Verdrag van Lissabon/Deel III/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Protocol (nr. 3) betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie DEEL III - PROTOCOLLEN van Europese Unie

Protocol (nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank

Protocol (nr. 5) betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank


PROTOCOL (Nr. 4) BETREFFENDE DE STATUTEN VAN HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN EN VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK[bewerken]

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
GELEID DOOR DE WENS de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 129, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vast te stellen,
HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, welke aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden gehecht:

HOOFDSTUK I HET EUROPEES STELSEL VAN CENTRALE BANKEN[bewerken]

Artikel 1 Het Europees Stelsel van centrale banken
Overeenkomstig artikel 282, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vormen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB). De ECB en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, vormen het Eurostelsel.
Het ESCB en de ECB voeren hun taken en werkzaamheden uit overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en deze statuten.

HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN TAKEN VAN HET ESCB[bewerken]

Artikel 2 Doelstellingen
Overeenkomstig artikel 127, lid 1, en artikel 282, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het hoofddoel van het ESCB het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie. Het ESCB handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 119 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 3 Taken
3.1. Overeenkomstig artikel 127, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn de via het ESCB uit te voeren fundamentele taken:

  • het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Unie;
  • het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met de bepalingen van artikel 219 van genoemd Verdrag;
  • het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten;
  • het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.

3.2. Overeenkomstig artikel 127, lid 3, van dat Verdrag laat het bepaalde in het derde streepje van artikel 3.1 het aanhouden en beheren van werksaldi in buitenlandse valuta's door de regeringen van de lidstaten onverlet.

3.3. Overeenkomstig artikel 127, lid 5, van dat Verdrag draagt het ESCB bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

Artikel 4 Adviesfuncties
Overeenkomstig artikel 127, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie:

a) wordt de ECB geraadpleegd

  • over elk voorstel voor een besluit van de Unie op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen;
  • door de nationale autoriteiten over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad volgens de procedure van artikel 41 vaststelt;

b) kan de ECB advies uitbrengen aan de instellingen, organen of instanties van de Unie of nationale autoriteiten omtrent aangelegenheden op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen.

Artikel 5 Het verzamelen van statistische gegevens
5.1. Teneinde de taken van het ESCB te kunnen vervullen, verzamelt de ECB, bijgestaan door de nationale centrale banken, de benodigde statistische gegevens, hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten hetzij rechtstreeks bij de economische subjecten. Hiertoe werkt zij samen met de instellingen, organen of instanties van de Unie en met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of van derde landen en met internationale organisaties.

5.2. De nationale centrale banken voeren, voor zover mogelijk, de in artikel 5.1 omschreven taken uit.

5.3. De ECB draagt waar nodig bij tot de harmonisatie van de regels en werkwijzen voor het verzamelen, opmaken en verspreiden van statistieken betreffende de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen.

5.4. De Raad bepaalt volgens de procedure van artikel 41 welke natuurlijke en rechtspersonen onderworpen zijn aan rapportageverplichtingen, hoe de geheimhoudingsplicht wordt geregeld, en hoe wordt voorzien in passende handhavingsbepalingen.

Artikel 6 Internationale samenwerking
6.1. Op het terrein van de internationale samenwerking met betrekking tot de aan het ESCB opgedragen taken besluit de ECB hoe het ESCB wordt vertegenwoordigd.

6.2. De ECB en, met haar toestemming, de nationale centrale banken kunnen deelnemen in internationale monetaire instellingen.

6.3. Artikel 6.1 en artikel 6.2 laten artikel 138 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onverlet.

HOOFDSTUK III ORGANISATIE VAN HET ESCB[bewerken]

Artikel 7 Onafhankelijkheid
Overeenkomstig artikel 130 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het aan de ECB noch aan een nationale centrale bank, noch aan enig lid van hun besluitvormende organen toegestaan bij de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij het Verdrag en deze statuten aan hen zijn opgedragen, instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden van instellingen, organen of instanties van de Unie, van regeringen van lidstaten of van enig ander orgaan. De instellingen, organen of instanties van de Unie alsmede de regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de ECB of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden.

Artikel 8 Algemene grondslag
Het ESCB wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de ECB.

Artikel 9 De Europese Centrale Bank
9.1. De ECB, die overeenkomstig artikel 282, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie rechtspersoonlijkheid bezit, heeft in elk van de lidstaten de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de wetgeving van de betrokken lidstaat aan rechtspersonen wordt toegekend;
zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

9.2. De ECB heeft tot taak erop toe te zien dat de bij artikel 127, leden 2, 3 en 5, van dat Verdrag aan het ESCB opgedragen taken worden uitgevoerd, hetzij door eigen werkzaamheden overeenkomstig deze statuten hetzij via de nationale centrale banken overeenkomstig artikel 12.1 en artikel 14.

9.3. Overeenkomstig artikel 129, lid 3, van dat Verdrag zijn de besluitvormende organen van de ECB de Raad van bestuur en de directie.

Artikel 10 De Raad van bestuur
10.1. Overeenkomstig artikel 283, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bestaat de Raad van bestuur uit de leden van de directie en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben.

