrouw; deze kookte nu een grooten schotel vol met spijzen, terwijl de jongen geheel alleen het land, dat vijftig bunders groot was, ploegde, en toen hij het geploegd had, ook alleen egde, met twee eggen te gelijk. Nadat hij gedaan had, ging hij in het bosch, trok [ 60 ] twee boomen uit, legde die op zijne schouders, voor en achter eene egge en voor en achter een paard, en droeg dit te gelijk, alsof het een stroohalm was, naar huis. Toen hij aan de boerderij kwam, zeide zijne moeder: „wie is die groote man ?” want zij kende hem niet. De boer zeide : „deze is onze zoon;” maar dit wilde zij niet gelooven en zeide : „onze zoon was immers zoo klein als een duim; ga heen, wij willen u niet hebben.” De jonge reus zweeg, bracht zijn paard in den stal, gaf het haver en hooi, en maakte alles in order, en toen hij klaar was, ging hij in de kamer, plaatste zich op de bank en zeide: „moeder, nu wilde ik gaarne wat eten; is het eten spoedig gereed?” Zij zeide: ja, omdat zij hem niets durfde weigeren, en bragt twee zeer groote schotels vol, waaraan zij en haar man wel acht dagen genoeg zouden gehad hebben; doch hij at alles alleen op en vroeg of er niet meer was. „Neen,” zeide zijne moeder, „dit is al wat wij hebben.” „Dit is slechts tandtergen, ik moet meer hebben.” Toen kookte zij een varken, dat zij, toen het gaar was, op tafel bracht. „Nu dat is nog een mondje vol,” zeide de jonge reus en at het ook op, zonder hierdoor nogtans verzadigd te zijn. Nu zeide hij: „vader, ik zie wel dat ik bij u niet genoeg krijg; wilt gij mij eene ijzeren staaf geven, die zoo sterk is dat ik hem niet breken kan, dan zal ik weg gaan.”
Toen was zijn vader blijde en spande twee paarden voor den wagen, ging naar de stad en haalde eene staaf, zoo groot en zwaar als de paarden slechts trekken konden; doch de jongen nam hem voor de knie [ 61 ] en, „rits” hij brak haar als een zwavelstok doormidden. Toen spande de vader vier paarden voor den wagen, en haalde eene staaf, zoo groot en dik als de vier paarden trekken konden; doch die nam hij ook en brak haar doormidden, zeggende: „vader, die is ook niet goed, gij moet eene sterkere halen.” Toen spande de vader acht paarden in, en haalde eene staaf zoo groot en zwaar als deze acht, paarden trekken konden; doch de zoon brak er van boven een stukje af en zeide:
„vader, ik zie wel dat gij mij toch geen wandelstok verschaffen kunt die sterk genoeg is; ik zal maar heengaan.”

Toen gaf hij zich voor een smidsknecht uit en kwam in een dorp, waar een smid woonde die een vrek was en aan niemand iets gunde; aan dezen vroeg hij, of hij geen knecht kon gebruiken. „Ja,” zeide de smid, beschouwde hem van het hoofd tot de voeten en dacht: „deze is een frissche kerel; die zal goed kunnen slaan en mij van nut wezen.” „Hoeveel loon wilt gij hebben?” „Ik wil in het geheel geen loon hebben”, zeide hij, „maar alle weken, als de andere knechts hun loon krijgen, moet ik u twee schoppen geven.” Hiermede was de vrek tevreden; hij dacht op deze wijze veel geld uit te winnen. Den volgenden morgen, toen de baas het ijzer bracht om gesmeed te worden, moest onze nieuweling den eersten slag doen. Dat deed hij echter zoo hard, dat het ijzer aan stukken en het aanbeeld door de wereld heenvloog, zoodat de baas het nimmer terug te zien kreeg. Toen werd de vrek kwaad en zeide: „ei wat, ik kan u niet gebruiken; wat moet gij voor dien éénen slag hebben?” Hij antwoordde:

[ 62 ] ”ik zal er u maar een zachten schop voor geven, en anders niet.” Meteen lichtte hij zijnen voet op en gaf den baas een schop, dat hij over zes hooibergen heenvloog. Toen nam hij de dikste staaf ijzer uit de smederij voor een wandelstok, en ging heen.

