Darwin - Het ontstaan der soorten (1860)/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inleiding Het ontstaan der soorten van Charles Darwin

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2


[ 16 ]
 

EERSTE HOOFDSTUK.




OVER DE WIJZIGINGEN EN VERANDERINGEN DIE IN DEN TAMMEN STAAT ONTSTAAN.


De oorzaken der veranderingen.—De uitwerkselen der gewoonte.—De erfelijkheid.—Kenmerken van tamme rassen.—De moeijelijkheid om een onderscheid te vinden tusschen rassen en soorten.—Het ontstaan van tamme rassen uit eene of uit verscheidene soorten.—Tamme duiven, hare afkomst en haar onderling verschil.—De beginselen waarnaar men voorheen handelde in het verkiezen van tamme dieren.—Over de opzettelijke en de onopzettelijke keus.—De onbekende afkomst onzer tamme dieren en verbouwd wordende planten.—De omstandigheden, welke den mensch in zijne keus begunstigen.


Indien wij eenige individuen van zeker ras of onderras onzer reeds sedert lang verbouwde planten of onzer getemde dieren beschouwen, dan is een van de eerste bijzonderheden, die onze aandacht treffen, de omstandigheid dat zij in het algemeen meer van elkander verschillen dan zulks bij de individuen van de eene of andere wilde soort of wild ras het geval is. Als wij nadenken en zien welke groote verschillen er onderling tusschen de verbouwde planten en de getemde dieren bestaan—verschillen, die gewisseld hebben en veranderd zijn ten allen tijde, in de meest verschillende klimaten en onder de meest uiteenloopende behandelingen—dan dunkt mij dat wij genoodzaakt zijn te besluiten, dat die groote verschillen eenvoudig te danken zijn aan de omstandigheid, dat onze huisdieren en tuinplanten opgewassen zijn onder voorwaarden die minder eentoonig en [ 17 ] gelijkblijvend waren en ook tevens verschillend van die waaraan de verwante soorten in den wilden staat, in den natuurstaat, waren onderworpen en blootgesteld. Er bestaat, dunkt mij, eenige waarschijnlijkheid dat, het gevoelen van andrew knight waarheid is, namelijk dat die verschillen gedeeltelijk te danken zijn aan overvloed van voedsel. Het is duidelijk dat de bewerktuigde wezens gedurende verscheidene generatiën aan de nieuwe levensvoorwaarden onderworpen moeten zijn geweest, om eene eenigzins belangrijke wijziging te kunnen vertoonen; en dat, als de bewerktuiging eens begonnen is veranderd te worden, zij gemeenlijk volhoudt met gedurende vele generatiën te veranderen. Er is geen enkel geval bekend dat een veranderlijk wezen opgehouden heeft veranderlijk te zijn, zoolang het zich onder de heerschappij van den mensch bevond. Onze oudste verbouwde planten, zooals tarwe en rogge, brengen nog dikwijls nieuwe verscheidenheden voort; onze oudste huisdieren zijn nog altijd vatbaar voor eene snelle wijziging of verbetering.

Er is gevraagd geworden in welk tijdperk des levens de oorzaken der veranderingen, welke zij dan ook mogen zijn, gewoonlijk haren invloed uitoefenen, hetzij in den volwassenen toestand, of in de jeugd, of gedurende de ontwikkeling van het embryo, of op het oogenblik der conceptie. De onderzoekingen van geoffroy st. hilaire bewijzen dat eene onnatuurlijke behandeling van het embryo monsters verwekt, en dat er geen bepaalde grens tusschen monsters en sommige verscheidenheden aan te wijzen is. Ik ben zeer genegen te vermoeden dat de meest voorkomende oorzaak van veranderingen te zoeken is in de mannelijke en vrouwelijke voorttelingwerktuigen, die reeds vóór het bedrijf der conceptie op de eene of andere wijze, misschien ziekelijk, aangedaan waren.

Verscheidene redenen doen mij dit gelooven: de voornaamste daarvan is het merkwaardige uitwerksel hetwelk de opsluiting op de verrigtingen van het voorttelingstelsel heeft. Dat stelsel schijnt veel gevoeliger dan eenig ander gedeelte der bewerktuiging [ 18 ] te zijn voor den invloed van de eene of andere verandering in de voorwaarden des levens. Niets is gemakkelijker dan een dier te temmen, maar er is bijna niets moeijelijker dan te maken dat het zich in de gevangenschap voortplant, zelfs al is het dat men kan bewerken dat mannetje en wijfje zich vereenigen. Hoeveel dieren zijn er niet, die niet willen voorttelen ofschoon zij lang in het leven blijven in eene gansch niet strenge gevangenschap en wel in hun eigen geboorteland. Dit wordt gewoonlijk aan een ontaard instinkt geweten, maar hoeveel verbouwde planten wassen krachtig op en brengen desniettemin zelden of nooit zaad voort. In eenige gevallen van dien aard heeft men waargenomen dat sommige zeer geringe invloeden, zooals een weinig meer of een weinig minder water in sommige tijdperken van den groei, de oorzaak kunnen zijn of eene plant zaad zet of niet. Ik kan hier onmogelijk in de vele bijzonderheden treden, die ik ten opzigte van dit zeer belangrijke onderwerp heb verzameld; maar om te toonen hoe zonderling de wetten zijn, welke de voortplanting der dieren in de gevangenschap beheerschen, maak ik er opmerkzaam op, dat vleeschetende zoogdieren, zelfs zulken die uit warme gewesten afkomstig zijn, niet zelden in ons klimaat in de gevangenschap voorttelen, met uitzondering evenwel van de zooltreders of de familie der beeren; terwijl vleeschetende vogels slechts bij zeer zeldzame uitzondering vruchtbare eijeren leggen. Vele keerkringsplanten hebben bij ons een volkomen onnut stuifmeel, volmaakt gelijk aan het stuifmeel der onvruchtbaarste basterden. Aan den eenen kant zien wij tamme dieren en planten, die, ofschoon zwak en ziekelijk, zich toch in de gevangenschap voortplanten, en aan den anderen kant individuen, die jong gevangen, volkomen getemd en gezond zijn en lang leven, en echter is hun voorttelingstelsel zoo sterk door onbekende en onnaspeurbare oorzaken gewijzigd en aangetast, dat het in 't geheel niet meer werkzaam is. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen dat dit stelsel, als het in de gevangenschap werkzaam moet zijn, geenszins volkomen geregeld [ 19 ] werkt, en dat het jongen voortbrengt, die niet in alle opzigten op de ouden gelijken.

Men zegt: de onvruchtbaarheid is het verderf van den tuinbouw; wij wijten de veranderlijkheid aan de zelfde oorzaken die onvruchtbaarheid te weeg brengen, en de veranderlijkheid is de bron der uitgezochtste voortbrengsels van den tuin. Wij mogen hierbij voegen dat als sommige dieren zich onder de onnatuurlijkste voorwaarden voortplanten, bij voorbeeld konijnen en fretten in hokken levende, zij dan toonen dat hun voorttelingstelsel niet aangetast is, en dat er sommige planten en dieren zijn die tegenstand bieden aan de verbouwing en aan het temmen, en die zeer langzaam veranderd of gewijzigd worden, misschien naauwelijks meer dan in den wilden staat.

Men zou eene lange lijst kunnen geven van "verloopers", dat is van zulke uitspruitsels die somtijds een nieuw en veelal een geheel verschillend karakter vertoonen ten opzigte van het overige der plant. Zulke uitspruitsels kunnen door enten en somtijds door zaad voortgeplant worden. Dergelijke verloopers zijn uiterst zeldzaam in het wild, doch verre van zeldzaam bij verbouwde planten; en in dit geval zien wij dat de behandeling van de moederplant een uitspruitsel heeft aangetast of gewijzigd en niet de eitjes of het stuifmeel. Nu is het de meening van de meeste physiologen, dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tusschen een uitlooper en een eitje in de eerste tijdperken van hun bestaan; zoodat zulke verloopers mijn gevoelen bevestigen, namelijk dat de veranderingen der rassen in groote mate te danken zijn aan het zaad of aan het stuifmeel of aan beiden, en dat zij gewijzigd geworden zijn door de behandeling die de moederplant vóór de conceptie heeft ondergaan. Zulke uitspruitsels bewijzen derhalve, dat eene verandering of wijziging niet noodzakelijk met de voortteling verbonden is, zooals sommige schrijvers vooronderstellen.

Zaailingen van de zelfde vrucht en jongen van de zelfde dragt verschillen somtijds aanmerkelijk van elkander, ofschoon [ 20 ] de jongen zoowel als de ouden, gelijk müller aanmerkt, klaarblijkelijk aan volkomen de zelfde voorwaarden des levens onderworpen geweest zijn. Dit bewijst hoe onbelangrijk de onmiddellijke uitwerkselen van de levensvoorwaarden zijn, in vergelijking met de wetten die de voortteling, den wasdom en de erfelijkheid beheerschen; want indien de werking dier voorwaarden eene onmiddellijke geweest was, dan zou, immers als een der jongen eene wijziging vertoonde, waarschijnlijk ook door alle andere jongen de zelfde wijziging vertoond moeten worden. Het is moeijelijk om te bepalen in hoe verre hitte, vochtigheid, licht, voedsel, en dergelijken een onmiddellijken invloed op de eene of andere verandering uitoefenen: het schijnt dat die werkers een zeer geringen invloed op de dieren, maar een veel grooteren op de planten hebben. Uit dit oogpunt vooral zijn de nieuwste onderzoekingen van buckman zeer opmerkelijk. Als alle of bijna alle individuen, die aan zekere invloeden zijn blootgesteld, op de zelfde wijze aangedaan worden, dan schijnt het of de verandering onmiddellijk aan die invloeden geweten moet worden; maar in sommige gevallen kan men aantoonen en bewijzen dat volkomen tegenovergestelde verhoudingen geheel gelijke veranderingen van de inrigting des ligchaams verwekken. Desniettemin houd ik het er voor, dat toch sommige geringe veranderingen toegeschreven mogen worden aan de onmiddellijke werking van sommige voorwaarden des levens, zooals grooteren wasdom door vermeerdering van voedsel; verandering van kleur door bepaalde voedsels of door het licht; het dikker worden van de vacht door het klimaat.