10.2. Ieder lid van de Raad van bestuur heeft één stem. Met ingang van de datum waarop het aantal leden van de Raad van bestuur meer dan 21 bedraagt, heeft ieder lid van de directie één stem.
Het aantal presidenten met stemrecht bedraagt dan 15. De toewijzing en roulatie van deze stemrechten geschiedt als volgt:

  • Met ingang van de datum waarop het aantal presidenten meer dan 15 en minder dan 22 bedraagt, worden de presidenten bij twee groepen ingedeeld volgens de rangorde van de omvang van het aandeel van de lidstaat van de NCB in kwestie in het geaggregeerde bruto binnenlands product tegen marktprijzen en in de totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen van de lidstaten die de euro als munt hebben. Het aandeel in het bruto binnenlands product tegen marktprijzen en in de totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen krijgt een gewicht van respectievelijk 5/6 en 1/6. De eerste groep bestaat uit vijf presidenten en de tweede groep uit de overige presidenten. De frequentie van de stemrechten van de bij de eerste groep ingedeelde presidenten zal niet lager zijn dan voor de presidenten van de tweede groep. Onder voorbehoud van het in de vorige zin bepaalde, krijgt de eerste groep vier stemrechten toegewezen en de tweede groep elf stemrechten.
  • Met ingang van de datum waarop het aantal presidenten 22 bedraagt, worden de presidenten volgens een op basis van de voornoemde criteria vastgestelde rangorde bij drie groepen ingedeeld. De eerste groep bestaat uit vijf presidenten en krijgt vier stemrechten toegewezen. De tweede groep bestaat uit de helft van het totale aantal presidenten, waarbij iedere fractie naar boven wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, en krijgt acht stemrechten toegewezen. De derde groep bestaat uit de overige presidenten en krijgt drie stemrechten toegewezen.
  • Binnen elke groep hebben de presidenten even lang stemrechten.
  • Op de berekening van het aandeel in het geaggregeerde bruto binnenlands product tegen marktprijzen is artikel 29.2 van toepassing. De totale geaggregeerde balans van de monetaire financiële instellingen wordt overeenkomstig het ten tijde van de berekening in de Unie toepasselijke statistische kader, berekend.
  • Telkens wanneer het geaggregeerde bruto binnenlands product tegen markprijzen overeenkomstig artikel 29.3 wordt aangepast, dan wel telkens wanneer het aantal presidenten toeneemt, wordt overeenkomstig de voornoemde beginselen de omvang en/of de samenstelling van de groepen aangepast.
  • Met tweederde meerderheid van de leden, die al dan niet stemrecht hebben, neemt de Raad van bestuur alle voor de toepassing van voornoemde beginselen noodzakelijke maatregelen en kan besluiten de invoering van het roulatiesysteem uit te stellen tot het aantal presidenten meer dan 18 bedraagt.

Slechts persoonlijk aanwezige leden hebben stemrecht. In afwijking van deze regel kan in het in artikel 12.3 bedoelde reglement van orde worden bepaald dat leden van de Raad van bestuur hun stem via een teleconferentie kunnen uitbrengen. Dat reglement van orde bepaalt tevens, dat een lid van de Raad van bestuur dat langdurig verhinderd is de vergaderingen van de Raad van bestuur bij te wonen, een plaatsvervanger kan aanwijzen als lid van de Raad van bestuur.
De bepalingen in de voorgaande paragrafen laten de stemrechten van alle leden van de Raad van bestuur, al dan niet met stemrecht, krachtens de artikelen 10.3, 40.2 en 40.3 onverlet.
Tenzij in deze statuten anders is bepaald, besluit de Raad van bestuur met gewone meerderheid van de leden met stemrecht. Bij staking van stemmen brengt de president de beslissende stem uit.
De Raad van bestuur kan alleen tot stemming overgaan, indien een quorum van tweederde van de leden met stemrecht aanwezig is. Indien het quorum niet aanwezig is, kan de president een buitengewone vergadering bijeenroepen waar besluiten kunnen worden genomen zonder inachtneming van het bovenbedoelde quorum.

10.3. Voor alle besluiten die op grond van de artikelen 28, 29, 30, 32 en 33 dienen te worden genomen, worden de stemmen van de leden van de Raad van bestuur gewogen overeenkomstig de verdeling van het geplaatste kapitaal van de ECB onder de nationale centrale banken. Aan de stemmen van de directieleden wordt een gewicht van nul toegekend. Een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt geacht te zijn aangenomen wanneer de stemmen voor het besluit ten minste twee derde van het geplaatste kapitaal van de ECB en ten minste de helft van de aandeelhouders vertegenwoordigen. Indien een president verhinderd is, mag hij een plaatsvervanger aanwijzen om zijn gewogen stem uit te brengen.

10.4. De besprekingen van de vergaderingen zijn vertrouwelijk. De Raad van bestuur kan besluiten het resultaat van zijn beraadslagingen openbaar te maken.

10.5. De Raad van bestuur vergadert ten minste tienmaal per jaar.

Artikel 11 De directie
11.1. Overeenkomstig artikel 283, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bestaat de directie uit de president, de vice-president en vier andere leden. De leden vervullen hun taken voltijds. Geen lid mag een beroepswerkzaamheid al dan niet tegen beloning verrichten, tenzij van deze bepaling door de Raad van bestuur bij uitzondering afwijking is toegestaan.