Eenigen tijd voortgegaan zijnde kwam hij aan een dorp en vroeg aan een boscheigenaar of hij geenen knecht noodig had. „Ja,” zeide de man, „ik kan er wel een gebruiken; hoeveel loon wilt. gij jaarlijks hebben?” Toen antwoordde hij, dat hij geen loon hebben wilde, maar dat hij hem alle jaren drie schoppen wilde geven. Hiermede was de boscheigenaar tevreden, want hij was ook een vrek. Den volgenden morgen, toen de knechts in het bosch zouden gaan om hout te halen, waren de anderen reeds lang vóór hem opgestaan. ”Een hunner ging hem roepen met de woorden: „sta op, het is laat, wij moeten naar het bosch en gij moet mede.” „Och,” zeide de jonge reus knorrig, „ga maar heen, ik kom toch vroeger terug dan een van u allen.” Toen gingen zij naar den baas en vertelden hem dat de nieuwe knecht nog in bed lag, en niet mede naar het bosch wilde gaan. De baas zeide dat zij hem nog eens roepen moesten, met bevel om de paarden in te spannen; maar hij hernam tot hen: „gaat maar heen, ik kom toch vroeger terug dan gij met elkander.”
Hierna bleef hij nog twee uren op zijn bed liggen, stond eindelijk op, haalde twee schepels boonen van den zolder, kookte deze en at ze op; en toen dit gedaan was, ging hij naar den stal, spande de paarden in en reed naar het bosch.

[ 63 ] Aan den ingang van het bosch was eene laan, welke hij doorgaan moest. Daar gekomen bracht hij den wagen eerst in het bosch en ging toen weder naar den ingang terug, dien hij met boomen en struiken versperde, zoodat er geen paard door kon. Toen hij nu in het bosch was, gingen de anderen reeds naar huis terug, maar hij zeide: „gaat maar heen, ik kom toch vroeger te huis dan gij”, trok een paar hoornen uit den grond, legde deze op zijn wagen en keerde om. Voor de laan gekomen, zag hij de anderen daar nog staan; zij konden er niet uit komen. „Ziet gij wel”, riep hij hun toe, „indien gij met mij waart gegaan, zoudt gij nog een paar uren hebben kunnen slapen”. Hij spande zijne paarden uit, legde ze boven op den wagen en trok zoo alles met elkander over de boomen en struiken heen. Toen hij er over was, zeide hij tot de anderen: „ziet gij wel, dat ik vroeger te huis kom dan gij,” en ging naar huis; maar toen hij in den stal kwam, nam hij den grootsten boom in de hand en zeide tot den baas: „is dit niet een goed telhout?” Toen sprak de boscheigenaar tot zijne vrouw: „die knecht is goed, want al slaapt hij lang, hij is toch vroeger terug dan de anderen.”

Alzoo diende hij den boscheigenaar een jaar; toen dit om was en de andere knechts hun loon ontvingen, zeide hij, dat het nu ook tijd was om hem zijn loon te geven. De baas werd bang dat hij de schoppen nu zoude ontvangen, en verzocht hem vriendelijk, daarvan te mogen verschoond blijven; liever wilde hij zelf knecht zijn en hem in zijne plaats eigenaar van het [ 64 ] bosch laten worden. „Neen!” hernam hij, „ik ben knecht en wil het blijven, maar ik wil betaald hebben wat bedongen is.”

