Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch/Veertiende brief

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dertiende brief Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch van [[Auteur:|Onbekend]]

Veertiende brief

Vijftiende brief


[ 82 ]

VEERTIENDE BRIEF.

 Beste Vriend!

Van Vegchel zal ik U thands niets anders zeggen, dan dat men aldaar ook hevig aan het woelen is, om de Hervormde Kerk in eigendom en in het bezit der Roomschen te brengen. Dit Dorp verlaatende, wandelde ik naar Dinther. – Onder weg trof ik eenen Priester aan, die met mij denzelfden weg betrad, om, zo als hij mij vervolgends zeide, over Dinther naar 's Bosch te gaan. Hij las, al gaande, in zijn Breviarium of Getijde-boek, en na wij elkanderen gegroet hadden, stak hij het zelve in zijnen zak. Ik vereugde mij, dat ik nu eens met eenen Priester zou kunnen spreeken. – Wij spraken eerst, gelijk zulks gewoonlijk gaat, over het mooië weder en lange dagen; eindelijk wierd onze samenspraak belangrijker, en ons gesprek viel op de Kerken.

Priester. Ik kan noch zal het immer goedkeuren, dat de onzen den Hervormden de Kerken ontneemen. – Wij hebben overäl zeer goede Kerken, betere zelfs dan die van andere Gezindten.

Ik. Dit laatste is zoo! maar – zouden de Priesters 'er niet onder schuilen, en het Volk ophitzen, om de groote Kerken te begeeren. Mij [ 83 ] dunkt ten minsten, dat zij veel zouden kunnen uitvoeren, om hunne Gemeentens hierömtrent neder te zetten.

Priester. Op veele Dorpen hebben de Priesters minder te zeggen, dan Gij denkt. – Het is waar, dat 'er eenigen zijn, die hier zeer sterk zich mede bemoeid hebben, als bij voorbeeld: die van Deurne, Best, Woensel en Tongelre; doch ver de meesten veröordeelen zeer sterk het gedrag onzer Geloofsgenooten, maar zij kunnen alles niet dwingen. Wij hebben nu, sedert weinige jaaren, zoo veel invloed niet meer op onze Gemeentens, dan gij wel denkt.

Ik. Dit laatste kan zeer wel waarheid weezen: doch ik geloof, en men zegt het ook: dat veele Priesters in stilte het Volk opruiën, wijl zij het wel gaarne zoo zagen, doch zichzelven anders, om bijzondere redenen, schuil houden.

Priester. Ik spreek dit niet tegen, wat eenige weinigen betreft, doch omtrent allen gaat dit niet door. Ik kan U op mijn Priesterlijk woord verzekeren, dat 'er veelen met mij geene heiligheid in eene groote Kerk stellen. – Ik hou mij aan het gezegde der H. Schrift in het Euängelie van St. JAN: dat God overäl in Geest en waarheid kan gediend worden.

Ik. Wenschlijk ware het, dat alle Roomschen – dat alle Priesters zoo dachten!.... en....

Priester. Even zoo wenschlijk, dat die Wet omtrent de Kerken ware achter gebleeven; nimmer zou 'er dan zoo veel haat en verbittering in de Majorij plaats gegreepen hebben, als [ 84 ] tegenwoordig. – Dit moest men maar op den ouden voet hebben gelaaten, dan had alles stil geweest en gebleeven.

Ik. Zoo is het zekerlijk!

Priester. Ja, gewis – ! doch ik durf niet meer te zeggen. – Ik bemin alle menschen als mijne broeders, en het doet mij leed, als men iemand vervolgt, want ik moet mijnen naasten liefhebben, en dit zijn toch alle menschen, als mij zelven.

Ik. Braave Pastoor! ô – dachten zoo alle uwe geloofsgenooten! – dan zou 'er meer liefde onder de menschen woonen – maar deeze wensch is helaas vruchtenloos.

Nu kwamen wij te Dinther. Hier nam ik afscheid van dien braaven Priester; gaf hem broederlijk de hand, en herhaalde nogmaals bij mij zelven den stillen wensch: O! waren toch zoo alle Priesters!! – Ik vraagde hem niet, waar hij thuis hoorde, want ik haat alle nieuwsgierige vraagen, die ons geen nut altoos aanbrengen niet te min deelde hij even veel in mijne achting, als dat ik geweeten had, waar hij zijne wooning had.

