Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Vijftiende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Veertiende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Vijftiende brief

Zestiende brief


[ 88 ]

Vijftiende Brief.

 Lieve Vriend!

Toen ik Heeswijk verliet, rigtede ik mijne treden naar Osch. – Ik wandelde herwaards over Heesch, waar de tour-karren van 's Bosch naar Grave verwisselen; vervolgends over Nistelrode en Berchem. Deeze drie Dorpen hebben niets bijzonders. – Osch, waar ik mij thands bevind, is daar en tegen een schoon Dorp, het is de Hoofdplaats van Maasland. Eene voortreflijke en nette Kerk, voorzien van een Orgel en een' hoogen spitzen tooren, siert deeze Plaats niet weinig, ook pronkt dit Dorp met een Raadhuis, waarönder de Boter-Waag is. Weeklijks houd men hier eene Markt, die taamlijk Volkrijk is. – Osch zou in voorige tijden eene versterkte Stad geweest zijn; men ziet hier nog de overblijfsels van twee Poorten; de ééne, welke 'er nog voor het grootst gedeelte staat, is thands in een Pakhuis veränderd, en de andere is met een Kasteeltjen, dat daar digt bij stond, veréénigd, en tot eene zeer fraaië Heeren-Huizing gemaakt, in welk Huis men echter den Boog deezer Poort nog zeer duidlijk zien kan; verder wierd mij verhaald, dat men in oude schriften nog leest van de Stad Osch, ook word deezen Titel zelfs tegenwoordig nog veel gebruikt. [ 89 ] Osch heeft in voorige oorlogen zeer veel geleden. In 1498. wierd dit Dorp door den Hertog Karel van Gelder geheel afgebrand, in het vervolg is het meer dan eens door de Gelderschen uitgeplunderd en in brand gestoken; thands is het nog al vrij welvaarend. De voornaamste middelen van bestaan zijn hier de Landbouw en Veeteelt, ook woonen hier eenige Koop- en Ambachtslieden.

[In het gehucht Schadewijk, bij verkorting Schaik, ligt eene vervallen Kapel, die aan St. Antonius gewijd is]. Schadewijk zou zijnen naam ontvangen hebben ten tijde van de oude Romeinen, welke van de oude Batavieren en Inwooners deezer landstreek, eene neêrlaag ontvangen hebbende, herwaards de wijk namen, om alle verdere schade te voorkomen, en hun geleden verlies te herstellen. Ik geef U dit over zonder eenige winst, even zoo als ik het ontvangen heb, want veel geloof slaa ik aan dit verhaal niet.

[Schoon de Inwooners van Maasland gezegd worden minder slordig, meer geschikt en minder dweepziek dan andere Majorijënaars te weezen,] zoo is men hier te Osch echter bezig, om den Hervormden de Kerk te ontneemen, want Geuzen moogen geene groote, heilige en gewijde Kerk langer in bezit houden, dit zou de godlooste Heiligschennis van de gansche wijde waereld zijn, en men zou zich aan eene onvergeeflijke zonde schuldig maaken, als men dit langer dulde. Dat in dit gedeelte der Majorij zoo wel het [ 90 ] bijgeloof op den throon zit, als in andere streeken van dit Land, blijkt ook uit het volgende: [Op een Heuveltjen in de Heide tusschen Osch en Nistelrode, langs den weg staat een Eikenboom, aan welks voet men een gat ziet, dat slechts weinige voeten breed en diep is, en waarïn nu en dan eenig water staat; bij dit gat ligt een Steenhoop, kegelvormig opgehoopt, dit zouden de overblijfsels zijn van eene Kapel, die hier ter eere van St. Willebrordus, den Beschermheilig van Osch, zou gesticht zijn, omdat hij hier met zijnen Bisschoplijken staf eene put of bron geslagen heeft, welks water wonderen verricht, en waarvan dit gat nog een overblijfsel is. Veele Roomschen, vooräl zulken, die de koorts hebben, doen naar deezen Heuvel, welke ook St. Willebrord genoemd word, Bedevaarten, kruipen op hunne knieën, met eenen Roozenkrans in de hand, onder het uitboezemen van Pater-nosters en Ave-Maria's, rondöm dien steenhoop, smijten gewoonlijk eenige Steenen, om denzelven in wezen te houden, op denzelven, drinken van het water uit die wonderbron of wasschen zich met dezelve, en dan gaat de koorts weg als of zij weg gevaagd word.] Schoon deeze put nog nooit iemand van de koorts geneezen heeft, zoo doet echter dezelve wonderen, ten minsten het word zoo verhaald, en een Roomsche mag 'er niet aan twijfelen, of hij was een ongeloovige, een – Ketter.

Ik vernam ook eene bijzondere plegtigheid, bij het begraaven der dooden hier in gebruik. [Als [ 91 ] het Lijk uit het Huis op de Doodsbaar, die voor de deur staat, gedraagen is, knielen de draagers rondöm dezelve neder, prevelen hun Gebed voor de rust van de Ziel des Overledenen, en brengen, onder het Bidden geduurig een glas Jenever aan elkanderen toe, en zuipen, al Biddende, om te scheuren, zoo dat zij zeer dikwijls, dronken en waggelende, het Lijk naar het Graf brengen. Het is te verwonderen, dat zij niet dikwerf met Kist en Dooden ten ondersten boven tuimelen).