De andere wilde hem geven wat hij slechts begeerde, maar dit hielp niets; de knecht zeide altijd neen. Toen wist de baas geen raad: hij vroeg hem om veertien dagen uitstel, in dezen tijd zouqe hij wat bedenken. Het uitstel toegestaan en de tijd verstreken zijnde riep hij zijne buren, en vroeg hun om raad; nadat dezen zich lang bedacht hadden, zeiden zij, dat men dien knecht vermoorden moest. Daar de boscheigenaar hierin bewilligde, brachten zij verscheidene molenstenen aan den rand van eenen put, gaven aan den knecht last orn den put schoon te maken, en toen hij er in was, wierpen zij de molensteenen in den put, dat het water er uitspatte. Zij dachten nu zeker dat hij dood was, maar hij riep: „jaag die kippen toch weg; zij krabben al het zand in mijne oogen, zoodat ik niets kan zien.” Toen riep de baas: „Ksch ! Ksch !” even alsof hij de kippen wegjoeg. Eenige oogenblikken daarna klom onze reus naar boven en zeide: „kijk, wat heb ik een aardigen halsband om” — dit waren de molensteenen die hij om zijnen hals had. Toen zijn baas dit zag, werd hij weder bang, want de knecht wilde hem nu zijn loon geven, maar hij vroeg andermaal om veertien dagen uitstel. Nu raadden hem zijne vrienden, den knecht naar den betooverden molen te zenden, en hem aldaar des nachts te laten malen; want zij verzekerden dat hier nog geen mensch levend uit gekomen was. Dit was den boscheigenaar naar den zin en hij belastte [ 65 ] den reus, om nog dienzelfden avond acht schepels rogge naar dezen molen te brengen en te malen. De knecht ging nu naar den zolder, nam twee schepels in zijn rechterzak, twee in den linker, en vier in een zak op zijn rug, en ging zoo naar den molen. De molenaar zeide tot hem, dat hij bij den dag zeer goed kon malen, maar niet bij den nacht, want dan was de molen betooverd, en die dan nog malen wilde, was des morgens dood gevonden. Doch hij antwoordde: „dat zal ik eens beproeven; ga maar heen en maak dat gij naar bed komt.” Hierop ging hij in den molen en begon te malen, en toen het elf uur geslagen had, ging hij in de kamer van den molenaar zitten. Slechts kort had hij er gezeten toen opeens eene groote tafel de deur inkwam, en onmiddelijk daarna wijn, gebraad en andere lekkere spijzen werden opgedischt, zonder dat iemand gewaar werd wie het er op bracht. Vervolgens kwamen de stoelen van zelve bij de tafel; hij zag echter geene menschen, maar wel vingers, die braaf met de lepels en vorken rond schermutselden. Daar hij nu juist honger had, plaatste hij zich aan tafel en at mede; maar zoodra hij gedaan had en de andere borden ook ledig waren, hoorde hij duidelijk de kaarsen uitblazen, en toen het donker was, kreeg hij een oorveeg die niet voor de poes was. „Als dat nog eens gebeurt”, zeide hij, „begin ik ook,” en toen hij er nu nog een kreeg, begon hij, zoo hard hij kon, mede te slaan. Dit duurde den geheelen nacht door, doch hij liet niet na om klappen uit te deelen tot aan den volgenden morgen, Toen de molenaar nu opgestaan was, verwonderde hij [ 66 ] zich ten hoogste, dat de reus nog in leven was. Deze verhaalde : „ik heb slaag gehad, maar wederkeerig ook klappen uitgedeeld, en lekker mede gegeten.” De molenaar was, toen hij dit hoorde, bovenmate verheugd, want thans was de molen onttooverd. De molenaar wilde hem veel geld geven, maar hij sprak: „ik wil geen geld hebben, want ik heb genoeg voor mij,” nam het meel op zijn rug, ging naar huis en zeide aan zijnen baas, dat hij het werk volbracht had en thans zijn loon begeerde. Toen de baas dit hoorde, werd hij weder bang, zoodat het klamme zweet hem uitbrak; hij maakte een venster open om een weinig lucht te scheppen, doch eer hij er om dacht, had de knecht hem een schop gegeven, dat hij door het raam vloog, zoo hoog dat niemand hem meer kon zien. Toen zeide hij tot de vrouw, dat zij nu den anderen schop nemen moest; maar zij antwoordde: „neen, ik kan het niet uithouden,” maakte ook een venster open om lucht te scheppen, en kreeg op hetzelfde oogenblik een schop, dat zij ook het raam uitvloog, en wel nog veel hooger dan haar man. Uit de verte riep de man tot haar: „kom toch bij mij!” doch zij riep: „kom bij mij, ik kan niet bij u komen;” en zij vlogen beiden door de lucht, zonder dat zij bij elkander konden komen, en of zij daar nog vliegen weet ik niet, maar de reus nam zijn ijzeren stok en ging verder.