11.2. Overeenkomstig artikel 283, lid 2, onder b), van dat Verdrag worden de president, de vicepresident en de overige leden van de directie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd op aanbeveling van de Raad, die het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de ECB vooraf heeft geraadpleegd; zij worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied.
Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.
Alleen zij die de nationaliteit van één van de lidstaten bezitten, kunnen lid van de directie zijn.

11.3. De arbeidsvoorwaarden van de leden van de directie, in het bijzonder hun salarissen, pensioenen en overige socialezekerheidsvoorzieningen, worden geregeld in overeenkomsten met de ECB en worden vastgesteld door de Raad van bestuur op voorstel van een commissie bestaande uit drie door de Raad van bestuur benoemde leden en drie door de Raad benoemde leden. De leden van de directie hebben geen stemrecht ten aanzien van de in dit lid bedoelde aangelegenheden.

11.4. Op verzoek van de Raad van bestuur of van de directie kan een lid van de directie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

11.5. Ieder lid van de directie dat persoonlijk aanwezig is, heeft stemrecht en bezit daartoe één stem. Tenzij anders is bepaald, besluit de directie met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen brengt de president de beslissende stem uit. De stemprocedures worden vastgelegd in het in artikel 12.3 bedoelde reglement van orde.

11.6. De directie draagt verantwoordelijkheid voor de lopende zaken van de ECB.

11.7. In elke vacature bij de directie wordt voorzien door de benoeming van een nieuw lid overeenkomstig artikel 11.2.

Artikel 12 Verantwoordelijkheden van de besluitvormende organen
12.1. De Raad van bestuur stelt de richtsnoeren vast en neemt de besluiten die nodig zijn voor het vervullen van de bij de Verdragen en deze statuten aan het ESCB opgedragen taken. De Raad van bestuur formuleert het monetair beleid van de Unie, in voorkomend geval met inbegrip van besluiten met betrekking tot intermediaire monetaire doelstellingen, de belangrijkste rentetarieven en de liquiditeitsvoorziening in het ESCB, en stelt de nodige richtsnoeren op voor de uitvoering ervan. De directie voert het monetair beleid uit overeenkomstig de richtsnoeren en besluiten van de Raad van bestuur en geeft daartoe de nodige instructies aan de nationale centrale banken. Tevens kunnen aan de directie bij besluit van de Raad van bestuur bepaalde bevoegdheden worden gedelegeerd.
De ECB doet, voor zover zulks mogelijk en passend wordt geacht en onverminderd het bepaalde in dit artikel, een beroep op de nationale centrale banken voor de uitvoering van tot de taken van het ESCB behorende operaties.

12.2. De directie is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad van bestuur.

12.3. De Raad van bestuur neemt een reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen wordt geregeld.

12.4. De Raad van bestuur oefent de in artikel 4 bedoelde adviesfuncties uit.

12.5. De Raad van bestuur neemt de in artikel 6 bedoelde besluiten.

Artikel 13 De president
13.1. De president of, bij diens afwezigheid, de vice-president zit de vergaderingen van de Raad van bestuur en van de directie van de ECB voor.

13.2. Onverminderd artikel 38 vertegenwoordigt de president of de door hem aangewezen persoon de ECB naar buiten toe.

Artikel 14 Nationale centrale banken
14.1. Overeenkomstig artikel 131 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarborgt iedere lidstaat dat zijn nationale wetgeving, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank verenigbaar is met de Verdragen en deze statuten.

14.2. De statuten van de nationale centrale banken bepalen in het bijzonder dat de ambtstermijn van een president van een nationale centrale bank minimaal vijf jaar is.
Een president kan slechts van zijn ambt worden ontheven indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten. Tegen een besluit daartoe kan de betrokken president of de Raad van bestuur beroep instellen bij het Hof van Justitie wegens schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan. Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van het besluit, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gekregen.

14.3. De nationale centrale banken maken een integrerend deel uit van het ESCB en handelen in overeenstemming met de richtsnoeren en instructies van de ECB. De Raad van bestuur neemt de nodige maatregelen teneinde te verzekeren dat aan de richtsnoeren en instructies van de ECB wordt voldaan, en eist dat hem alle benodigde informatie wordt verstrekt.

14.4. De nationale centrale banken mogen andere functies vervullen dan die omschreven in deze statuten, tenzij de Raad van bestuur met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen vaststelt dat deze functies de doelstellingen en taken van het ESCB doorkruisen. Bedoelde functies worden onder verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de nationale centrale banken vervuld en worden niet geacht deel uit te maken van de functies van het ESCB.

Artikel 15 Rapportageverplichtingen
15.1. De ECB stelt, ten minste elk kwartaal, verslagen op over de werkzaamheden van het ESCB en maakt deze openbaar.

15.2. Wekelijks wordt een geconsolideerd financieel overzicht van het ESCB openbaar gemaakt.

15.3. Overeenkomstig artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt de ECB een jaarverslag over de werkzaamheden van het ESCB en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar op voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede voor de Europese Raad.

15.4. De in dit artikel bedoelde verslagen en overzichten worden aan belangstellenden gratis ter beschikking gesteld.

Artikel 16 Bankbiljetten
Overeenkomstig artikel 128, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft de Raad van bestuur het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van eurobankbiljetten binnen de Unie. De ECB en de nationale centrale banken mogen bankbiljetten uitgeven. De door de ECB en de nationale centrale banken uitgegeven bankbiljetten zijn de enige bankbiljetten die binnen de Unie de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.
De ECB eerbiedigt zoveel mogelijk de bestaande gebruiken inzake de uitgifte en het ontwerp van bankbiljetten.