Ook de gewoonte heeft een zeer stelligen invloed, blijkbaar onder anderen uit den tijd waarop zulke planten bloeijen, die uit het eene klimaat in het andere overgebragt worden. Ook bij de dieren vertoont zich die invloed: de vleugelbeenderen van de tamme eend wegen minder en de beenderen van de pooten meer, in verhouding tot het geheele geraamte, dan de zelfde beenderen van de wilde eend; en het schijnt mij toe, dat die [ 21 ] wijziging veilig daaraan mag worden toegeschreven, dat de tamme eend veel minder vliegt en veel meer loopt dan haar wilde bloedverwant. De groote en erfelijke ontwikkeling van de uijers der koeijen en geiten, in landen waarin zij dagelijks gemolken worden, vergeleken met den toestand dier deelen in andere landstreken, waar het melken niet in gebruik is, geeft ons een ander voorbeeld van de uitwerkselen der gewoonte. Er is geen enkel tam huisdier op te noemen, hetwelk niet in sommige landen hangende ooren heeft, en het gevoelen dier schrijvers, welke beweren, dat die hangende ooren niets anders zijn dan een gevolg van het niet gebruiken der oorspieren, omdat die dieren voor geen gevaar behoeven te vreezen, is voorzeker zeer aannemelijk.

Er zijn vele wetten die de wijzigingen en veranderingen regeren en sommigen daarvan zijn vrij verstaanbaar: ook zullen wij daarover in het vervolg het noodige zeggen. Hier bepalen wij ons slechts bij hetgeen men "het verband of de betrekking van het eene deel op het andere" zou kunnen noemen. Zekere verandering in het embryo of in de larve zal zekerlijk ook veranderingen in het rijpe dier ten gevolge hebben. Bij monsters zijn de betrekkingen tusschen volkomen onderscheidene deelen soms zeer zonderling: in het groote werk van isidore geoffroy st. hilaire vindt men daarvan vele voorbeelden. De veefokkers beweren dat lange ledematen altijd vergezeld gaan van een langen kop. Sommige betrekkingen der deelen tot elkander zijn hoogst grillig en zonderling: zoo zijn katten met blaauwe oogen altijd en onveranderlijk doof. De kleur en andere ligchamelijke bijzonderheden staan ook veeltijds met elkander in verband, waarvan men vele opmerkelijke voorbeelden zoowel bij de dieren als bij de planten vindt. Uit de door heusinger verzamelde feiten schijnt het te blijken dat witte schapen en varkens andere uitwerkselen van plantaardige vergiften ondervinden dan anders gekleurde dieren. Kaalhuidige honden hebben onvolkomene tanden; langharige en krulharige [ 22 ] dieren hebben, naar men wil, groote geschiktheid om lange en vele hoorns te verkrijgen; duiven met bevederde pooten hebben een vlies tusschen de twee buitenste teenen; duiven met korte bekken hebben kleine, en duiven met lange bekken groote pooten. Vandaar dat als men dergelijke bijzonderheden uitkiest en dus ophoopt, men tevens onopzettelijk en onwillekeurig andere deelen des ligchaams zal wijzigen, als een gevolg van het geheimzinnige verband dat er tusschen de verschillende ligchaamsdeelen bestaat.

Het uitwerksel van de verschillende òf volkomen onbekende òf onvolkomen bekende wetten die de wijzigingen besturen, is even onderscheiden en raadselachtig als die wetten zelven. Het is wel de moeite waard de verschillende verhandelingen, die er over, onze van oudsher verbouwde planten, zooals over den hyacinth, den aardappel en vele anderen bestaan, naauwkeurig en zorgvuldig te bestuderen; en het is waarlijk verwonderingwekkend de ontelbare punten op te teekenen, waarin de rassen en onderrassen van elkander verschillen, al mogen die verschillen slechts gering schijnen. De geheele bewerktuiging schijnt vervormbaar geworden te zijn, en eene strekking te hebben verkregen om in kleinigheden van den oorspronkelijken grondvorm af te wijken.

Eene niet erfelijke wijziging is voor ons van geen belang. Doch het getal en de verscheidenheid van erfelijke afwijkingen, zoowel van een gering als van een zeer groot physiologisch belang, zijn oneindig. Het werk van dr. prosper lucas, twee lijvige boekdeelen, is het beste en volledigste over dit onderwerp. Er is geen veefokker of hij is overtuigd van de groote geneigdheid tot overerven, die sommige eigenschappen vertoonen. "Gelijk brengt gelijk voort," is zijn gewoon gezegde, en het kon slechts in het brein van menschen zonder ondervinding opkomen om aan de erfelijkheid te twijfelen. Als de eene of andere afwijking van den normalen toestand dikwijls voorkomt, en wij haar in den vader en in het kind geopenbaard zien, dan moeten wij gelooven dat zij een uitwerksel is van de [ 23 ] zelfde oorzaak die op beiden heeft gewerkt. Maar wanneer onder individuen, klaarblijkelijk aan den zelfden invloed blootgesteld, de eene of andere zeer zeldzame afwijking wordt waargenomen, eene afwijking die aan een buitengewonen zamenloop van omstandigheden toe te schrijven is, ja al is het dat zij slechts eenmaal onder een getal van verscheidene millioenen individuen wordt gezien, en als wij vervolgens zien dat die afwijking van den vader op den zoon overgaat en zich weder vertoont—dan immers blijft ons niets anders over dan ook haar toe te schrijven aan de zelfde erfelijkheid. Iedereen weet gevallen op te noemen van albinismus, huidvlekken, zeer weligen haargroei en dergelijke dingen bij de leden van de zelfde familie voorkomende. Indien vreemde en zeldzame afwijkingen waarlijk erfelijk zijn, dan mogen wij ten minste minder vreemde en minder zeldzame afwijkingen wel met vrijmoedigheid voor erfelijk verklaren. Het is niet ongerijmd te stellen dat de erfelijkheid van het eene of andere kenteeken regel, en de niet erfelijkheid uitzondering is.

De wetten die de erfelijkheid regeren zijn volkomen onbekend: niemand kan zeggen waarom eene bijzonderheid van onderscheidene individuen eener zelfde soort, of van individuen van verschillende soorten somtijds erfelijk is en somtijds niet; waarom het kind niet zelden door zekere bijzonderheden op zijnen grootvader of grootmoeder of nog verder verwijderde bloedverwanten gelijkt; waarom zekere bijzonderheid veeltijds overgebragt wordt van de eene sexe tot beide sexen of tot eene sexe alleen, en wel gewoonlijk, maar niet bij uitsluiting, tot de zelfde sexe. Het is bekend, maar voor ons hier niet van zeer veel gewigt, dat sommige bijzonderheden van de mannetjes onzer huisdieren veeltijds overgebragt worden, hetzij bij uitsluiting, hetzij in veel sterkeren graad, op de mannelijke jongen alleen. Veel belangrijker is de waarneming dat, als zekere bijzonderheid zich voor het eerst in een bepaald tijdperk des levens vertoont, zij altijd geneigd is om ook in de [ 24 ] nakomelingen op den daaraan beantwoordenden tijd te voorschijn te komen, hoewel somtijds vroeger. In vele gevallen kan dit ook niet anders: de overerfelijke bijzonderheden der hoorns van het rund kunnen zich slechts dan en niet eerder bij het kalf vertoonen, dan ten tijde waarop de hoorns zich ontwikkelen; bijzonderheden van den zijdeworm vertoonen zich steeds, hetzij in den rups- hetzij in den poptoestand, op den zelfden tijd waarop zij bij de ouders waargenomen werden. Maar erfelijke ziekten en andere dergelijke omstandigheden doen mij gelooven dat de bovengenoemde regel bovendien in ruimeren zin gevolgd wordt, en dat, al is er geen reden op te sporen waarom zekere bijzonderheid zich op den eenen of anderen leeftijd moet vertoonen, zij toch altijd eene neiging vertoont om in de nakomelingen op den zelfden tijd te verschijnen, waarop zij bij de ouders voor het eerst verschenen is. Ik geloof dat deze regel van het hoogste gewigt is in de kennis van de wetten des embryonalen levens. Doch onze opmerkingen bepalen zich slechts tot het te voorschijn komen van eene bijzonderheid en niet tot de eerste oorzaak daarvan, welke misschien in de eitjes of in het mannelijke element reeds werkzaam is geweest. Wij zien bij het gekruiste jong van eene korthoornige koe en een langhoornigen stier, dat de lengte der hoorns, hoewel zich eerst veel later in het leven vertoonende, toch klaarblijkelijk aan het mannelijke element te danken is.

Wij moeten hier een enkel woord spreken over hetgeen sommige natuurkundigen beweren, namelijk dat onze tamme huisdieren, zoodra zij in den wilden staat kunnen terugkeeren, langzaam maar zeker wederom de oorspronkelijke kenmerken van den wilden voorvader verkrijgen. Daaruit heeft men willen beweren dat men niet van tamme rassen tot wilde soorten mogt besluiten. Ik heb vruchteloos getracht te ontdekken op welke bepaalde feiten de bovengemelde stelling mogt steunen, en het bewijs dat zij waarheid is zou hoogst moeijelijk te [ 25 ] leveren zijn: wij mogen veilig stellen dat het voor eene menigte rassen van tamme dieren volkomen onmogelijk is om in den wilden staat te leven. In vele gevallen weten wij niet hoe en wat de wilde stam was, en kunnen derhalve onmogelijk uitmaken of er de eene of andere terugkeer heeft plaats gehad of niet. Het zou noodzakelijk zijn, ten einde eene kruising met hare gevolgen te beletten, dat slechts een enkel ras in een nieuw vaderland vrij gelaten werd. Ik stem toe dat het waar is dat sommige rassen nu en dan in sommige kenmerken tot den voorouderlijken vorm terugkeeren. Het is niet onwaarschijnlijk dat, als het mogelijk was om gedurende verscheidene generatiën aaneen, b. v. de verschillende verscheidenheden van kool op een zeer schralen grond te verbouwen, zij grootendeels ja zelfs wel geheel en al tot de oorspronkelijke wilde koolplant zouden terugkeeren. Dat men die terugkeer voor een groot gedeelte aan den invloed van den schralen bodem moet toeschrijven, is vrij duidelijk. Doch hetzij die proefneming gelukte of niet, zij is voor onze redenering niet van belang, want door die proefneming zijn de levensvoorwaarden veranderd geworden.

