Darwin - Het ontstaan der soorten (1860)/Inl

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Voorberigt van den vertaler Het ontstaan der soorten van Charles Darwin

Inleiding

Hoofdstuk 1


[ 9 ]
 

INLEIDING.



Toen ik aan boord van het schip the Beagle als natuurkundige eene reis rondom de aarde maakte, werd ik vooral getroffen door sommige bijzonderheden en feiten, betreffende de verspreiding der dieren en planten van Zuid-Amerika, en de geologische betrekkingen van de tegenwoordige tot de verledene bewoners van dat gedeelte der aarde. Die feiten, meende ik, verspreidden eenig licht over het ontstaan der soorten—dat grootste aller geheimen, zooals het door zekeren wijsgeer is genoemd. Bij mijne terugkomst in 1837 werd het mij hoe langer hoe duidelijker, dat er misschien veel ter beantwoording dier groote vraag gedaan zou kunnen worden, door namelijk alle feiten die eenige betrekking hadden tot het onderwerp, te verzamelen en onderling te vergelijken. Na vijf jaren van studie in die rigting schreef ik eenige opmerkingen ter neder; in 1844 werkte ik die uit tot eene schets; en van dien tijd tot op den tegenwoordigen heb ik niet opgehouden telkens over het onderwerp na te denken. Ik vermeld deze persoonlijke bijzonderheden slechts met het doel om te bewijzen, dat ik niet te haastig ben geweest in het nemen van een besluit.

Mijn werk is nu bijna gereed, maar wijl ik nog wel twee of drie jaren noodig heb om het zoo volledig mogelijk te maken, en wijl mijne gezondheid verre is van goed te zijn, zoo dacht [ 10 ] het mij goed reeds nu dit uittreksel uit te geven. Ik ben hiertoe voornamelijk aangespoord doordien de heer wallace, welke tegenwoordig de natuurlijke geschiedenis van den Maleischen archipel bestudeert, bijna tot volkomen de zelfde algemeene uitkomsten ten opzigte van het ontstaan der soorten is gekomen, als die welke ik verkregen heb. In het vorige jaar ontving ik van bovengenoemden eene verhandeling over dat onderwerp, met verzoek die aan Sir charles lyell ter hand te stellen, welke haar vervolgens aan de Linneaan Society zond: in het derde deel van het Journaal dier instelling is zij te vinden. Lyell en dr. hooker , die beiden met mijn werk bekend waren—de laatste had mijne schets van 1844 gelezen—gaven mij als hunne meening te kennen, dat het nuttig zijn zou met de verhandeling van wallace tevens eenige uittreksels uit mijn werk in het licht te geven.

Het spreekt van zelf dat dit uittreksel onvolledig moet zijn. Ik kan hier niet naar mijne bronnen verwijzen, maar ik twijfel niet of de lezer zal wel eenig vertrouwen in mijne naauwkeurigheid willen stellen. Er is geen twijfel aan of er zullen fouten en dwalingen in mijn werk zijn, ofschoon ik mij steeds tot goede autoriteiten bepaald heb. Ik kan hier slechts algemeene uitkomsten met eenige voorbeelden opgehelderd geven, doch ik vertrouw dat zij in de meeste gevallen voldoende zullen zijn. Niemand kan meer dan ik overtuigd zijn van de noodzakelijkheid om later in bijzonderheden alle feiten en opmerkingen, waaruit mijne besluiten getrokken zijn, in het licht te geven: ik hoop dat in 't vervolg dan ook te doen. Er wordt geen enkel punt in dit werkje besproken, hetwelk niet gesteund en bewezen kan worden door feiten en waarnemingen, hoewel sommigen daarvan juist tot tegenovergestelde uitkomsten schijnen te leiden. Doch een goed en waar besluit kan slechts verkregen worden indien men alle bewijsgronden en feiten wikt en weegt, en de zaak uit verschillende oogpunten beschouwt: evenwel kan zulks hier onmogelijk geschieden.

[ 11 ] Het spijt mij dat gebrek aan ruimte mij ook belet uitvoerig de goede hulp en den bijstand te vermelden, dien ik van vele natuurkundigen, waarvan sommigen mij persoonlijk geheel onbekend zijn, heb ontvangen. Echter mag ik niet nalaten hier mijne groote verpligting aan dr. hooker te betuigen, die gedurende de laatste vijftien jaren mij in elke rigting geholpen heeft door zijne uitgebreide kundigheden en zijn uitmuntend oordeel.