HOOFDSTUK IV MONETAIRE FUNCTIES EN WERKZAAMHEDEN VAN HET ESCB[bewerken]

Artikel 17 Rekeningen aangehouden bij de ECB en de nationale centrale banken
Teneinde hun werkzaamheden te kunnen verrichten, zijn de ECB en de nationale centrale banken gerechtigd rekeningen te openen ten behoeve van kredietinstellingen, openbare lichamen en andere marktpartijen, en activa, waaronder girale effecten, in onderpand te aanvaarden.

Artikel 18 Open markt- en krediettransacties
18.1. Om de doelstellingen van het ESCB te kunnen verwezenlijken en de taken ervan te kunnen vervullen, mogen de ECB en de nationale centrale banken:

  • in de financiële markten opereren door aan- en verkoop, hetzij onvoorwaardelijk (contant en op termijn) hetzij onder beding van wederverkoop, respectievelijk wederaankoop, door het in lening geven of nemen van vorderingen en verhandelbaar papier, luidende in euro of andere valuta's, evenals van edele metalen;
  • krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand.

18.2. De ECB stelt de algemene grondslagen vast voor door haarzelf of de nationale centrale banken uit te voeren open markt- en krediettransacties, waaronder mede begrepen die voor de aankondiging van de voorwaarden waaronder zij bereid zijn dergelijke transacties aan te gaan.

Artikel 19 Minimumreserves
19.1. Behoudens artikel 2 kan de ECB eisen dat in de lidstaten gevestigde kredietinstellingen met het oog op de doelstellingen van het monetair beleid op rekeningen bij de ECB en nationale centrale banken bepaalde minimumreserves aanhouden. De Raad van bestuur kan voorschriften omtrent de berekening en vaststelling van de verplichtingen inzake minimumreserves vaststellen. Indien aan deze voorschriften niet wordt voldaan, is de ECB gerechtigd boeterente te heffen alsmede andere sancties met een vergelijkbaar effect op te leggen.

19.2. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Raad volgens de procedure van artikel 41 de grondslag voor de minimumreserves en de maximaal toelaatbare ratio's tussen die reserves en hun grondslag vast, alsook passende sancties bij niet-naleving.

Artikel 20 Andere instrumenten van monetair beleid
De Raad van bestuur kan, bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, met inachtneming van artikel 2 besluiten tot het gebruik van alle andere door hem passend geachte instrumenten van monetair beleid.
De Raad stelt, overeenkomstig de procedure van artikel 41, de reikwijdte van deze instrumenten vast, indien zij verplichtingen voor derden meebrengen.

Artikel 21 Transacties met openbare lichamen
21.1. Overeenkomstig artikel 123 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het de ECB en de nationale centrale banken verboden voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten te verlenen ten behoeve van instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, overheidsinstanties, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten; ook het rechtstreeks van hen kopen van schuldbewijzen door de ECB of de nationale centrale banken is verboden.

21.2. De ECB en de nationale centrale banken mogen optreden als fiscaal agent voor de in artikel 21.1 bedoelde lichamen.

21.3. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op kredietinstellingen die in handen van de overheid zijn en waaraan in het kader van de liquiditeitsvoorziening door de centrale banken dezelfde behandeling door de nationale centrale banken en de ECB wordt gegeven als aan particuliere kredietinstellingen.

Artikel 22 Verrekenings- en betalingssystemen
De ECB en de nationale centrale banken zijn gerechtigd faciliteiten ter beschikking te stellen en de ECB kan verordeningen vaststellen ter verzekering van doelmatige en deugdelijke verrekenings- en betalingssystemen binnen de Unie en met andere landen.

Artikel 23 Externe werkzaamheden
De ECB en de nationale centrale banken mogen:

  • betrekkingen aangaan met centrale banken en financiële instellingen in andere landen en, waar passend, met internationale organisaties;
  • zowel contant als op termijn alle soorten deviezen en edele metalen kopen en verkopen. Het begrip deviezen omvat effecten en alle overige activa luidende in de valuta van enig land of in rekeneenheden, ongeacht de vorm waarin zij worden aangehouden;
  • de in dit artikel bedoelde activa aanhouden en beheren;
  • alle soorten bancaire transacties verrichten met derde landen en internationale organisaties, waaronder mede begrepen het verstrekken en opnemen van leningen.

Artikel 24 Overige werkzaamheden
Naast de uit hun taken voortvloeiende werkzaamheden, mogen de ECB en de nationale centrale banken werkzaamheden verrichten voor eigen administratieve doeleinden en ten behoeve van hun personeel.

HOOFDSTUK V BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT[bewerken]

Artikel 25 Bedrijfseconomisch toezicht
25.1. De ECB kan adviezen uitbrengen aan en worden geraadpleegd door de Raad, de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten omtrent de reikwijdte en de tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

25.2. Overeenkomstig een verordening van de Raad krachtens artikel 127, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kan de ECB specifieke taken vervullen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen.

HOOFDSTUK VI FINANCIËLE BEPALINGEN OMTRENT HET ESCB[bewerken]

Artikel 26 Financiële rekeningen
26.1. Het boekjaar van de ECB en de nationale centrale banken begint op de eerste dag van januari en eindigt op de laatste dag van december.