Als men aantoonen kon dat onze huisdieren duidelijk naar terugkeer streefden, dat is als zij hunne verkregene kenmerken verloren terwijl zij in de zelfde omstandigheden bleven verkeeren, en terwijl zij in groote kudden bij elkander leefden, zoodat eene vrijwillige kruising de ontwikkeling van sommige toevallige afwijkingen door wederzijdsche vermenging zou kunnen beteugelen—in dat geval stem ik toe zouden wij niet van tamme rassen tot soorten mogen besluiten. Maar er is geen schaduw van waarschijnlijkheid ten voordeele van dat gevoelen: te beweren dat wij niet in staat zijn om gedurende eene eindelooze reeks van generatiën trekpaarden en harddravers, runderen met korte en met lange hoorns, duiven met paauwstaarten en met befjes aan te fokken, of sappige boomvruchten te kweeken, is iets wat door de ondervinding ten [ 26 ] volle gelogenstraft wordt. Ik stem toe dat als in den natuurstaat de levensvoorwaarden veranderen er ook zeer waarschijnlijk terugkeer en veranderingen van sommige kenmerken gezien zullen worden, maar de natuurkeus zal bepalen, gelijk wij later willen behandelen, in hoe verre de nieuwe, op die wijze opgekomene kenmerken zullen blijven bestaan.

Beschouwen wij de erfelijke verscheidenheden of rassen onzer huisdieren en onzer verbouwde planten, en vergelijken wij die met naverwante soorten, dan vinden wij veelal in elk tam ras, zoo als wij reeds aangetoond hebben, eene geringere eenvormigheid van kenmerken dan in de echte soorten. Ook hebben de tamme rassen van zekere soort dikwijls een min of meer monsterachtig karakter. Ik bedoel hiermede dat, ofschoon zij slechts in verscheidene zeer geringe punten van elkander en van andere soorten van het zelfde geslacht verschillen, zij echter zelfs in den hoogsten graad in het eene of andere deel onderscheiden zijn, zoowel het eene ras vergeleken met het andere, als ook indien men zeker ras vergelijkt met alle wilde soorten, waaraan dat ras het naast is verwant. Met deze uitzonderingen—daarbij ook gerekend de volkomene vruchtbaarheid der rassen die onderling gekruist worden—een onderwerp waarover wij later zullen spreken—verschillen de tamme rassen van eene soort op de zelfde wijze van elkander, mits veelal in minderen graad, dan naverwante soorten van een en het zelfde geslacht in den natuurstaat van elkander onderscheiden zijn. Dit moeten wij toestemmen als wij zien dat er naauwelijks een tam ras van dieren of planten aan te wijzen is, hetwelk niet door sommige natuurkundigen voor niets meer dan eene toevallige afwijking is verklaard geworden, terwijl het door anderen voor eenen afstammeling van eene oorspronkelijk verschillende soort is gehouden. Als er een wel kenbaar onderscheid bestond tusschen tamme rassen en soorten, zou men in dit opzigt voorzeker niet zooveel twijfel en onzekerheid aantreffen. Men heeft dikwijls beweerd dat tamme rassen niet van elkander [ 27 ] verschillen in zulke kenmerken die eene waarde van geslachtkenmerken bezitten. Ik meen te kunnen bewijzen dat die bewering onhoudbaar is; maar de natuurkundigen loopen zoo ver uiteen in de bepaling van geslachtkenmerken, dat wij veilig mogen gelooven dat die bepaling nog gemaakt moet worden. Bovendien, wij hebben met het oog op de wijze waarop de geslachten zijn ontstaan, geen regt om te verwachten dat wij dikwijls echte geslachtkenmerken bij onze huisdieren en verbouwde planten zullen waarnemen.

Als wij trachten de ligchamelijke verschillen van de tamme rassen eener soort op hunne juiste waarde te schatten, dan vervallen wij weldra in twijfeling en onzekerheid; immers wij weten niet of zij van eene stamsoort of van onderscheidene stamsoorten afkomstig zijn. Het zou van het hoogste belang zijn als dit duistere punt opgeklaard kon worden; als het bewezen kon worden dat de hazewind, de dog, de poedel, de mops en de brak, die allen hunne ligchamelijke kenmerken zoo getrouw aan hunne nakomelingen overgeven, van eene enkele soort afkomstig waren. Immers zoo iets zou een groot gewigt in de schaal leggen om ons te doen twijfelen aan de onveranderlijkheid der soorten. Ik geloof niet, dat het geheele zoo groote verschil tusschen de onderscheidene bovengenoemde dieren te wijten is aan het tam maken alleen. Ik geloof dat een gering gedeelte van het verschil daaraan toe te schrijven is, dat zij van onderscheidene soorten afstammen. Doch van eenige andere getemde soorten bestaat er een groot vermoeden, ja zelfs eene groote waarschijnlijkheid, dat allen van eene enkele wilde soort afkomstig zijn.

Dikwijls heeft men beweerd dat men voor het temmen vooral zulke dieren en planten uitgekozen heeft, die eene buitengewoon groote neiging tot verandering en eveneens eene buitengewoon groote geschiktheid om aan verschillende klimaten weêrstand te bieden, bezaten. Ik ontken volstrekt niet dat die eigenschappen grootelijks medegewerkt zullen hebben om onze meeste huisdieren en tuinplanten tot voorwerpen van eene groote waarde voor [ 28 ] ons te maken; maar hoe kon een Wilde bij mogelijkheid weten, toen hij voor het eerst een dier tam maakte, of het in volgende generatiën zou veranderen en of het andere luchtstreken zou kunnen verdragen? Heeft de geringe veranderlijkheid van den ezel of van het parelhoen, heeft de geringe geschiktheid van het rendier om warmte, en van den kameel om koude te verduren, ooit verhinderd dat zij getemd zijn geworden? Ik twijfel er in het minst niet aan of indien men andere dieren en planten nam, in een even groot getal als onze tamme en verbouwde schepselen, behoorende tot even verschillende klassen en uit even verschillende klimaten—indien men de zoodanigen uit den natuurstaat rukte en maken kon dat zij evenveel generatiën in den tammen staat voortbragten, dan zouden zij ongetwijfeld even groote veranderingen en wijzigingen ondergaan, als onze huisdieren en tuinplanten ondergaan hebben.

Ik geloof dat het niet mogelijk is om van de meesten onzer van oudsher tamme dieren en planten zekerheid te verkrijgen, of zij van eene of van verscheidene wilde soorten afstammen. Zij die aan een veelvoudigen oorsprong onzer tamme dieren gelooven, beroepen zich op de omstandigheid dat wij in de oudste oorkonden, voornamelijk op de monumenten van Egypte, eene groote verscheidenheid van rassen aantreffen, en dat sommigen van die rassen zeer gelijk zijn aan, ja zelfs somtijds volkomen de zelfden zijn als de rassen die nog heden bestaan. Zelfs al was het laatste een feit, beter bewezen dan het tot heden is, wat bewijst het dan nog? Niets anders dan dat eenigen onzer rassen reeds voor vier of vijfduizend jaren dáár bestonden. De onderzoekingen van horner hebben het zeer waarschijnlijk gemaakt, dat er reeds veertien of vijftien duizend jaren geleden menschen in het Nyldal woonden, die beschaafd genoeg waren om potten te bakken; en wie zal ons nu zeggen hoe lang vóór dien tijd er in Egypte Wilden geleefd hebben, die een half getemden hond bezaten, gelijk de Wilden van het Vuurland of van Nieuw-Holland nog heden bezitten?

[ 29 ] De geheele zaak schijnt voor als nog onverklaarbaar te blijven. Zonder hier evenwel in bijzonderheden te treden, meen ik te mogen stellen, gesteund door aardrijkskundige en andere gegevens, dat onze tamme honden zeer waarschijnlijk van verschillende wilde soorten afstammen. Wij weten dat de Wilden gaarne dieren temmen, en dit bedenkende schijnt het mij ongerijmd te gelooven, dat sedert de mensch op aarde verschenen is, en terwijl het geslacht Canis in wilden staat over de geheele aarde is verspreid, slechts eene enkele soort daarvan door den mensch zou zijn getemd geworden. Ten opzigte van schapen en geiten durf ik niets beslissen. Het komt mij voor, hoofdzakelijk naar hetgeen blyth mij heeft medegedeeld ten opzigte van de zeden, de stem en het gestel van de gebulte indische runderen, dat die dieren van eene andere soort afstammen dan waarvan de europesche runderen afkomstig zijn; en verscheidene natuurkundigen gelooven dat dezen laatsten meer dan eenen wilden stamvader gehad hebben. Om redenen die ik hier niet kan vermelden, ben ik genegen, hoewel steeds twijfelende, te gelooven, in tegenstelling met de meeste schrijvers, dat alle rassen onzer paarden van eene enkele wilde soort afstammen. blyth wiens meening ik wegens zijne groote en verschillende kundigheden hooger schat dan die van bijna alle andere schrijvers, houdt het er voor dat alle hoenderrassen afkomstig zijn van het gewone wilde indische hoen, Gallus bankiva. En wat de eenden en konijnen betreft, hoe de rassen onderling ook mogen verschillen, ik twijfel echter niet of zij zijn allen afstammelingen van de gewone wilde eend en van het wilde konijn.

