Vogelkiekjes/VI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
V. Vogelkiekjes (1910) van Jacob Daalder

VI

VII.


[ 21 ]

VI.


Wanneer de Leeuwerik aanheft!


Mijn Grootmoeder zaliger zeide elk voorjaar: „zooveel dagen de leeuwerik vóór Vrouwendag zingt, zooveel weken er na moet hij zwijgen". Ik heb er nooit erg op gelet, of het oude mensch gelijk heeft gehad, maar zooveel is zeker, dat ik niet aan Maria-Lichtmis (2 Febr.) kan denken, of onwillekeurig komt de Akkerleeuwerik (Alauda arvensis) mij in gedachte. Want op Vrouwendag behoort [ 22 ] hij te zingen, al doet hij het niet altijd. Soms kan hij Sprokkelmaand niet afwachten en stijgt hij reeds op een zonnigen dag in Januari zoo hoog, dat men hem wel hoort, maar in het ijle blauw van de lucht met het oog niet kan vinden. Altijd en altijd hoort men dan het bekende „tierelierelier", waarbij men onwillekeurig denkt: „wat heb ik een plezier".

Zoo'n leeuwerik is wel een lieflijke lentebode. Wanneer hij aanheft, dan waant men zich reeds in Grasmaand verplaatst, en men zou willen zoeken naar het aardige leeuweriknestje, dat zoo open en zoo vrij in de weide wordt gemaakt, en in gedachte ziet men weder de vier of vijf mooie bruingemarmerde eiertjes op de zachte bekleeding in het kommetje.

Maar zoo ver is het nog niet. Straks betrekt de lucht weder, en sneeuwvlokken en hagelsteenen leggen aan den vroolijken zanger het zwijgen op. Zoo krijgen we den geregeld terugkeerenden strijd tusschen winter en lente. Doch de leeuwerik zal ons bij elken zonnestraal zingend profeteeren, dat de lente ten slotte de zege zal bevechten. En dan zullen we weer kunnen zien, dat dit aardig vogeltje met zijn grijsbruin pakje en zijn langen duimnagel voor vele streken een heele vervulling is. Dan zingt hij altijd en overal, maar niet of bijna niet op den bodem. Hoog in de lucht, bij voortdurend klapwieken, vertelt hij van den grooten rijkdom, dien hij bezit in zijn broedend vrouwtje. Doch slechts een paar weken heeft hij er den tijd voor, want dan moet hij medehelpen tot laving van het hongerig kroost, dat voortdurend piept: „honger, honger, nooit genoeg!"

Snel groeien de jonge leeuweriken, en dat is goed ook, [ 23 ] want weldra wordt door het ouderpaar een tweede en soms later nog een derde nest in gereedheid gebracht, zoodat een rijke vermenigvuldiging kan plaats hebben. En voor ieder nest zingt het mannetje luide en hoog, zoodat men den geheelen zomer door het getierelier vernemen kan.

Maar van dat alles kunnen we nu nog weinig hooren en zien. 't Is nu nog slechts een enkel exemplaar, dat zich verheft. In het najaar zijn de meeste voorwerpen naar het Zuiden gegaan, en ze deden er goed aan, want bij sneeuwval of strenge vorst komen dikwijls vele van de achterblijvers om. Over enkele weken zullen groote vluchten weder naar hier komen.

Maar zie nu eens op den dorpsweg! Daar zwermt al een leger van leeuweriken rond.

Juist, maar het zijn geen Akker- of Veldleeuweriken. Ze behooren tot de soort, die aangeduid wordt met den naam Kuifleeuwerik (Galerida cristata L.) Wanneer men hem kon vergelijken met den gewonen leeuwerik, zou het blijken, dat de bek langer en de duimnagel korter is. Maar zijn naam draagt de Kuifleeuwerik naar de verlengde vederen van de kruin, die tot een puntig kuifje opgezet kunnen worden. Leeft deze leeuwerik des winters bij ons in groot aantal, en durft hij zich dan zelfs wagen op de straten van dorpen en steden, des zomers verblijft hij hier slechts met weinige paren. De eieren zijn grooter dan die van den Akkerleeuwerik, meer glanzig en roodachtig geel-wit van grond.

En wie nu naar de heidevelden of naar de duinen gaat, zal er waarschijnlijk een enkel exemplaar van een derde leeuweriksoort vinden, nl. van den Boomleeuwerik [ 24 ] (Lullula arborea L.) 't Is de soort, bij de Amsterdamsche vogelkoopers bekend als Madeliefje, en bij de Geldersche als Zoetelief.

In den zomer komt de Boomleeuwerik meer bij ons voor. Hij is kleiner dan de gewone soort, zijn staart is korter, en het vederkleed verschilt een weinig. In den broedtijd zit hij gaarne op boomen, doch hij maakt, evenals de andere soorten, zijn nest op den grond. De eieren zijn vleeschkleurig met grijze en bruine marmervlekjes.

Den Bergleeuwerik bezagen we reeds eerder en meer soorten Alaudidae vindt men in ons land niet.

Van deze vier trekt de soort, die den Vrouwendag huldigt, ons wel het meeste aan, doch alleen in de vrije Natuur, hoog en klapwiekend, en niet in een kooi, waar hij niet klapwieken kan, en waar zijn pooten niet deugen voor het roestje.

Een leeuwerik in een vogelkooi doet ons denken aan den diergaarde-leeuw van Hildebrand. „Onttroonde koning! Gekrompen reus! Simson met afgesneden haar! Napoleon op St. Helena!"