26.2. De jaarrekening van de ECB wordt door de directie opgesteld in overeenstemming met de door de Raad van bestuur vastgelegde grondslagen. De jaarrekening wordt door de Raad van bestuur vastgesteld en vervolgens gepubliceerd.

26.3. Voor analytische en operationele doeleinden stelt de directie een geconsolideerde balans van het ESCB op, welke de van het ESCB deel uitmakende activa en passiva van de nationale centrale banken omvat.

26.4. Voor de toepassing van dit artikel stelt de Raad van bestuur de nodige regels vast ter standaardisatie van de financiële administratie en verslaglegging van de door de nationale centrale banken uitgevoerde werkzaamheden.

Artikel 27 Accountantscontrole
27.1. De rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur zijn aanvaard door de Raad. De accountants zijn zonder voorbehoud bevoegd alle boeken en rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken te onderzoeken en volledig te worden geïnformeerd over hun verrichtingen.

27.2. De bepalingen van artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn uitsluitend van toepassing op een doelmatigheidscontrole van de ECB.

Artikel 28 Kapitaal van de ECB
28.1. Het kapitaal van de ECB bedraagt 5000 miljoen EUR. Het kapitaal kan worden verhoogd met bedragen die worden bepaald door de Raad van bestuur met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 10.3, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.

28.2. De enige inschrijvers op het kapitaal van de ECB en de enige aandeelhouders van de ECB zijn de nationale centrale banken. De inschrijving op het kapitaal geschiedt volgens de overeenkomstig artikel 29 vastgestelde sleutel.

28.3. De Raad van bestuur bepaalt met de in artikel 10.3 voorgeschreven gekwalificeerde meerderheid van stemmen in hoeverre en in welke vorm het kapitaal moet worden gestort.

28.4. Onder voorbehoud van artikel 28.5 mogen de aandelen van de nationale centrale banken in het geplaatste kapitaal van de ECB niet worden overgedragen, verpand of in beslag genomen.

28.5. Indien de in artikel 29 genoemde sleutel wordt aangepast, dragen de nationale centrale banken onderling aandelen in het kapitaal over in die mate dat de verdeling van de aandelen overeenkomt met de aangepaste sleutel. De Raad van bestuur stelt de modaliteiten en voorwaarden voor een dergelijke overdracht vast.

Artikel 29 Verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal
29.1. De verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal van de ECB, die voor het eerst is vastgesteld in 1998, bij de oprichting van het ESCB, wordt vastgesteld door aan elke nationale centrale bank een weging in deze sleutel toe te kennen die gelijk is aan de som van:

  • 50 % van het aandeel van de lidstaat in kwestie in de bevolking van de Unie tijdens het voorlaatste jaar voorafgaand aan de oprichting van het ESCB;
  • 50 % van het aandeel van de lidstaat in kwestie in het bruto binnenlands product van de Unie tegen marktprijzen, als vastgesteld tijdens de vijf jaar voorafgaande aan het voorlaatste jaar vóór de oprichting van het ESCB.

De percentages worden naar onder of naar boven afgerond op het kleinste veelvoud van 0,0001 %.

29.2. De voor de toepassing van dit artikel benodigde statistieken worden, overeenkomstig de door de Raad volgens de procedure van artikel 41 vastgestelde regels, verstrekt door de Commissie.

29.3. De aan de nationale centrale banken toegekende wegingen worden na de oprichting van het ESCB om de vijf jaar aangepast naar analogie van de bepalingen van artikel 29.1. De aangepaste sleutel geldt met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende jaar.

29.4. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 30 Overdracht van externe reserves aan de ECB
30.1. Onverminderd artikel 28 wordt de ECB door de nationale centrale banken tot een bedrag van 50000 miljoen euro gedoteerd met externe reserves, uitgezonderd valuta's van de lidstaten, euro's, reserveposities in het IMF en bijzondere trekkingsrechten. De Raad van bestuur besluit omtrent het door de ECB na haar oprichting op te roepen deel en de op latere tijdstippen op te roepen bedragen. De ECB is ten volle gerechtigd om de aan haar overgedragen externe reserves aan te houden en te beheren en voor de in deze statuten omschreven doeleinden te gebruiken.

30.2. De bijdragen van iedere nationale centrale bank worden vastgesteld in verhouding tot haar aandeel in het geplaatste kapitaal van de ECB.

30.3. Aan iedere nationale centrale bank wordt door de ECB een vordering toegekend ter grootte van haar bijdrage. De Raad van bestuur bepaalt de denominatie en de rentevergoeding van dergelijke vorderingen.

30.4. Verdere stortingen van externe reserves boven de in artikel 30.1 gestelde grens kunnen, overeenkomstig artikel 30.2, door de ECB worden opgeroepen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.

30.5. De ECB is gemachtigd reserveposities in het IMF en bijzondere trekkingsrechten aan te houden en te beheren, en te voorzien in het poolen van deze activa.

30.6. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 31 Door nationale centrale banken aangehouden externe reserves
31.1. Het is de nationale centrale banken toegestaan transacties te verrichten ter voldoening aan hun verplichtingen jegens internationale organisaties overeenkomstig artikel 23.

