Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans/8

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
7 Sprookjes uit de nalatenschap van Moeder de Gans van Gebroeders Grimm

8. Het aardmannetje

9

[ 43 ] Er is eens een rijk koning geweest, die drie dochters had. Deze prinsessen gingen alle dagen in den tuin wandelen. Nu was de koning een groot liefhebber van vreemde boomen ; één boom had hij zoo lief, dat hij dengene die er een appel van plukte, honderdduizend voet onder de aarde verwenschte. Toen het nu herfst geworden was, werden de appelen zoo rood als bloed. De drie dochters gingen alle dagen kijken of er geen afgewaaid was, maar zij vonden er nooit een, en de boom zat zoo vol, zoo vol, dat de takken tot op den grond hingen. De jongste kreeg lust om er een van te snoepen en zeide tot hare zusters : „vader heeft ons veel te lief, dan dat hij ons zoude verwenschen; ik geloof dat hij dat maar voor de vreemden meent.” Ondertusschen plukte zij een grooten appel, ging bij hare zusters en zeide: „Toe lieve zusters, proeft toch eens, nog nooit heb ik iets geproefd dat zoo lekker was.” Toen proefden hare zusters van den appel, en [ 44 ] toen verzonken zij alle drie zoo diep, zoo diep onder den grond, dat er geen haan meer naar kraaide.

Des middags wilde de koning haar gaan roepen om te eten, maar zij waren niet te hooren of te zien, en nergens kon hij ze vinden. Toen werd hij zoo bedroefd als hij ooit geweest was en liet door het geheele land bekend maken, dat degene die hem zijne dochters terugbracht, eene van haar tot vrouw zou hebben. Meest alle jongelingen gingen zoeken; want iedereen wilde gaarne eene der dochters hebben, omdat zij zoo schoon, en jegens elk zoo vriendelijk waren. Ondertuschen waren er ook drie jagers op uit, gegaan, en toen zij wel een dag of acht gereisd hadden, kwamen zij aan een groot kasteel, waarin vele groote kamers waren; in eene der kamers stond een gedekte tafel met kostelijke spijzen, nog zoo warm dat zij dampten; maar in het kasteel was anders geen mensch te hooren of te zien. Toen wachtten zij nog een halven dag, en het eten bleef altijd warin; op het laatst kregen zij honger, zoodat zij zich aan tafel zetten en aten, en met elkander overlegden om in hei ka teel te blij ven wonen. Toen werd geloot wie te huis zoude blijven; de twee overigen zouden de koningsdochter gaan zoeken; het lot trof den oudste.

Den volgenden morgen gingen de twee jongsten op reis, terwijl de oudste moest thuis blijven. De middags kwam een klein mannetje bij hem en vroeg om een stukje brood; hij nam het brood, dat hij daar gevonden had, sneed er een stukje af en wilde het hem geven, maar bij het overreiken liet het mannetje het

De jager kijkt in de put

[ 45 ] brood vallen en zeide: „wees zoo goed en raap het voor mij op.” Toen hij dit doen wilde en bukte, nam het mannetje een stok, pakte hem bij den kraag en gaf hem een klap. Den volgenden dag was het de beurt van den tweede om te huis te blijven; dezen ging het niets beter. Toen de twee des avonds thuis kwamen, zeide de oudste: „nu, hoe is het u gegaan?” - „O, het is mij slecht gegaan!” Toen klaagden zij hunnen nood aan elkander, maar zij zeiden hiervan niets aan den jongste, want zij mochten hem in het geheel niet lijden en noemden hem altijd domme hans, omdat hij niet hoovaardig was. Des anderen daags bleef de jongste te huis; toen kwam het kleine mannetje wederom en vroeg om een stukje brood, en zoodra hij het ontvangen had, liet bij het weder vallen en vroeg of de ander zoo goed wilde zijn om het voor hem op te rapen. Doch de jongste broeder antwoordde: „wat! kunt gij dat stukje niet zelf oprapen? Als het dagelijksch brood u geene moeite waardig is, zijt gij ook niet waardig, dat gij het eet.” Toen werd het mannetje kwaad en gelastte den jager het op te rapen; maar deze niet lui nam het mannetje en roste hem wakker af; het mannetje begon erbarmelijk te schreeuwen en riep: „houd op, houd op en laat mij los, dan zal ik u ook zeggen waar de koningsdochter is.” Zoodra de jager dit hoorde hield hij op met slaan, en toen vertelde het mannetje hem, dat hij een aardmannetje was, en dat er zoo meer dan duizend waren; als de jager medeging, zou hij hem wijzen waar de koningsdochter was. Toen wees hij hem eenen diepen put, waarin [ 46 ] water was, en zeide, dat hij wel wist, dat zijne broeders het niet goed met hem meenden; als hij de koningsdochter verlossen wilde, moest hij het alleen doen, want de twee andere broeders wilden ook wel gaarne de dochter hebben, maar zij wilden er geene moeite om doen. Hij moest eene groote mand nemen en met zijn zwaard en eene schel zich naar beneden laten hijschen, dan zoude hij beneden drie kamers zien, en in iedere kamer eene koningsdochter met een draak met zeven hoofden op haren schoot; die draken moest hij de hoofden afslaan. Nadat het aardmannetje dit gezegd had, verdween het. Bij den avond kwamen de anderen en vroegen, hoe het hem gegaan was ; toen zeide hij: „o tot dusverre goed,” en verhaalde hun verder zijn voorval en handelwijze, waarna het mannetje hem gezegd had, waar de koningsdochter was. Toen hadden de oudsten zulk een spijt, dat zij geel en groen werden.