De leer van het ontstaan onzer verschillende tamme rassen uit verschillende wilde soorten is door sommige schrijvers tot een ongerijmd uiterste gedreven. Zij gelooven dat elk ras, hetwelk zich onveranderd voortplant, al zijn de onderscheidende kenmerken ook nog zoo onmerkbaar, zijn eigenen wilden grondvorm, prototype, heeft gehad. Als dat waar was, dan moest er eene geheele reeks soorten van wilde runderen, van schapen [ 30 ] en geiten in Europa bestaan hebben. Zeker schrijver beweert zelfs dat er voorheen elf soorten van wilde schapen in Engeland alleen bestaan hebben! Als wij bedenken dat Groot-Brittanje geen enkel zoogdier bij uitsluiting aan dat land eigen bezit; dat Frankrijk slechts weinigen heeft welke van die van Duitschland onderscheiden zijn, en omgekeerd; dat het zelfde het geval is met Spanje, Hongarije en andere landen, maar dat elk van die landen wel verschillende rassen van runderen, schapen en geiten bezit, dan moeten wij toegeven dat er vele tamme rassen in Europa ontstaan zijn: immers vanwaar zouden zij gekomen zijn, indien die verschillende landen niet zeker aantal bijzondere soorten als moedersoorten hadden gehad? Zoo is het ook in Indie. Zelfs ten opzigte van den tammen hond, die over de geheele aarde verspreid is, en waarvan ik volkomen toestem dat hij waarschijnlijk van onderscheidene wilde soorten afstamt, twijfel ik toch in het minste niet of hij moet eene ontzaggelijke menigte erfelijke veranderingen ondergaan hebben.

Wie kan gelooven, dat een dier zooals een hazewind, een dog, een patrijshond—allen zoo grootelijks van alle wilde Canidae verschillende—ooit als wilde dieren hebben kunnen bestaan? Men heeft beweerd, dat al onze rassen van honden voortgekomen zijn uit de kruising van eenige weinige wilde soorten; maar door het kruisen kunnen wij geen andere vormen bekomen dan zulken die als 't ware het midden houden tusschen de ouders: en als wij dit dus op onze tamme rassen toepassen, dan moeten wij gedwongen zijn te stellen, dat vroeger de meest in 't oog vallende vormen, zooals de windhond, de dog en anderen, in het wild geleefd hebben. Ook heeft men zich de mogelijkheid om door kruising bijzondere rassen voort te brengen, zeer overdreven voorgesteld. Er is geen twijfel aan of een ras kan gewijzigd worden door kruising, als men er op let om juist zulke individuen uit te kiezen, welke het eene of andere verlangde kenmerk bezitten; maar dat een ras bijna onmiddellijk verkregen kan worden door de kruising van twee uiterst verschillende rassen [ 31 ] of soorten, is iets wat mij ongeloofelijk voorkomt. j. sebright nam juist in dezen zin eene menigte proeven, maar allen mislukten. De jongen van de eerste kruising tusschen twee zuivere rassen zijn vrij gelijk aan de ouden, wat mij vooral bij duiven gebleken is, en de proef schijnt wel te gelukken; maar wanneer die jongen onderling gedurende eenige generatiën gekruist worden, zullen er naauwelijks twee individuen op elkander gelijken, en het wordt duidelijk hoe moeijelijk of liever onmogelijk het is op die wijze een ras te doen ontstaan. Een ras, ontstaan uit de kruising van twee zeer onderscheidene rassen, kan niet zonder de grootste voorzorgen en eene langdurige opmerkzaamheid op de individuen, die men ter voortplanting bestemt, verkregen worden: ik ken slechts één voorbeeld van een blijvend ras, dat op die wijze gevormd is.




OVER DE RASSEN DER TAMME DUIF.


Om het boven behandelde belangrijke onderwerp naauwlettend te kunnen bestuderen, kwam het mij het best voor, mij tot eene enkele groep te bepalen: na rijpe overweging koos ik daartoe de tamme duiven. Elk ras dat ik slechts kon bekomen, heb ik mij aangeschaft; en bovendien heb ik uit bijna alle gedeelten der wereld huiden van duiven ontvangen, vooral uit Indie door w. elliot en uit Perzie door c. murray. Ik heb mij bij verschillende groote duivefokkers vervoegd, en betrekkingen aangeknoopt met twee van de londensche Pigeon Clubs. Welk een ontzaggelijk groot onderscheid is er tusschen de verschillende rassen! Vergelijk de postduif eens met den kortbekkigen tuimelaar, en zie hoeveel de bekken dier beide duiven, en ten gevolge daarvan ook de schedels, van elkander verschillen! De postduif, vooral de doffert, is bovendien merkwaardig wegens de knobbelige, vleezige huid rondom den bek, en behalve die huid wegens de zeer groote oogleden, de wijde uitwendige openingen der [ 32 ] neusgaten en de wijd openende bek. De kortbekkige tuimelaar heeft een bek bijna als die van eenen vink, en de gewone tuimelaar heeft eene zonderlinge erfelijke gewoonte, namelijk die van zeer hoog in de lucht in eene digte schaar te vliegen en in de vlugt zich al tuimelende te laten vallen. De slink is eene groote duif met dikken bek en lange pooten; sommige onderrassen van slinken hebben vrij lange halzen; anderen lange vleugels en staarten; nog anderen bijzonder korte staarten. De kropper heeft een lang lijf, lange vleugels en pooten, en vooral zijn ontzaggelijk ontwikkelde krop, die met de heerlijkste kleuren schittert als hij opgeblazen is, wekt de bewondering van den mensch op. Het meeuwtje heeft een zeer kleinen, kegelvormigen bek en eene strook omgekrulde vederen op de borst; ook heeft het de zonderlinge gewoonte van het bovenste gedeelte van zijnen slokdarm steeds een weinig uitgezet te houden. De raadsheer heeft een krans van omgekrulde vederen rondom den hals, zoodat daardoor eene soort van kap gevormd wordt. De paauwstaart heeft dertig en zelfs veertig staartvederen in plaats van twaalf of veertien, het gewone getal bij alle leden van de groote duivenfamilie; en die staart wordt uitgespannen gehouden en zoo sterk regtstandig naar boven gerigt, dat bij goede paauwstaarten de kop en de staart elkander aanraken, terwijl de smeerklier volkomen ontbreekt. En nu spreken wij nog niet eens van eene bijna ontelbare menigte minder in het oog vallende verschillen.

In de geraamten van de verschillende rassen is een ongeloofelijk groot onderscheid: zooals in de ontwikkeling, de lengte, de breedte en de kromming van de schedelbeenderen. De gedaante zoowel als de breedte en de lengte van den opgaanden tak der onderkaak verschillen grootelijks. Het getal der staart- en heiligbeenwervelen is ongelijk, wat ook het geval is met het getal der ribben, gepaard met hare betrekkelijke breedte, lengte en het al of niet bezitten van uitsteeksels. De vorm en de wijdte van de openingen in het borstbeen zijn zeer [ 33 ] verschillend; ook is zulks het geval met den stand en de betrekkelijke gedaante der beide armen van het vorkbeen. De wijdte van den bek, de lengte der oogleden, de wijdte der neusgaten, de lengte van den tong—geenszins altijd in volkomene overeenstemming met de lengte van den bek—de grootte van den krop en van het bovenste gedeelte des slokdarms, de ontwikkeling of het ontbreken van de smeerklier, het getal van de slag- en staartpennen, de betrekkelijke lengte van den staart en de vleugels tot elkander of tot het geheele ligchaam, de betrekkelijke lengte van de pooten en teenen, het getal schilden op de teenen—al die dingen verschillen bij de onderscheidene rassen. Ook verschilt het tijdstip waarop de volkomene vederdos verkregen wordt, de toestand van het dons waarmede de jongen bekleed zijn op het oogenblik dat zij uit het ei komen, de grootte en de vorm der eijeren, de wijze van vliegen, en zelfs de stem en de houding. Eindelijk verschillen bij sommige rassen de sexen zoo weinig, dat zij bijna niet van elkander te onderscheiden zijn.

Ten gevolge nu van al die verschillen zou men in staat zijn om eenige duiven uit te kiezen, die, wanneer zij onder den naam van wilde dieren aan eenen ornitholoog vertoond werden, door hem ongetwijfeld voor wel bepaalde soorten zouden worden gehouden. Ik geloof zelfs niet dat er een ornitholoog is die de postduif, den tuimelaar, den slink, den kropper en den paauwstaart in een en het zelfde geslacht zou plaatsen, vooral wijl men hem bij elk van die rassen verscheidene erfelijke onderrassen of soorten, zooals hij die zou genoemd hebben, zou kunnen vertoonen.

Hoe groot het verschil tusschen de rassen der duiven ook zijn moge, ik ben evenwel volkomen overtuigd dat het gevoelen der natuurkundigen waarheid is, namelijk dat alle tamme duiven afstammen van de wilde duif, Columba livia[1]. Wijl [ 34 ] verscheidene redenen mij tot die overtuiging gebragt hebben, en omdat eenigen daarvan tevens in zekere mate op andere gevallen van toepassing zijn, zoo wil ik die hier kortelijk vermelden. Indien de verschillende rassen van tamme duiven geene verscheidenheden zijn en niet van de wilde duif afstammen, dan moeten zij afkomstig zijn van ten minste zeven of acht oorspronkelijk wilde soorten, want het is onmogelijk om de tegenwoordige tamme rassen door de kruising van een kleiner getal soorten voort te brengen; hoe zou een kropper door de kruising van twee rassen ontstaan zijn, tenzij een der moederrassen den kenmerkenden ontzaggelijken krop had bezeten? Die vooronderstelde oorspronkelijke soorten moeten allen klipduiven geweest zijn, dat is zulke duiven die niet in boomen nestelen of vrijwillig op boomtakken zitten. Nu zijn er, behalve C. livia met hare ondersoorten in sommige landen, slechts twee of drie andere soorten van klipduiven bekend, en dezen hebben geen enkel kenmerk van de tamme rassen. Derhalve moeten de vooronderstelde soorten óf nog bestaan in de landstreken waarin zij oorspronkelijk getemd zijn geworden, en in dat geval thans bij de ornithologen onbekend zijn, en dit is zeer onwaarschijnlijk, óf zij moeten in wilden toestand uitgeroeid zijn geworden. Nu zijn vogels die op klippen nestelen en goede vliegers zijn, zeer moeijelijk uit te roeijen; en de gewone wilde duif, welke de zelfde gewoonten heeft als onze tammen, is niet uitgeroeid geworden en leeft nog altijd op verscheidene kleine eilandjes bij Engeland en op de kusten der Middellandsche zee. De vooronderstelde uitroeijing van zooveel soorten, die de zelfde levenswijze voerden als de wilde duif, schijnt mij toe onmogelijk te zijn. Bovendien, de verschillende bovengenoemde tamme rassen zijn naar alle gedeelten der aarde overgebragt, en derhalve moeten sommigen ook weder in hun vaderland terug gekomen [ 35 ] zijn, maar geen van allen is ooit weder wild geworden, ofschoon de veldvlieger of de gib—welke de wilde duif in zeer weinig gewijzigden toestand is—op sommige plaatsen verwilderd voorkomt. En verder, de ondervinding leert dat het hoogst moeijelijk is van een wild dier te verkrijgen dat het zich in de gevangenschap voortplant; en echter zou men bij de stelling van de veelvoudige afkomst onzer duiven moeten aannemen, dat ten minste zeven of acht soorten in vorige tijden door half beschaafde menschen er toe gebragt waren geworden, om in de gevangenschap vrijwillig voort te telen.