De Inwooners van Osch zijn door de geheele Majorij zeer berucht wegens hunne liefhebberij voor het vechten met een Mes, doch zulke vechtpartijën waren hier eertijds meer in zwang dan tegenwoordig, [schoon 'er echter weinige Kermissen en Jaarmarkten voorbij gaan, waaröp niet met het Mes gevochten word.] Ik zag hier verscheidene menschen, die nog de spooren van hun vechten op hun gezigt droegen. [Voor eenige jaaren woonde hier een Man, dien men den Gemeente's Kop noemde, buiten twijfel, omdat zijn hoofd en aangezigt, dat ijslijk doorkorven was, hem niet alleen als den voornaamsten voorvechter kenmerkte, maar ook omdat een ieder het recht, als het ware, had, om denzelven uit te daagen]. Men noemt in de Majorij de leedtekenen, die iemand in zijn gezigt, door het snijden met een Mes (op andere Dorpen word ook wel eens, doch onëindig zeldzaamer, met een Mes gevochten) heeft overgehouden, gewoonlijk: Het Wapen van Osch. Gij ziet dus, dat deeze snijdende [ 92 ] liefhebberij hier in vroegere dagen zeer in gebruik geweest is, anders zou men 'er zeker geen spreekwoord van ontleend hebben. – In de Heide bij Nistelrode liggen ontzaglijk veel Keisteentjens, sommigen echter zijn zeer groot, en weegen eenige honderd ponden. – Men zegt: dat onder dezelve ook diamanten gevonden worden.

Van hier deed ik eenen keer naar Geffen en Nieuwland. – Het eerste Dorp pronkt met eene schoone Kerk en tooren, als mede met een Kasteel. Het laatste bezit ook eene voortreflijke Kerk, zijnde voorzien van eene overheerlijke Grafplaats van de Heeren deezes Dorps; de tooren, die taamlijk hoog is, heeft eenen grooten knop. Dit is al het aanmerkenswaardige, dat ik hier beschouwde; ook zouden deeze beide Dorpen in de rampen des oorlogs in voorige tijden zeer sterk gedeeld hebben.

Op mijne wandeling van Heeswijk herwaards, wierd mij door eenen Man verhaald, dat hij zeer dikwijls, zelfs nog zeer kort geleeden, door de Nacht-merrij wierd bereeden, dus drukte hij zich uit; doch nu wilde hij, omdat zij hem niet in rust wilde laaten, een Mes mede te bed neemen, om haar, als zij weder kwam, dood te steeken. Ik trachtede hem te overreeden, dat alles natuurlijk was; gaf hem eene beschrijving van dezelve, en verzekerde hem, dat, indien hij 's avonds weinig at, niet op zijnen rug ging liggen, of zeer laag met zijn hoofd, en zich met geene beängstigende gedachten bezig hield, hij dan van [ 93 ] dezelve zou bevrijd blijven; doch niets kon hem overtuigen, niets wilde hij gelooven. – Ik voeg hier bij, dat de dwaaze Roomschen de Nacht-merrij voor een Spook houden, doch dat tevens vleesch en beenen bezit. Zij zijn ijslijk benaauwd voor dezelve, en gebruiken, als een zeker behoed-middel, de voorzorg, om hunne schoenen of klompen verkeerd voor het bed te zetten, dan kan dat Spook niet in dezelve stappen, en zoo op het bed klimmen. – Dan immers word de Nacht-merrij lelijk bedroogen. – ô! wat zijn de Roomsche bijgeloovige Majorijënaars toch schrander! – !! Had Gij wel gedacht, dat zij zoo vernuftig waren, om zelfs een Spook zoo lelijk te foppen? – ! – Hoe kan het vernuft het zoo ver brengen? – Dit is verwonderlijk, en....... doch genoeg!

Ik moet hier een tweede Majorijsch Spook bijvoegen. – Zie hier, hoe mij verhaald wierd, en men zweerde bij kris en kras, dat het gewisse waarheid is: Een zeker Jager, dien zij Dirk den Beir noemen (in Duitschland noemt men hem: den Wilden Jager, of: het woedend Heir. Dus heerscht dit bijgeloof niet alleen in de Majorij), wierd om zijne euveldaaden vervloekt en veröordeeld, om 's nachts door de lucht om te zwerven. Hij heeft dan eene tallooze menigte honden, groote en kleine, alle aan malkanderen gekoppeld, bij zich. Hoort Dirk den Beir nu 's avonds of 's nachts iemand zingen of fluiten, of ontmoet hij iemand, dien dwingt hij, om zijne honden vast te houden, terwijl hij dan eens [ 94 ] Op zijn gemak gaat Wandelen en een luchtjen scheppen. Komt hij weder, en heeft men zijne honden los gelaaten, gelijk zulks altijd het geval is (wie kan ook zoo veele honden vast houden), dan breekt hij zulk eenen den hals. – Deeze Dirk de Beir is intusschen niets anders dan vogeltjens, zijnde een soort van Plevieren of Turehuurs, die 's avonds met geheele schoolen door de lucht vliegen, en door hunne vlugt een sterk gedruisch veröorzaaken. Het geluid derzelven gelijkt van verre zeer wel naar het geblaf van kleine hondjens. – Ik heb dit meer dan eens bij heldere avonden gezien en gehoord; ook was ik meer dan eens getuige van den schrik der bij geloovige Roomschen bij het hooren van dit geluid; wat ik hun zeide, alles was vruchtenloos, doch men verwonderde zich tevens ten sterksten, dat ik hier mede durfde spotten, men wilde niet gaarn in mijne plaats weezen, als mij deeze Jager eens alleen ontmoetede, dan zou ik het wel ondervinden. – Ik moest in mijn hart over de ijdele zorg lagchen, doch tevens die domme bijgeloovige dwaasheid beklaagen.

Hiermede zeg ik de Nacht-merrij en Dirk den Beir vaarwel, mij noemende geheel den

Uwen.