31.2. Alle overige transacties in externe reserves die nog door de nationale centrale banken worden aangehouden na de overdrachten bedoeld in artikel 30, en transacties van lidstaten met hun werksaldi in buitenlandse valuta's behoeven, boven een in het kader van artikel 31.3 vast te stellen grens, de goedkeuring van de ECB teneinde overeenstemming met het wisselkoersbeleid en het monetair beleid van de Unie te verzekeren.

31.3. De Raad van bestuur vaardigt richtsnoeren uit teneinde dergelijke transacties te vergemakkelijken.

Artikel 32 Toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken
32.1. De inkomsten die de nationale centrale banken bij de uitoefening van de monetaire beleidstaken van het ESCB verkrijgen (hierna „monetaire inkomsten” te noemen) worden aan het einde van elk boekjaar volgens de onderstaande bepalingen toegedeeld.

32.2. De monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank zijn gelijk aan de jaarinkomsten die zij verkrijgt uit de activa die worden aangehouden als tegenwaarde voor de in omloop zijnde bankbiljetten en de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's. Deze activa worden door de nationale centrale banken geoormerkt volgens door de Raad van bestuur vast te stellen richtsnoeren.

32.3. Indien de Raad van bestuur na de invoering van de euro van oordeel is dat de balansindeling van de nationale centrale banken de toepassing van artikel 32.2 niet mogelijk maakt, kan hij met gewone meerderheid van stemmen besluiten dat de monetaire inkomsten, in afwijking van artikel 32.2, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar volgens een alternatieve methode worden bepaald.

32.4. Op het bedrag van de monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank worden de rentelasten in mindering gebracht die door de betrokken centrale bank zijn betaald over de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's overeenkomstig artikel 19. De Raad van bestuur kan besluiten dat de nationale centrale banken worden vergoed voor de in verband met de uitgifte van bankbiljetten gemaakte kosten of, in uitzonderlijke omstandigheden, voor specifieke verliezen in verband met de monetaire beleidsoperaties die voor het ESCB zijn verricht. De vergoeding geschiedt in een door de Raad van bestuur passend geachte vorm; deze bedragen kunnen met de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken worden verrekend.

32.5. De som van de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken wordt aan de nationale centrale banken toegedeeld naar rato van hun gestorte aandeel in het kapitaal van de ECB, behoudens een eventueel besluit van de Raad van bestuur overeenkomstig artikel 33.2.

32.6. De verrekening en de afwikkeling van de saldi afkomstig van de toedeling van de monetaire inkomsten worden door de ECB verricht overeenkomstig de door de Raad van bestuur vastgestelde richtsnoeren.

32.7. De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

Artikel 33 Toedeling van nettowinst en verlies van de ECB
33.1. De nettowinst van de ECB wordt in de onderstaande volgorde overgedragen:

a) een door de Raad van bestuur vast te stellen bedrag, dat niet meer dan 20 % van de nettowinst mag bedragen, wordt naar het algemeen reservefonds overgedragen tot een maximum van 100 % van het kapitaal;
b) de resterende nettowinst wordt onder de aandeelhouders van de ECB verdeeld naar rato van hun gestorte aandelen.

33.2. In geval van een verlies van de ECB wordt het tekort gedekt uit het algemeen reservefonds van de ECB en, indien nodig, bij besluit van de Raad van bestuur, door de monetaire inkomsten van het betrokken boekjaar, naar rato en tot beloop van de bedragen die overeenkomstig artikel 32.5 aan de nationale centrale banken zijn toegedeeld.

HOOFDSTUK VII ALGEMENE BEPALINGEN[bewerken]

Artikel 34 Regelgevende bevoegdheden
34.1. Overeenkomstig artikel 132 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zal de ECB:

  • verordeningen vaststellen voor zover nodig voor de uitvoering van de taken omschreven in artikel 3.1, eerste streepje, artikel 19.1, artikel 22 of artikel 25.2, alsmede in de gevallen die worden bepaald in de in artikel 41 bedoelde besluiten van de Raad;
  • de besluiten vaststellen die nodig zijn voor de uitvoering van de bij de Verdragen en de statuten aan het ESCB opgedragen taken;
  • aanbevelingen doen en adviezen uitbrengen.

34.2. De ECB kan besluiten haar besluiten, aanbevelingen en adviezen openbaar te maken.

34.3. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 van de statuten worden vastgesteld, is de ECB gerechtigd om ondernemingen boeten en dwangsommen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen krachtens haar verordeningen en besluiten.

Artikel 35 Toetsing door de rechter en aanverwante aangelegenheden
35.1. De handelingen en nalatigheden van de ECB zijn onderworpen aan toetsing en uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de Verdragen. De ECB kan gerechtelijke procedures aanspannen in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de Verdragen.

35.2. Geschillen tussen de ECB, enerzijds, en haar crediteuren, debiteuren of andere personen, anderzijds, worden beslecht door de bevoegde nationale rechters, tenzij het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om uitspraak te doen.

35.3. De ECB is onderworpen aan de in artikel 340 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omschreven aansprakelijkheidsregeling. De nationale centrale banken zijn aansprakelijk volgens hun onderscheiden nationale wetgevingen.

35.4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de ECB gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

35.5. Het besluit van de ECB om een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in te stellen, wordt door de Raad van bestuur genomen.