Nog iets, hetwelk mij van zeer veel gewigt schijnt te zijn, en dat tevens op verscheidene andere gevallen van toepassing is, bestaat hierin, dat de bovengemelde tamme rassen, ofschoon in het algemeen in gewoonten, stem, kleur, en dergelijken met de wilde duif overeenstemmend, echter ongetwijfeld in sommige deelen van het ligchaam zeer veel daarvan afwijken: wij kunnen te vergeefs in de geheele groote familie der Columbidae rondzien, om een bek te vinden als die van de postduif; omgekrulde vederen als die van het meeuwtje of van den raadsheer; een krop als die van den kropper; staartvederen als die van den paauwstaart. En derhalve moeten wij gelooven dat de half beschaafde mensch, die het eerst ondernam duiven tam te maken, niet maar genomen heeft wat hem het eerst voor de hand lag, maar dat hij met opzet eenige zeer buitengewoon abnormale soorten heeft uitgekozen; en verder dat sedert dien tijd al die zonderlinge soorten volkomen uitgestorven, of wel volkomen onbekend geworden zijn. Zulk een zamenloop van wonderbare omstandigheden komt mij voor in den hoogsten graad onwaarschijnlijk te zijn.

Sommige feiten ten opzigte van de kleur der duiven verdienen zeer onze aandacht. De wilde duif is leikleurig met een witten onderrug (de indische ondersoort, Columba intermedia van strickland, is op die plaats blaauw), de staartpennen hebben zwarte punten, en de uitwendige vlag der buitenste [ 36 ] staartpennen is wit. Over de vleugels loopen twee zwarte dwarsbanden, terwijl sommige half tamme en eenige volkomen wilde broedsels behalve die dwarsbanden zwarte vlekken op de vleugels hebben. Deze verschillende kenmerken vindt men bij geene andere wilde soort der geheele familie vereenigd. Doch bij alle echte rassen onzer tamme duiven vindt men al die kenmerken weder, zelfs de witte vlag der buitenste staartpennen ziet men bij den echten blaauwkropper. Bovendien, wanneer twee duiven, tot twee onderscheidene rassen behoorende, gekruist worden, niettegenstaande geen van beiden blaauw is of een der bovengenoemde kenmerken heeft, dan ziet men dat de kruislingen zeer spoedig die kenmerken aannemen. Ik liet eenige zuiver witte paauwstaarten paren met eenige zuiver zwarte moorduiven, en de jongen werden zwarte en roode tijgers: die getijgerde duiven liet ik onderling voorttelen en ziet! een kleinkind van den zuiver witten paauwstaart en van den zuiver zwarten moor kreeg, toen hij volwassen was, de blaauwe kleur met den witten onderrug, den zwarten dubbelen dwarsband, de witte vlag en de zwarte punten der staartpennen van de wilde duif! Wij kunnen dit begrijpen, wijl wij weten dat het een wel bewezen feit is, dat er steeds een streven plaats heeft om tot de kenmerken der voorouders terug te keeren, en hieruit blijkt dus ten duidelijkste, dat al onze tamme rassen van de wilde duif afstammen. Maar als wij dit ontkennen, dan zijn wij genoodzaakt een van de volgende hoogst onwaarschijnlijke vooronderstellingen te maken. Vooreerst: óf alle verschillende ingebeelde moedersoorten waren van kleur en van kenmerken volkomen gelijk aan de wilde duif, ofschoon geen enkele thans bestaande soort zoo van kleur en teekening is; óf, ten tweede, elk ras, zelfs het zuiverste, is binnen de tien of ten minste binnen de twintig laatste generatiën met de wilde duif gekruist geworden. Ik zeg met opzet tien of twintig generatiën, want wij hebben geen enkel feit hetwelk ons kan doen gelooven dat een kind ooit tot de [ 37 ] kenmerken van zijnen voorvader terugkeert, indien beiden door een grooter getal generatiën van elkander gescheiden zijn. In een ras hetwelk slechts eens met een verschillend ras is gekruist geworden, zal de neiging om tot de kenmerken van dat bijgekomene ras terug te keeren, natuurlijk al minder en minder worden, wijl er in de opvolgende generatiën al minder en minder vreemd bloed aanwezig is. Maar wanneer er geen kruising met een vreemd ras heeft plaats gehad, en er eene strekking in beide ouders is om terug te keeren tot een kenmerk, hetwelk gedurende eenige generatiën verborgen gebleven was, dan zal die strekking bestaande blijven en onverminderd overgebragt worden in een onbepaald getal van generatiën. Deze twee zeer verschillende gevallen vindt men niet zelden in beschouwingen over de erfelijkheid met elkander verward.

Eindelijk, de basterden, dat is de kruislingen van alle rassen onzer tamme duiven zijn volkomen vruchtbaar. Ik durf dit met te meer regt verzekeren, wijl ik opzettelijk met de meest verschillende rassen proefnemingen in dezen zin gedaan heb. Nu is het hoogst moeijelijk, ja misschien onmogelijk om een geval te noemen van volkomen vruchtbare basterden uit twee in alle opzigten verschillende dieren ontstaan. Sommige schrijvers beweren dat een zeer langdurig voortbestaan van een ras in getemden staat die onvruchtbaarheid kan vernietigen; en als wij zien wat er bij den hond geschiedt, dan moeten wij toestemmen dat die vooronderstelling eenigen grond heeft, ten minste indien zij zeer naverwante soorten betreft; hoewel het waar is dat er geene enkele proef bekend is, gedaan met het oogmerk om haar te bewijzen. Maar dit zoo ver te drijven van te vooronderstellen dat soorten, oorspronkelijk zoo verschillend als de postduiven, tuimelaars, kroppers en paauwstaarten zijn, tegenwoordig afstammelingen, die onderling volkomen vruchtbaar zijn, zouden voortbrengen, is iets wat mij ongeloofelijk voorkomt.

Om al deze redenen nu—namelijk, vooreerst de onwaarschijnlijkheid dat de mensch voorheen zeven of acht vooronderstelde [ 38 ] soorten van duiven getemd zou hebben, die allen in den tammen staat jongen hebben voortgebragt. Ten tweede de omstandigheid dat al die vooronderstelde soorten ten eenen male in den wilden staat onbekend zijn, en men evenmin weet dat zij weder verwilderd zijn geworden. Ten derde dat de tamme duiven in sommige opzigten grootelijks van alle andere Columbidae verschillen, en in zooveel punten volkomen met de wilde duif overeenkomen. Ten vierde dat de blaauwe kleur en de verschillende kenmerken van de laatste niet zelden in alle rassen weder te voorschijn komen, zij mogen zuiver gehouden of gekruist worden. En ten vijfde dat de kruislingen volkomen vruchtbaar zijn—om al die redenen houd ik het voor zeker dat al onze tamme duiven afkomstig zijn van Columbia livia, met hare ondersoorten in sommige landstreken.

Voegen wij hier nu nog bij, vooreerst: dat C. livia zoowel in Europa als in Indie bevonden is voor temmen vatbaar te zijn, en dat zij in gewoonten en in vele gedeelten van het ligchaam gelijk is aan al onze tamme rassen. Ten tweede, dat, ofschoon eene postduif of een tuimelaar in zekere opzigten ontzaggelijk van eene wilde duif verschilt, wij echter in staat zijn om door middel van onderscheidene onderrassen eene onafgebrokene reeks tusschen die uitersten te vormen. Ten derde, die bijzondere kenmerken welke het eene ras van het andere onderscheiden, zooals de bek van de postduif, het getal staartpennen van den paauwstaart, zijn in elk ras zeer veranderlijk: eene verklaring van dit feit zullen wij geven bij het bespreken van de keus des menschen, van de kunstkeus. Ten vierde: de duiven zijn van oudsher door onderscheidene volkeren met de uiterste zorg verpleegd geworden. Duizende jaren geleden zijn zij reeds in verschillende gedeelten der wereld getemd: tamme duiven waren volgens Professor lepsius reeds gedurende de vijfde dynastie der Pharaoos, omstreeks 3000 jaren v.C. bekend. De Romeinen gaven volgens plinius groote sommen voor sommige rassen van duiven: "ja het gaat zóó [ 39 ] ver dat zelfs de geslachtboom en het ras aangegeven worden." In 1600 werden in Indie door akber kahn de duiven zeer hoog gewaardeerd; er werden nooit minder dan 20 000 duiven voor de hofhouding aangekocht. De hofschrijver van den genoemden vorst zegt: "de vorsten van Iran en Turan zonden hem eenige zeer zeldzame duiven, en wijl Zijne Majesteit die rassen kruiste, eene handelwijze die men nooit te voren gedaan had, zoo verbeterde hij hen grootelijks." In dien zelfden tijd waren de Hollanders even verzot op duiven als vroeger de oude Romeinen. Van hoeveel belang dit alles geweest is in het voortbrengen van de menigvuldige rassen onder de duiven, zullen wij later meer bepaald aantoonen. Eene omstandigheid welke het ontstaan van verschillende rassen ten hoogste begunstigt, is deze, dat het zeer gemakkelijk valt te maken dat de mannelijke en de vrouwelijke individuen voor het geheele leven verbonden blijven, en dat derhalve verschillende rassen bij elkander in een hok kunnen huizen, zonder zich met elkander te vermengen.