Nu iets van Dinther. Dit Dorp, aan de Aa liggende, is niet schoon, echter ziet men 'er eene ruime luchtige Kerk met eenen taamlijk hoogen tooren, voorzien van eenen grooten knop. Ik zag hier ook een oud Kasteel Avestein genoemd. – In deeze plaats wierd Edmundus Dintherus gebooren; hij was in zijn leven Geheim-Schrijver van vier Hertogen van Braband, [ 85 ] naamlijk: Antonius, Johan IV., Philip deszelfs broeder en Philip, bijgenoemd: de Goede. Hij schreef eene Chronijk van Braband. – Ik had hier een aartig gevalletjen met eenen kleinen Jongen, het geen mijne goedkeuring wegdroeg: Ik moest door een Hekken; een Jongen deed hetzelve open; ik vraagde hem: of hij zulks voor mij deede? en hij gaf onbewimpeld ten antwoord: "Neen! – maar om eenen duit te krijgen. – Als ik wist, dat gij mij geenen duit zoudt geeven, dan deed ik ook het Hekken niet voor U open." Deeze openhartigheid (ik haat het veinzen, zelfs in Kinderen) beviel mij, en ik gaf dien kleinen knaap meer, dan hij anders van mij zou gekreegen hebben.

Van Dinther wandelde ik naar Heeswijk; hier bleef ik een dag twee drie over. Aan de Rivier de Aa, een eind wegs van het Dorp, ligt het Kasteel van den Heer; het is een oud schoon gebouw, zoo als het mij voorkwam, van de Gothische bouwörde, het is zeer aangenaam gelegen, en vertoont zich, wegens zijne hoogte, ontzaglijk ver. Dit Dorp prijkt met eene fraaië luchtige Kerk en eenen spitzen tooren.

Wijl mij nog ruimte genoeg in deezen brief overschiet, zoo wil ik U hier eenige bijgeloovigheden, welke men ook al in de Majorij onder de Roomschen uitöeffent, schetzen.

De eerste betreft de Kraamvrouwen. – Als eene Vrouw in Baarens-nood zit, en de verlossing niet schielijk genoeg, volgends de meening der bijzijnde Vrouwen, volgt, dan belooft men [ 86 ] eenige Brooden aan de Armen, dit bevoordert onfeilbaar, maar hunne gedachten, eene spoedige bevalling, en volgt dezelve schielijk, dan schrijft men dit toe aan die belofte, welke dan ook gewis vervuld word. – Eene Vrouw bevallen zijnde, mag niet op haare linke zijde gaan liggen, dit is zeer kwaad; ook mag zij voor den negenden dag haare hairen niet kammen, dit is doodlijk, doch vraagt men hen, waaröm deeze twee zaaken zoo nadeelig zijn, dan is het antwoord: "Dat weeten wij niet, maar het is evenwel zeer kwaad!" – Wanneer eene Vrouw haar Kind speent, of wanneer hetzelve sterft, en haar zog niet schielijk genoeg wil opdroogen, dan moet zij het zog, dat uit de borsten loopt, in eenen kuil, welken zij zelve gedolven heeft, gieten, en zulks geduurig herhaalen, dan droogt het zog in de borsten op, even gelijk hetzelve in dien kuil verdroogt. – Wat dunkt U van alle die dwaaze bijgeloovigheden? – Moet Gij U niet verwonderen over de dwaasheid der Majorijënaars? – Wanneer zal die tijd gebooren worden, dat zij gezond menschen-verstand zullen krijgen? – Misschien..... Nimmer!

Nu nog eenen tweeden bijgeloovigen zet, en dan sluit ik deezen brief. – Zeer zelden zal een Roomsche in dit Land zijne Kinderen naar levenden laaten noemen. Men verkeert in dien zotten en ongerijmden waan, dat een levendige, wiens naam men aan een Kind geeft, schielijk sterven zal. Van dit bijgeloof zijn zij niet te [ 87 ] rug te brengen, schoon zij zien, dat de Hervormden, die zich hier niet aan stooren, evenwel blijven voordleeven; doch de Doop der Hervormden is ook een Kettersche Doop, en dus nog minder of erger dan geen Doop, en derhalven kan men van dezelve geen gevolg tot de Roomschen afleiden, op deeze wijze denken zij over den Doop der Protestanten. Had dit geval altijd zijne zekerheid, en ging het altijd door, hoe gemaklijk kon men dan iemand, dien men gaarne kwijt was, naar de andere waereld helpen. – Men zou immers zeggen, mijn Vriend! dat de Roomschen zelfs de ongegrondheid van dit gevoelen zouden doorzien, want het Doopsel, dus spreeken zij, neemt alle Zonden weg, en zuivert alle smetten der Ziel; en tevens zou hetzelve iemand dooden, dan zou het te gelijk goed en kwaad doen. – Welke domme tegenstrijdigheid!! – Dan – wat kan het dwaaze bijgeloof den menschen al niet diets maaken? – !....

Nu eindig ik deeze letteren, om bij de eerste gelegenheid weder de pen op te neemen, en U dan meer te schrijven. – Denk, terwijl Gij deezen leest, eens aan uwen bestendigen, onveränderlijken en getrouwen

Vriend.