35.6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen betreffende de nakoming door de nationale centrale banken van de verplichtingen die voor hen uit de Verdragen en uit deze statuten voortvloeien. Indien de ECB van oordeel is dat een nationale centrale bank een van de krachtens deze statuten op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit na de betrokken nationale centrale bank in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken. Indien de betrokken nationale centrale bank dit advies niet binnen de door de ECB gestelde termijn opvolgt, kan de ECB de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 36 Personeel
36.1. De Raad van bestuur stelt op voorstel van de directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast.

36.2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden, bevoegd ter zake van geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden.

Artikel 37 (oud artikel 38) Beroepsgeheim
37.1. Leden van de bestuursorganen en personeelsleden van de ECB en de nationale centrale banken zijn gehouden, ook na beëindiging van hun taken, inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, niet openbaar te maken.

37.2. Personen die toegang hebben tot gegevens welke vallen onder wetgeving van de Unie waarbij een geheimhoudingsplicht wordt opgelegd, zijn aan die wetgeving onderworpen.

Artikel 38 (oud artikel 39) Tekenbevoegdheid
De ECB wordt tegenover derden in rechte verbonden door de president of door twee leden van de directie of door de handtekeningen van twee personeelsleden van de ECB die door de president naar behoren zijn gemachtigd om namens de ECB te tekenen.

Artikel 39 (oud artikel 40) Voorrechten en immuniteiten
De ECB geniet op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de vervulling van haar taken, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

HOOFDSTUK VIII WIJZIGING VAN DE STATUTEN EN AANVULLENDE WETGEVING[bewerken]

Artikel 40 (oud artikel 41) Vereenvoudigde wijzigingsprocedure
40.1. Overeenkomstig artikel 129, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kunnen de artikelen 5.1, 5.2, 5.3, 17, 18, 19.1, 22, 23, 24, 26, 32.2, 32.3, 32.4, 32.6, 33.1 a) en 36 door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure, hetzij op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van de Commissie, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, worden gewijzigd.

40.2. Artikel 10.2 kan bij besluit van de Europese Raad, met eenparigheid van stemmen, hetzij op aanbeveling van de Europese Centrale Bank en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, hetzij op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank, worden gewijzigd. De wijzigingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.

40.3. Tot een aanbeveling van de ECB uit hoofde van dit artikel dient in de Raad van bestuur met eenparigheid van stemmen te worden besloten.

Artikel 41 (oud artikel 42) Aanvullende wetgeving
Overeenkomstig artikel 129, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt de Raad, hetzij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de ECB, hetzij op aanbeveling van de ECB en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, de in de artikelen 4, 5.4, 19.2, 20, 28.1, 29.2, 30.4 en 34.3 bedoelde bepalingen vast.

HOOFDSTUK IX OVERGANGSBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN VOOR HET ESCB[bewerken]

Artikel 42 (oud artikel 43) Algemene bepalingen
42.1. Een derogatie als bedoeld in artikel 139 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, brengt mee dat voor de betrokken lidstaat uit de volgende artikelen van deze statuten geen rechten of verplichtingen voortvloeien: 3, 6, 9.2, 12.1, 14.3, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 26.2, 27, 30, 31, 32, 33, 34 en 49.

42.2. De centrale banken van de lidstaten met een derogatie als bedoeld in artikel 139 van dat Verdrag behouden hun bevoegdheden op het gebied van het monetair beleid overeenkomstig de nationale wetgeving.

42.3. Overeenkomstig artikel 139 van dat Verdrag wordt lidstaten gelezen als lidstaten die de euro als munt hebben in de volgende artikelen van deze statuten: 3, 11.2 en 19.

42.4. Nationale centrale banken wordt gelezen als centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben in de volgende artikelen van deze statuten: 9.2, 10.2, 10.3, 12.1, 16, 17, 18, 22, 23, 27, 30, 31, 32, 33.2 en 49.

42.5. Aandeelhouders wordt gelezen als centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben in artikel 10.3 en artikel 33.1.

42.6. Het geplaatste kapitaal van de ECB wordt gelezen als het kapitaal van de ECB dat is geplaatst bij de centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben in artikel 10.3 en artikel 30.2.

Artikel 43 (oud artikel 44) Overgangstaken van de ECB
De ECB neemt de voormalige taken van het EMI bedoeld in artikel 141, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over die na de invoering van de euro wegens de derogaties van een of meer lidstaten nog moeten worden vervuld.
De ECB verstrekt advies bij de voorbereiding van het intrekken van de derogaties bedoeld in artikel 140 van dat Verdrag.

Artikel 44 (oud artikel 45) De Algemene Raad van de ECB
44.1. Onverminderd artikel 129, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wordt de Algemene Raad opgericht als derde besluitvormend orgaan van de ECB.

44.2. De Algemene Raad bestaat uit de president en de vice-president van de ECB en de presidenten van de nationale centrale banken. De overige leden van de directie mogen zonder stemrecht deelnemen aan vergaderingen van de Algemene Raad.

44.3. De verantwoordelijkheden van de Algemene Raad zijn volledig opgesomd in artikel 46.

Artikel 45 (oud artikel 46) Reglement van orde van de Algemene Raad
45.1. De president of bij diens afwezigheid, de vice-president van de ECB zit de vergaderingen van de Algemene Raad van de ECB voor.