Ik heb hier eenigzins uitvoerig over de afkomst onzer tamme duiven gesproken, hoewel nog geenszins uitvoerig genoeg; vooral omdat, toen ik eerst begon duiven te houden en de verschillende rassen te bestuderen, ik niet kon gelooven dat zij van een algemeenen stamvader afkomstig waren; gelijk men voorzeker eveneens op het zelfde denkbeeld moet komen als men de verschillende soorten van vinken beschouwt. Vooral het volgende heeft mij zeer getroflen, namelijk dat alle veefokkers en plantkweekers, die ik gesproken heb, of wier geschriften ik gelezen heb, vast overtuigd zijn dat de verschillende rassen van evenveel verschillende wilde soorten afstammen. Vraag eens, zooals ik gedaan heb, aan een engelschen veefokker, of zijn korthoornig Hereford-rund van langhoornig rundvee afstamt, en zie dan eens hoe medelijdend hij glimlacht. Ik heb nooit een fokker van eenden, hoenders, duiven of konijnen kunnen vinden, die niet vast overtuigd [ 40 ] was dat elk hoofdras van eene verschillende soort afstamde. Van mons zegt in zijne verhandeling over peren en appels, dat hij volstrekt niet gelooft dat de verschillende verscheidenheden van appels uit zaden van den zelfden boom ontstaan kunnen zijn. En zulke voorbeelden zou men in menigte kunnen vinden. De verklaring is dunkt mij niet moeijelijk: door langdurigen omgang met en gezet waarnemen van de verschillende rassen leeren zij de verschillen tusschen die rassen zeer naauwkeurig kennen, en ofschoon zij zeer goed weten dat elk ras aan geringe wijzigingen onderworpen is—want door zulke geringe wijzigingen uit te kiezen, behalen zij juist de uitgeloofde prijzen op tentoonstellingen—zoo ontbreekt hen toch eene algemeene kennis, en maken zij in hunne gedachten nooit eene optelling van zulke geringe wijzigingen, gedurende vele achtereenvolgende generatiën al meer en meer opgestapeld, om te zien hoe groot de som is, die daardoor wordt verschaft. En zouden dan de natuurkundigen, die gewoonlijk veel minder dan de veefokker weten van de wetten der overerving, die veel minder dan hij bekend zijn met de schakels der lange keten van opvolgende generatiën, en die echter stellen dat onze tamme rassen van gelijke ouders afstammen—zouden dan, vragen wij, de natuurkundigen niet gedwongen worden om op hunne hoede te zijn dat zij zelven niet belagchelijk worden, als zij lagchen over het denkbeeld dat de soorten in den natuurstaat lijnregt van andere soorten afstammen, dat is dat de eene soort uit de andere is ontstaan?




OVER DE KUNSTKEUS.


Laat ons nu eens vlugtig nagaan op welken weg de tamme rassen, hetzij uit eene soort hetzij uit verscheidene verwante soorten, zijn ontstaan. Misschien zal de onmiddellijke invloed van uitwendige levensvoorwaarden, en misschien zal ook de [ 41 ] gewoonte daartoe eenigzins medegewerkt hebben, maar het zou wel zeer moeijelijk vallen om te bewijzen dat men aan die werkers alleen het verschil tusschen een friesch koetspaard en een engelsch renpaard, tusschen een hazewind en een poedel, tusschen eene postduif en een tuimelaar moest toeschrijven. Een van de merkwaardigste trekken in onze tamme rassen is de geschiktheid die zij bezitten om nuttig te zijn, niet slechts voor zich zelven, maar ook voor het gebruik van den mensch. Waarschijnlijk zijn sommige voor den mensch nuttige dieren of planten plotseling, in eens, ontstaan. Verscheidene kruidkundigen meenen dat de weverskaarde, Dipsacus fullonum, met hare haakjes die door geen enkel werktuig vervangen kunnen worden, slechts eene verscheidenheid is van den wilden kaardebol, Dipsacus sylvestris, en dat die belangrijke wijziging zich eensklaps in eenen zaailing heeft vertoond. Dat is ook zeer waarschijnlijk het geval geweest met den hond die het spit draait, en het is bekend dat het zoo geweest is met het Ancona-schaap. Maar als wij het koetspaard vergelijken met het renpaard; de dromedaris met den kameel; de verschillende rassen van schapen geschikt voor lage weiden of voor dorre heiden, met zulke rassen waarvan de wol van het eene voor het eene doel, en die van het andere voor een ander doel is geschikt; als wij de verschillende rassen van honden, die op zoo onderscheidene wijzen voor den mensch nuttig zijn, onderling vergelijken; of als wij zien dat sommige hoenderrassen altijd eijeren leggen en nooit broedsch worden; of als wij onze aandacht vestigen op de menigte graansoorten, boomvruchten, tuingroenten en bloeijende planten, voor den mensch zoo nuttig in onderscheidene jaargetijden en tot verschillende einden, of zoo aangenaam voor het oog—dan, dunkt mij, worden wij genoodzaakt aan iets meer dan aan toevallige veranderingen te denken. Wij kunnen niet vooronderstellen dat alle rassen plotseling ontstaan zijn, zoo volkomen en zoo nuttig als wij zien dat zij tegenwoordig zijn, en in vele gevallen weten wij zelfs dat [ 42 ] het tegendeel waarheid is. De sleutel van dit alles is het vermogen van den mensch om telkens en onophoudelijk voorwerpen ter voortplanting uit te kiezen, die zulke wijzigingen bezitten waarvan hij het meeste nut kan trekken. De natuur schept de wijzigingen, maar de mensch stapelt die in zekere rigting op tot zijn voordeel. In dezen zin, mag men zeggen, maakt de mensch de rassen die hem nuttig zijn.

De groote magt van den mensch in het wijzigen der rassen door zijne keus uit de individuen, is geenszins eene vooronderstelde. Hoeveel veefokkers zijn er niet, die zelfs gedurende den zoo korten leeftijd des menschen er in geslaagd zijn, om sommige rassen van runderen of schapen grootelijks te wijzigen. Men moet die dieren zien om het te gelooven. Vele veefokkers spreken over de dierlijke bewerktuiging als over een stuk klei, dat zij in alle mogelijke vormen kunnen kneden. Youatt, de man wiens kennis van den landbouw zoo groot was als voor een mensch slechts mogelijk is, en die wel over de dieren wist te oordeelen, zegt over de keus van den mensch ten opzigte van de wijziging der rassen: "Zij stelt den landbouwer niet slechts in staat om het karakter zijner kudde te wijzigen, maar ook om het geheel te veranderen. Zij is de tooverstaf die hem in staat stelt om aan het levende dier dien vorm en die eigenschappen te geven, welke hij verkiest." Lord somerville, sprekende over hetgeen de veefokkers van het schaap gemaakt hebben, zegt: "het schijnt als of zij eerst eene gedaante gevormd en die vervolgens levend gemaakt hebben." Sir john sebright was gewoon te zeggen, sprekende over duiven, "dat hij eene vooraf bepaalde kleur in drie jaren kon voortbrengen, maar dat hij zes jaren noodig had om een kop en een bek te vormen." In Saksen stelt men zooveel belang in het doen van eene goede keus ten opzigte van de merinoschapen, dat men er zelfs eene soort van handwerk van maakt: de schapen worden op eene tafel geplaatst en bekeken zooals een liefhebber eene schilderij bekijkt; dit geschiedt drie maal in het jaar, en de schapen worden telkens gemerkt [ 43 ] en gerangschikt, zoodat de besten eindelijk tot de voortteling worden uitgekozen.

Wat de engelsche veefokkers reeds in dezen gedaan hebben, wordt bewezen door de hooge prijzen, die voor zulke beesten betaald worden, welke een goeden geslachtboom kunnen vertoonen; de zoodanigen zijn reeds over bijna de geheele aarde verspreid geworden. De verbetering van het ras is volstrekt niet te danken aan eene kruising van verschillende rassen: de beste veefokkers zijn zelfs zeer tegen iets dergelijks, uitgezonderd somtijds tusschen zeer naverwante onderrassen. En als er zulk eene kruising heeft plaats gehad, is het nog van veel meer belang eene naauwlettende keuze te doen dan in gewone gevallen. Als het doen van eene keus niets meer was dan het uitzoeken van een ras en dat te doen voorttelen, gewis dan zou het zulk eene eenvoudige zaak zijn, dat het niet de moeite waard was er over te spreken: neen, het belang eener goede keuze blijkt vooral in de groote uitkomsten die door de opstapeling naar ééne rigting gedurende vele elkander opvolgende generatiën verkregen worden—eene opeenstapeling van zulke verschillen welke voor een ongeoefend oog volkomen onmerkbaar zijn, van zulke geringe verschillen dat ik meer dan eens te vergeefs gepoogd heb die te kunnen ontdekken. Onder duizend menschen is er zeker niet één, die een blik heeft zeker genoeg en een oordeel geoefend genoeg om een goed veefokker te worden. Als hij die hoedanigheden heeft, en hij bestudeert zijn onderwerp jaren lang, en hij wijdt er zijn geheele leven aan toe, dan, maar ook dan alleen, kan hij slagen en groote verbeteringen doen ontstaan: ontbreekt hem iets van dat alles, dan zal zijne moeite ongetwijfeld verloren zijn. Het is ongeloofelijk hoeveel natuurlijke geschiktheid en hoeveel jaren van ondervinding er vereischt worden om slechts een goed duivefokker te worden.

De zelfde beginselen en regels worden door den bloemkweeker gevolgd, maar de wijzigingen die hij voortbrengt vertoonen zich veel spoediger. Er is niemand die denkt dat onze schoonste [ 44 ] gekweekte gewassen slechts verscheidenheden zijn, ontstaan door slechts eene enkele wijziging van de moederplant. Wij kunnen bewijzen dat het zoo niet is; vooral weten wij dat, om slechts één voorbeeld te noemen, van de kruisbessen, die eerst na vele generatiën zoo veredeld en groot van vrucht geworden zijn, als zij tegenwoordig voorkomen. Wij zien eene ontzaggelijk groote veredeling van verscheidene bloeijende gewassen, als men de bloemen van onze dagen vergelijkt met teekeningen, die voor twintig of dertig jaren gemaakt zijn. Wanneer de zaadwinners zaad inzamelen, zoeken zij niet de beste planten uit, maar verkiezen juist zulke planten, welke in het eene of andere opzigt van de gewonen afwijken, "die verloopen" zooals de bloemkweekers zeggen. Ook bij de dieren volgt men den zelfden regel; want niemand is wel zoo dwaas van zijne slechtste beesten ter voortteling te verkiezen.