Den volgenden morgen gingen zij samen naar den put, en toen zij geloot hadden wie het eerst in de mand zoude gaan, viel het lot wederom op den oudste; toen deze er in zat en de schel medenam, zeide hij : „als ik schel, moet gij mij terstond naar boven halen.” Hij was nauwelijks een weinig beneden geweest, of hij schelde reeds en werd naar boven getrokken. Terstond ging de tweede er in zitten, doch die maakte het ook zoo; nu werd het de beurt van den jongste, doch deze liet zich geheelenal naar beneden zakken. Uit de mand geklommen nam hij zijn zwaard en ging voor de eerste deur staan luisteren; hij hoorde dat de draak snorkte, maakte hierop stil de [ 47 ] deur open, en zag de koningsdochter zitten met zeven koppen op haren schoot. Hij nam zijn zwaard en hakte de zeven drakenkoppen ineens af. De koningsdochter sprong op, viel hem om den hals en kuste hem ; ook nam zij haar borststuk, dat van louter goud was, en hing het om zijnen hals. Daarna ging hij naar de tweede koningsdochter en bevrijdde deze ook van een draak met vijf hoofden, dien zij op haren schoot had; en toen naar de jongste, die een drank met drie hoofden had, van welken hij haar mede bevrijdde. De prinsessen dankten hem vurig.

Nu schelde hij zoo hard, dat zij het boven hoorden, en zette de koningsdochters, de eene na de andere, in de mand en liet haar naar boven trekken. Toen de mand weder beneden was en hij er in zoude gaan, schoten hem de woorden van het aardmannetje weder te binnen, dat zijne broeders het niet goed met hem meenden ; daarom nam hij een grooten steen die daar lag en legde dien in de mand. Nauwelijks was de mand bijna halverweg, of de valsche broeders sneden het door, zoodat de mand en de steen op den grond vielen. Denkende, dat hun jongste broeder nu wel dood zoude zijn, namen zij de prinsessen mede en zeiden, dat zij beiden haar verlost hadden, en dat zij de koningsdochters nu ook tot vrouwen begeerden. Ondertuschen ging de jongste jager geheel bedroefd de kamers rond, denkende dat hij nu wel sterven moest. Maar eensklaps zag hij aan den muur eene fluit hangen, en zeide: „waarom mag die fluit daar toch wel hangen? Hier kan immers geen mensch vroolijk zijn!” Hij be[ 48 ] keek ook de drakenkoppen nader, en zeide: „gij kunt mij nu ook niet helpen.” Hij liep zoo dikwijls de kamer op neêr, totdat de vloer versleten was; ten laatste kreeg hij andere gedachten, nam de fluit van den muur en blies een deuntje; eensklaps kwamen er verscheidene aardmannetjes, en bij elken toon kwam er een meer; hij blies totdat de kamer gepropt vol was.

Nu vroegen zij hem wat er van zijne begeerte was. Hij antwoordde, dat hij gaarne weder op de aarde het daglicht weder wilde zien. Daarop vatten zij hem aan en trokken hem naar boven. Boven gekomen ging hij naar het kasteel des konings, waar juist de bruiloft met de eene dochter gevierd zoude worden; terstond liep hij naar de kamer bij den koning en zijne drie dochters. Toen de prinsessen hem zagen, vielen zij in zwijm, waarop de koning dacht dat hij haar kwaad gedaan had en hem dadelijk in de gevangenis liet zetten, doch zoodra de koningsdochters weder bijgekomen waren, smeekten zij zoolang, totdat hij weder los gelaten werd. De koning vroeg zijne dochters, waarom zij hem zoo gaarne weder vrij zagen, waarop zij zeiden, dat zij dat niet vertellen durfden. Haar vader verzocht, dat zij het dan maar aan den kachel zouden vertellen, die in de kamer stond. Toen ging hij buiten de deur staan luisteren, en hoorde alles; dit maakte, dat hij de twee oudste broeders deed ter dood brengen, maar aan den jongsten gaf hij zijne jongste dochter ten huwelijk.