45.2. De voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie mogen zonder stemrecht deelnemen aan vergaderingen van de Algemene Raad.

45.3. De president bereidt de vergaderingen van de Algemene Raad voor.

45.4. In afwijking van artikel 12.3 neemt de Algemene Raad zijn reglement van orde aan.

45.5. Het secretariaat van de Algemene Raad wordt verzorgd door de ECB.

Artikel 46 (oud artikel 47) Verantwoordelijkheden van de Algemene Raad
46.1. De Algemene Raad

  • voert de in artikel 43 bedoelde taken uit;
  • verleent medewerking aan de adviesfuncties bedoeld in artikel 4 en artikel 25.1.

46.2. De Algemene Raad verleent medewerking aan:

  • het verzamelen van statistische gegevens als bedoeld in artikel 5;
  • de rapportageactiviteiten van de ECB als bedoeld in artikel 15;
  • het opstellen van de regels bedoeld in artikel 26.4, die nodig zijn voor de toepassing van artikel 26;
  • het treffen van alle andere maatregelen bedoeld in artikel 29.4, die nodig zijn voor de toepassing van artikel 29;
  • het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB bedoeld in artikel 36.

46.3. De Algemene Raad verleent medewerking aan de nodige voorbereidingen voor het onherroepelijk vaststellen van de wisselkoersen van de valuta’s van de lidstaten met een derogatie ten opzichte van de euro, bedoeld in artikel 140, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

46.4. De Algemene Raad wordt door de president van de ECB in kennis gesteld van de besluiten van de Raad van bestuur.

Artikel 47 (oud artikel 48) Overgangsbepalingen voor het kapitaal van de ECB
Overeenkomstig artikel 29.1 wordt aan elke nationale centrale bank een weging toegekend in de sleutel voor inschrijving op het kapitaal van de ECB. In afwijking van artikel 28.3 storten de centrale banken van de lidstaten met een derogatie het kapitaal waarop zij hebben ingeschreven niet, tenzij de Algemene Raad met een gekwalificeerde meerderheid die ten minste twee derde van het geplaatste kapitaal van de ECB en ten minste de helft van de aandeelhouders vertegenwoordigt, besluit dat een minimaal percentage moet worden gestort als bijdrage aan de bedrijfskosten van de ECB.

Artikel 48 (oud artikel 49) Latere storting van kapitaal, reserves en voorzieningen van de ECB
48.1. De centrale bank van een lidstaat waarvan de derogatie is ingetrokken, stort haar aandeel in het kapitaal van de ECB ten belope van hetzelfde percentage als de andere centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben en draagt overeenkomstig artikel 30.1 externe reserves aan de ECB over. Het over te dragen bedrag wordt bepaald door de Euro-waarde tegen lopende wisselkoersen van de reeds overeenkomstig artikel 30.1 aan de ECB overgedragen externe reserves te vermenigvuldigen met de ratio tussen het aantal aandelen waarop de betrokken nationale centrale bank heeft ingeschreven en het aantal aandelen dat de andere nationale centrale banken al hebben volgestort.

48.2. Behalve de storting die overeenkomstig artikel 48.1 moet worden verricht, draagt de betrokken centrale bank bij tot de reserves van de ECB, tot de voorzieningen die met reserves zijn gelijkgesteld, en tot het bedrag dat nog moet worden toegerekend aan de reserves en voorzieningen overeenkomstig het saldo van de winst- en verliesrekening per 31 december van het jaar voorafgaand aan de intrekking van de derogatie. De verschuldigde bijdrage wordt bepaald door het bedrag van de reserves, als hierboven omschreven en als voorkomend op de goedgekeurde balans van de ECB, te vermenigvuldigen met de ratio tussen het aantal aandelen waarop de betrokken centrale bank heeft ingeschreven en het aantal aandelen dat de andere centrale banken al hebben volgestort.

48.3. Zodra één of meer landen lidstaat worden en hun respectieve nationale centrale banken deel gaan uitmaken van het ESCB, worden het geplaatste kapitaal van de ECB en het plafond voor de externe reserves welke aan de ECB mogen worden overgedragen, automatisch verhoogd. De verhoging wordt bepaald door de op dat ogenblik geldende bedragen te vermenigvuldigen met de ratio tussen de weging, in het kader van de uitgebreide verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal, van de toetredende nationale centrale banken in kwestie enerzijds en die van de nationale centrale banken die reeds deel uitmaken van het ESCB anderzijds. De weging van elke nationale centrale bank in de kapitaalsleutel wordt berekend naar analogie van artikel 29, lid 1, en in overeenstemming met artikel 29, lid 2. De referentieperioden voor de statische gegevens zijn gelijk aan die welke zijn toegepast voor de laatste vijfjaarlijkse aanpassing van de wegingen krachtens artikel 29, lid 3.

Artikel 49 (oud artikel 52) Inwisseling van bankbiljetten in valuta's van de lidstaten
Na de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersen overeenkomstig artikel 140, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, treft de Raad van bestuur de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat bankbiljetten luidende in valuta's met onherroepelijk vastgestelde wisselkoersen door de nationale centrale banken worden ingewisseld tegen hun respectieve pariwaarden.

Artikel 50 (oud artikel 53) Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen
Indien en zolang er nog lidstaten zijn met een derogatie, zijn de artikelen 42 tot en met 47 van toepassing.