Bij de planten heeft men verscheidene middelen om te kunnen zien hoe groot de uitwerkselen van eene goede keuze zijn; onder anderen door in den bloemtuin de verschillende bloemen van de onderscheidene verscheidenheden der zelfde soort met elkander te vergelijken; door in den moestuin eene vergelijking te maken tusschen de bladeren, de peulen, de knollen in verband met de bloemen van de zelfde soorten; door in den boomgaard de vruchten van eene soort te vergelijken met de bladeren en bloemen der zelfde soort. Immers, hoe verschillend zijn de bladeren der vele verscheidenheden van kool, en hoe gelijk zijn hare bloemen; hoe ongelijk zijn de bloemen van het viooltje, en hoe gelijk zijn de bladeren; hoeveel verschillen de vruchten van de onderscheidene kruisbessen in grootte, kleur, vorm en harigheid, en hoe weinig onderscheid is er in hare bloemen. Ik wil hiermede niet zeggen dat zulke verscheidenheden, die zich in het eene of andere opzigt grootelijks onderscheiden, daarom in 't geheel ook niet in andere opzigten verschillen: dit is naauwelijks ooit, ja misschien nooit het geval. De wetten van het verband dat de onderscheidene deelen in hunne ontwikkeling [ 45 ] vereenigt, moeten nooit vergeten worden: zij maken de afwijking min of meer algemeen; maar als regel mogen wij aannemen dat het aanhoudende uitkiezen van geringe verscheidenheden, hetzij in de bladeren, in de bloemen of in de vruchten, rassen zal voortbrengen, die van elkander voornamelijk in die punten verschillen.

Men zou de opmerking kunnen maken dat het zeker nog niet langer dan het drievierde gedeelte van eene eeuw geleden is, sedert men begonnen is naar vaste grondstellingen voorwerpen ter voortplanting uit te kiezen: het is waar dat men vooral in de laatste jaren daarop de aandacht heeft gevestigd: ook is het gevolg daarvan betrekkelijk groot en voorspoedig geweest. Maar het is geenszins waar dat het eene nieuwe uitvinding is. In vele oude werken vindt men bewijzen genoeg, dat men in vorige tijden zeer goed wist hoe belangrijk eene goede keus in dezen was. In de eerste tijden der engelsche geschiedenis werden er dikwijls uitgezochte dieren in Engeland gevoerd, en werden er wetten gegeven om den uitvoer van zulke dieren te beletten: ook moesten de paarden, welke beneden zekere maat waren, gedood worden. In eene oude chinesche encyclopaedie vindt men het doen van eene goede keus ten sterkste aanbevolen. Sommige klassieke romeinsche schrijvers bevatten beredeneerde voorschriften voor het kruisen der rassen. Uit eenige plaatsen van het boek Genesis blijkt dat men in die vroege tijden reeds op de kleur der huisdieren lette. De Wilden kruisen hunne honden nog tegenwoordig met wilde Canidae, om het ras te verbeteren; en ook voorheen deden zij dat, zooals plinius ons verhaalt. De Wilden van Zuid Afrika koppelen hunne trekossen naar de kleur, en het zelfde doen de Eskimoos met hunne honden. Livingstone verhaalt hoe hoog goede tamme rassen gewaardeerd worden door Negers in het binnenland van Afrika, die nooit met Europeanen in betrekking hebben gestaan. Eenigen van die feiten toonen niet eene toevallige voorkeur, maar zij bewijzen wel dat de voortplanting der huisdieren reeds in oude tijden zorgvuldig werd bewaakt, zooals ook nog tegenwoordig bij de [ 46 ] ruwste Wilden geschiedt. Ook zou het wel vreemd zijn indien de aandacht van den mensch nooit op de voortplanting der huisdieren was gevestigd geworden; immers de erfelijkheid van goede zoowel als van slechte eigenschappen is merkbaar genoeg.

In onze dagen zijn er veefokkers, die, door volgens vaste grondstellingen hunne fokdieren te kiezen, en een bepaald doel voor oogen te houden, een nieuw onderras weten te vormen, voortreffelijker dan eenig ander, in de zelfde landstreek voorkomend ras. Maar van grooter gewigt voor ons tegenwoordig doel is hetgene wij de onopzettelijke keus mogen noemen. Die onopzettelijke keus is niets dan een gevolg van de begeerte, die door elken veefokker gekoesterd wordt, om de beste individuen te bezitten en te doen voorttelen. Iemand die patrijshonden wenscht te bezitten, tracht natuurlijk goeden te verkrijgen, en laat vervolgens de besten van zijne honden voorttelen, maar hij heeft in het minst de bedoeling of de verwachting niet van het ras voortdurend te veredelen. Er is echter geen twijfel aan of zulk eene handelwijze, eeuwen lang volgehouden, zou het ras wijzigen en verbeteren; op de zelfde wijze als sommige veefokkers door gelijke handelingen, mits met meer overleg uitgevoerd, grootelijks de eigenschappen en vormen van hun rundvee wijzigden, hoewel zij dat niet langer dan een menschenleven konden bevorderen. Geringe, bijna onmerkbare wijzigingen van dezen aard kunnen onmogelijk bespeurd worden, dan tenzij door naauwkeurige metingen en door zorgvuldig gemaakte teekeningen van het betreffende ras, die lang geleden gemaakt zijn en vervolgens ter vergelijking kunnen dienen. Er bestaat veel grond om te denken dat de zoogenoemde King-Charles-hond of het leeuwtje onopzettelijk en wel zeer veel gewijzigd is, sedert de dagen van den koning wiens naam hij voert. Het is bekend dat de patrijshond in de laatste eeuw belangrijk veranderd is: die verandering is onopzettelijk en trapgewijze geschied, maar zij is tegenwoordig zoo groot geworden dat, ofschoon de patrijshond zekerlijk uit Spanje afkomstig is, er [ 47 ] door borrow in geheel Spanje geen inlandsche hond gevonden werd, die op onzen patrijshond gelijkt.

Als er ergens op aarde Wilden bestonden, onbezorgd en dom genoeg om geen acht te slaan op de erfelijke eigenschappen van de jongen hunner huisdieren, dan zou hun eigenbelang hen toch ongetwijfeld nopen om het eene of andere dier, hetwelk hun in zeker opzigt nuttig was, zorgvuldig te bewaren gedurende de tijden van hongersnood en gebrek, die zoo dikwijls den Wilde treffen. Dat zij dan niet het slechtste maar wel het beste individu zouden trachten in het leven te houden, spreekt van zelf. Zulke uitgezochte dieren brengen natuurlijk betere jongen voort dan de minder goeden: ook in dit geval mag men derhalve zeggen dat er eene soort van onbewuste of onopzettelijke keuze is geschied. De Vuurlanders hechten zooveel waarde aan goede dieren, dat zij in tijden van gebrek liever oude vrouwen dooden en eten, dan dat zij hunne honden zouden slagten.

Ook bij sommige planten is de zelfde trapgewijze verbetering door het toevallig bewaard blijven van de beste individuen duidelijk te bespeuren, b.v. in de grootte en schoonheid van onze viooltjes, rozen, pelargoniums, dahliaas en anderen, vergeleken met oudere verscheidenheden of wel met de moederplanten. Er is niemand die ooit verwacht eene provenceroos of eene dahlia uit het zaad der wilde plant te zullen bekomen. Er is niemand die ooit denkt eene brusselsche peer uit het zaad van eene wilde peer te zullen verkrijgen, hoewel het hem gelukken moge een armzalige zaailing, die als eene wilde plant opgroeit, te bekomen uit het zaad eener gekweekte. Ofschoon de peer reeds vroeg gekweekt werd, schijnt die vrucht toch, volgens plinius, niet zeer geacht te zijn geweest. Men heeft er zich over verwonderd hoe er van zulk slechte bouwstoffen zulk een heerlijk gebouw gemaakt is kunnen worden, maar mij dunkt dat het zeer eenvoudig en grootendeels onopzettelijk geschied is. Er is niets anders gebeurd dan het telkens kweeken der beste verscheidenheden; zoodra er uit zaad eene verscheidenheid opsloeg, welke slechts iets beter [ 48 ] was dan hare ouders, werd die uitgezocht en zoo vervolgens. Doch de kweekers van voorheen, die de beste peren kweekten welke zij konden bekomen, hebben niet kunnen vermoeden dat wij zulke heerlijke peren zouden eten: wij zijn die uitmuntende vruchten echter in zekere mate daaraan verschuldigd, dat zij de beste verscheidenheden die zij konden vinden, uitgekozen en bewaard hebben.

De op die wijze langzamerhand en onopzettelijk als opgehoopte wijzigingen en veranderingen onzer tuinplanten, verklaren, dunkt mij, het welbekende feit dat wij in vele gevallen niet kunnen herkennen en gevolgelijk niet weten van welke moederplanten de planten afstammen, die het langst in onze bloem- en moestuinen zijn gekweekt geworden. Indien het eeuwen ja duizenden jaren aaneen heeft moeten duren eer de meesten onzer planten verbeterd of gewijzigd waren geworden, en gebragt op die hoogte waarop zij thans staan, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat noch Nieuw Holland, noch de Kaap de Goede Hoop, noch eenig ander door onbeschaafde menschen bewoond gewest ons eene enkele plant, die het kweeken waard was, heeft kunnen leveren. Ik wil hiermede niet zeggen dat wij uit die landen, zoo rijk in soorten, geen moederplanten gekregen hebben, uit welke bij ons vele nuttige gewassen zijn ontstaan; neen, ik bedoel slechts dit: de planten dier gewesten zijn geenszins door onophoudelijk de besten uit te kiezen veredeld geworden, in eene mate dat die veredeling vergeleken zou mogen worden met die der planten uit van oudsher beschaafde landen afkomstig.