Als men over het ontstaan der soorten nadenkt, is het volkomen begrijpelijk dat een natuurkundige, die acht geeft op de wederzijdsche verwantschap der bewerktuigde schepselen, op hunnen toestand tijdens het embryonale leven, op hunne verspreiding over de aarde, en op hunne geologische opvolging, tot het besluit kan komen dat elke soort niet onafhankelijk van andere soorten is geschapen, maar, gelijk rassen, van andere soorten afkomstig is. Zulk een besluit, hoe welgegrond ook, zou evenwel onvoldoende zijn zoolang men niet kan aantoonen hoe de ontelbare soorten, die de aarde bewonen, gewijzigd en veranderd zijn geworden en die volkomenheid van inrigting verkregen hebben, welke onze bewondering zoo billijk opwekt. De natuurkundigen beschouwen veelal uitwendige voorwaarden alleen, zooals het klimaat, of het voedsel, als de eenige oorzaak van wijzigingen. Wij zullen in 't vervolg zien dat dit binnen zekere grenzen waarheid mag zijn, maar het is verkeerd en ongerijmd aan zuiver uitwendige oorzaken alleen toe te schrijven, de inrigting van het ligchaam van den specht, den vorm zijner pooten, van zijnen staart, bek en tong, de laatsten zoo wonderbaar geschikt om insekten uit den bast der boomen te halen. En wie zal kunnen beweren dat de vogellijm of marentak, Viscum album, de plant welke haar voedsel uit zekere boomen trekt; welker zaden door bepaalde soorten van vogels moeten worden overgebragt; welker bloemen, van verschillende sexen zijnde, onvoorwaardelijk vorderen dat het stuifmeel van de eene bloem naar de andere door bepaalde insekten wordt [ 12 ] overgebragt—wie zal durven beweren dat die woekerplant zóó is ingerigt door de uitwerkselen van uitwendige voorwaarden alleen, of door die van de gewoonte, of door den wil der plant zelve.

De schrijver van de Sporen der schepping wil, dunkt mij, zeggen, dat na zeker onbekend getal van generatiën de eene of andere vogel voortgebragt heeft een specht, en de eene of andere plant een vogellijm, en dat dezen zijn voortgebragt volkomen zóó als wij hen thans zien. Maar die bewering verklaart ons niets; want zij laat geheel onaangeroerd en onverklaard de vraag hoe de bewerktuigde schepselen geschikt geworden zijn voor elkander en voor de physische voorwaarden des levens.

Het is derhalve van het hoogste belang een helder inzigt te verkrijgen in de middelen waardoor en de wijzen waarop de schepselen gewijzigd en geschikt gemaakt zijn om te kunnen bestaan. In het eerst van mijne studiën reeds scheen het mij toe, dat waarschijnlijk eene zorgvuldige bestudering van de tamme dieren en de verbouwde planten het beste middel zou zijn om dat moeijelijke vraagstuk op te lossen. En mijne verwachting heeft mij niet bedrogen: in dit geval en in vele anderen heb ik bevonden dat het verkrijgen van de kennis, hoe onvolkomen zij ook nog zijn moge, der wijzigingen en veranderingen die door het tam maken en verbouwen veroorzaakt worden, de veiligste weg is om die vraag te beantwoorden. Ik beweer dat zulk eene studie van het hoogste belang is, niettegenstaande zij meestal door de natuurkundigen verwaarloosd wordt.

Wij zullen in het eerste hoofdstuk de wijzigingen behandelen, die de schepselen ten gevolge van het temmen of aan den mensch ondergeschikt worden, ondergaan. Wij zullen zien dat zulke wijzigingen erfelijk worden en als 't ware al meer en meer opgestapeld kunnen worden, en, wat van even veel of misschien van nog meer belang is, wij zullen tevens [ 13 ] zien hoe groot de magt van den mensch is in het opstapelen van zulke schijnbaar zeer onbelangrijke wijzigingen; namelijk door eene keus te doen uit de schepselen, die tot dat doel geschikt zijn.

Vervolgens zullen wij overgaan tot de wijzigingen en veranderingen die de soorten in den wilden of natuurlijken toestand ondergaan. Wij zullen evenwel genoodzaakt zijn dit onderwerp zeer kort en vlugtig te behandelen: het zal weinig meer kunnen worden dan eene opsomming van feiten. Wij zullen desniettemin toch gelegenheid hebben om de omstandigheden, welke het gunstigste zijn voor die wijzigingen, te bespreken.

In het volgende hoofdstuk zullen wij handelen over den strijd om bestaande te blijven: een strijd dien alle bewerktuigde wezens op de geheele aarde moeten strijden, als een onvermijdelijk gevolg van de al voortgaande en voortgaande vermeerdering van hun getal. Dit is de leer van malthus, toegepast op het dierenrijk zoowel als op het plantenrijk. Wijl er veel meer individuen van elke soort geboren worden dan bij mogelijkheid in het leven kunnen blijven, en wijl er tengevolge daarvan een al weêr en al weêr ontbrandenden krijg om bestaande te kunnen blijven moet ontstaan, zoo spreekt het van zelf dat een wezen, hetwelk, al is het slechts in het eene of andere opzigt ten zijnen voordeele boven zijne natuurgenooten uitblinkt, ook den meesten kans zal hebben om de laatsten te overleven, en dus door de natuur zelve zal worden uitverkoren. En door het overerven van wijzigingen is zulk een uitverkoren individu tevens de oorzaak van het bestaan blijven van dat ras in zijnen nieuwen en gewijzigden vorm.

Die keus, welke de natuur zelve doet, en die wij in het vervolg telkens door het woord natuurkeus zullen aanduiden, zal eenigzins uitvoerig in het vierde hoofdstuk behandeld worden. Wij zullen dan zien hoe die natuurkeus het uitsterven [ 14 ] van de minder begunstigde vormen veroorzaakt, en hoe zij aanleiding geeft tot hetgeen wij het uiteenspreiden der kenmerken willen noemen.

In het vijfde hoofdstuk zullen wij over de zamengestelde en nog altijd vrij onbekende wetten spreken, waardoor de wijzigingen en de veranderingen beheerscht worden.

In de vier volgende hoofdstukken behandelen wij de meest in het oog vallende en grootste bezwaren en tegenwerpingen tegen onze leer, namelijk: ten eerste hoe de overgangen ontstaan, dat is hoe het komt dat een eenvoudig wezen of een eenvoudig werktuig volmaakter en veranderd kan worden in een zeer zamengesteld wezen of in een zeer hoog ontwikkeld werktuig; ten tweede het instinkt of de zielvermogens der dieren; ten derde de verbastering of de onvruchtbaarheid der soorten en de vruchtbaarheid der rassen, indien zij onderling gekruist worden; en ten vierde de onvolledigheid der geologische gegevens.

In het tiende hoofdstuk zullen wij de geologische opvolging der bewerktuigde wezens beschouwen; in het elfde en twaalfde hunne verspreiding over de aarde; in het dertiende hunne rangschikking of wederkeerige verwantschappen, zoowel in den rijpen of volkomenen als in den embryonalen toestand. En eindelijk in het laatste hoofdstuk zullen wij een kort overzigt van het geheele werk en tevens eenige aanmerkingen ten besluite geven.

Het is geen wonder dat er nog zooveel onverklaarbaars is in het ontstaan der soorten en rassen, als men bedenkt hoe weinig wij nog weten van de wederkeerige betrekkingen der schepselen, die ons omringen. Wie kan zeggen waarom de eene soort wijd en breed is verspreid en groot van getal is, en waarom eene verwante soort een zeer naauw begrensd gebied heeft en klein is in getal? En toch zijn die verhoudingen van het hoogste belang, want zij bepalen den tegenwoordigen welstand en, naar ik geloof, den toekomenden bloei en de latere [ 15 ] wijzigingen van elken aardbewoner. Doch nog veel geringer is onze kennis van de wederkeerige betrekkingen en verhoudingen tot elkander van de ontelbare bewoners der aarde, gedurende de vele geologische tijdperken harer geschiedenis. Ofschoon er derhalve nog veel duisters is en dat duistere nog langen tijd duister zal blijven, ik twijfel er toch niet aan of het gevoelen van de meeste natuurkundigen, een gevoelen hetwelk ook door mij voorheen werd gehuldigd—namelijk dat elke soort onafhankelijk van de andere geschapen is—zal blijken een dwaalbegrip te zijn. Ik zeg dit na ernstige studie en onpartijdig nadenken. Ik ben ten volle overtuigd dat de soorten niet onveranderlijk, dat is niet bestendig zijn, en dat die soorten, welke tot een en het zelfde geslacht, genus[1], gerekend worden, lijnregt afstammen van de eene of andere, veelal uitgestorvene soort; op de zelfde wijze als de rassen van de eene of andere soort allen van die eene soort afkomstig zijn. En eindelijk, ik ben overtuigd dat de natuurkeus wel het voornaamste maar niet het eenige middel tot verandering en wijziging is geweest, is en zijn zal.



  1. In vele nederduitsche boeken leest men zoowel voor genus, als voor sexe en generatie het woord geslacht. Om verwarring en misverstand te voorkomen, nemen wij dat woord (geslacht) voor genus, terwijl wij overigens sexe en generatie bezigen. Vert.