In de beschouwing van de huisdieren der onbeschaafde volkeren mogen mij niet vergeten dat die volken bijna onophoudelijk, ten minste in sommige jaargetijden, moeite genoeg hebben om voedsel voor zich zelven te bekomen. Bovendien weten wij dat in twee gewesten, waarin de levensvoorwaarden zeer verschillen, individuen van de zelfde soort, die onderling slechts zeer gering verschillen, dikwijls beter in het eene gewest dan in het andere [ 49 ] kunnen bestaan en zich ontwikkelen: derhalve zullen er in dit geval door de natuurkeus, gelijk wij in het vervolg uitvoeriger zullen aantoonen, twee onderrassen kunnen gevormd worden. Dit nu verklaart ons ten deele hetgeen door sommige schrijvers opgemerkt is, namelijk dat de rassen die in het bezit van wilde volkeren zijn, meer het voorkomen van soorten hebben dan de rassen die door beschaafde volken worden gehouden.

Na al hetgeen wij hier reeds over den grooten invloed van de keus des menschen gezegd hebben, wordt het duidelijk hoe het komt dat onze huisdieren zoo volkomen beantwoorden aan de behoeften of aan den smaak van den mensch. Het spreekt van zelf dat hij juist de zoodanigen heeft uitgekozen, die het meest aan zijn doel beantwoordden. Wij kunnen, dunkt mij, daardoor ook begrijpen hoe het komt dat onze tamme rassen zoo veelvuldig een abnormaal karakter vertoonen; en verder, dat zij veelal uitwendig zooveel en inwendig zoo hoogst weinig van elkander verschillen. Het is zeer moeijelijk om eene andere afwijking te kiezen dan zulk eene die uitwendig zigtbaar is, en bovendien slaat men gewoonlijk zeer weinig acht op inwendige eigenschappen. De mensch kan slechts eene keuze doen uit zulke afwijkingen, die hem eerst door de natuur, al is het in zeer ligten graad, verschaft worden. Geen mensch zou ooit trachten een paauwstaart te maken, voordat hij eene duif zag, welker staart op eene ongewone wijze ontwikkeld was, en ongewoon gedragen werd; of een kropper, voordat hij eene duif met een eenigzins ongewoon grooten krop zag—hoe ongewoner en vreemder het eene of andere karakter was, des te meer moest het zijne aandacht treffen. Doch de uitdrukking, die ik hier boven bezigde, "het maken van een paauwstaart," is in de meeste gevallen ongetwijfeld zeer onnaauwkeurig. De man, die het eerst eene duif met een eenigzins breederen staart dan gewoonlijk uitzocht, kon niet vooruitzien en kon er zelfs niet over denken hoe de nakomelingen van die duif eens zouden worden, door eene langdurige, half onopzettelijke en half [ 50 ] voorbedachte keuze. Misschien had de voorvader van alle paauwstaarten slechts veertien min of meer uitgespreide staartpennen, gelijk de tegenwoordige javaansche paauwstaart, of gelijk sommige individuen van andere rassen, bij welke men somtijds zeventien staartpennen heeft geteld. Misschien zette de eerste kropper zijn krop niet meer uit, dan nu het meeuwtje het bovenste gedeelte van zijnen slokdarm doet.

Het zijn niet groote afwijkingen alleen die in staat zijn het oog van den duivefokker tot zich te trekken, hij ontdekt zelfs zeer kleine verschillen: het ligt in de menschelijke natuur eene groote waarde te hechten aan de eene of andere nieuwigheid, al is zij ook nog zoo gering, mits zij slechts in zijn bezit is. En dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven. Niet zelden ontstaan er ook thans geringe wijzigingen onder de duiven, welke verworpen worden als gebreken, of als strijdig tegen hetgeen men zich verbeeldt dat de volmaaktheid van het ras uitmaakt.

Dit alles nu, dunkt mij, verklaart hoe het komt dat wij niets weten van het begin der geschiedenis onzer tamme dieren. Het is waar, van een ras, gelijk van den tongval eener taal, kan men bezwaarlijk zeggen dat het een bepaald begin heeft gehad. Iemand bezigt een individu, dat in zeker opzigt een weinig afwijkt, ter voortplanting, of hij draagt meer dan gewoonlijk zorg om zijne beste dieren daartoe te bestemmen; hij verbetert zoodoende het ras, en de verbeterde afstammelingen worden langzamerhand in den onmiddellijken omtrek verspreid. Maar nog hebben zij geen bijzonderen naam verkregen, en wijl ook hunne waarde niet zeer veel verhoogd is, let men niet op hunne geschiedenis. Dan eerst als zij op de zelfde langzame wijze verder veredeld worden, geraken zij ook in wijderen omtrek verspreid, en worden zij naar waarde geschat en bekend, ook verkrijgen zij dan voor het eerst een eigen naam. Zoodra de waarde van een nieuw onderras eenmaal voor goed erkend is, helpt datgene hetwelk wij de [ 51 ] onopzettelijke keuze hebben genoemd, mede, om de kenmerkende bijzonderheden daarvan langzamerhand te vergrooten. Maar op het bezitten van eene geschiedenis dier langzame, verschillende en onmerkbare wijzigingen bestaat al zeer weinig kans.

Wij moeten nu nog iets zeggen over de omstandigheden, welke voor den invloed van den mensch op de veranderingen der rassen gunstig of ongunstig zijn. Eene zeer groote veranderlijkheid is zekerlijk gunstig, wijl zij de keuze zeer gemakkelijk moet maken: eene enkele individuele afwijking is reeds eene overvloedige bron van groote veranderingen, indien zij slechts met de uiterste zorg behandeld wordt. Doch wijl zulke wijzigingen, die voor den mensch zeer nuttig of aangenaam zijn, slechts nu en dan voorkomen, zoo spreekt het van zelf dat de kans om de zoodanigen aan te treffen des te grooter is, hoe grooter het getal der individuen is die gehouden worden: daarom is dit laatste voorzeker van het grootste belang. Om die reden zegt marshall teregt, sprekende over de schapen in sommige gedeelten van Yorkshire: "daar zij meestal aan arme lieden behooren en zij in kleine kudden leven, zoo kunnen zij nooit veredeld worden." Aan den anderen kant zijn plantkweekers, wijl zij geheele velden met de zelfde gewassen bezetten, in het algemeen veel gelukkiger dan liefhebbers in het vinden van nieuwe en goede verscheidenheden. Het houden van een groot getal individuen van eene soort in zeker gewest vordert dat de soort in zulke gunstige levensvoorwaarden geplaatst moet zijn, dat zij in staat is om zich als in het wild te kunnen voortplanten. Wanneer de individuen van eene soort schaars zijn, moeten allen, hetzij zij goede hoedanigheden hebben of niet, gewoonlijk ter voortplanting dienen, en dit zal natuurlijk zeer schadelijk zijn voor het doen eener keuze. Het belangrijkste in dezen is echter misschien het volgende: een dier of eene plant moet zoo nuttig voor den mensch zijn, of zoo hoog door hem gewaardeerd worden, dat de grootste opmerkzaamheid, zelfs op de geringste afwijkingen in de [ 52 ] eigenschappen van elk individu gevestigd wordt. Zonder zulk eene oplettendheid zal men niet slagen. Ik heb in allen ernst hooren aanmerken, dat het zeer gelukkig was dat de aardbezie juist begon te veranderen, toen de tuiniers voor het eerst hunne aandacht op die plant begonnen te vestigen. Er is geen twijfel aan of de aardbezie heeft steeds veranderingen ondergaan sedert zij verbouwd werd, maar die geringe veranderingen waren steeds over het hoofd gezien. Zoodra evenwel de tuiniers individuen uitkozen, welker vruchten een weinig grooter, vroeger rijp of beter waren dan die van anderen, toen zij die ter voortplanting aanwendden en weder de besten uitzochten en weder voortplantten en die met sommige andere soorten kruisten, kwamen al die heerlijke verscheidenheden van aardbeziën te voorschijn, welke wij in de laatste dertig of veertig jaren hebben zien ontstaan.

Bij dieren van gescheidene sexen is de meerdere of mindere gemakkelijkheid waarmede men het kruisen kan beletten, eene zaak van het hoogste belang in het vormen van nieuwe rassen, ten minste in eene landstreek waarin reeds andere rassen leven. De afsluiting, de afgezonderde ligging van een land speelt hier eene groote rol. Wilden, die al heen en weêr trekken, of bewoners van opene vlakten bezitten zelden meer dan een ras van de zelfde soort. Wij hebben het boven reeds gezegd dat duiven gedurende haar geheele leven vereenigd kunnen blijven, en dat dit een groot gemak geeft voor den duivefokker, want daardoor kan hij verscheidene rassen zuiver bewaren, ofschoon zij op de zelfde mat huizen: die omstandigheid moet zeer bijgedragen hebben tot het veredelen en vormen van nieuwe rassen. Aan den anderen kant, de katten met hare nachtelijke zwerftogten kunnen niet in paren vereenigd worden, en daardoor zien wij bijna nooit eene kat van zuiver ras: als wij nu en dan eene kat van zuiver ras zien, mogen wij veilig gelooven dat zij uit het eene of andere land, vooral van een eiland, is ingevoerd. Ofschoon ik niet twijfel dat sommige huisdieren minder dan [ 53 ] anderen veranderen, moet evenwel de zeldzaamheid of het ontbreken van verschillende rassen bij de kat, den ezel, den paauw, en de gans zekerlijk grootendeels daaraan geweten worden, dat er geene keus bij de voortplanting kon plaats hebben: bij de kat niet omdat zij zich niet tot een en het zelfde voorwerp van de andere sexe bepaalt; bij den ezel niet omdat hij meestal bij enkele voorwerpen door arme lieden gehouden wordt; bij den paauw niet omdat hij niet gaarne broedt, en niet in groote toomen gehouden wordt; bij de gans niet omdat zij slechts in twee opzigten waarde heeft, namelijk wegens haar vleesch en hare vederen, en zij niet voor vermaak gehouden wordt, zoodat men geen belang in hare veredeling stelde.

Als uitkomst van onze beschouwingen in dit hoofdstuk vinden wij dus het volgende: De invloed van de levensvoorwaarden op het voorttelingstelsel is van het grootste gewigt in het veroorzaken van veranderingen. De veranderlijkheid is niet noodzakelijk en niet onafscheidelijk aan het bewerktuigde schepsel verbonden. De gevolgen der veranderlijkheid worden in verschillende mate door de erfelijkheid en door het streven tot terugkeer gewijzigd. De veranderlijkheid wordt door vele onbekende wetten beheerscht, vooral door het wederkeerige verband der ligchaamsdeelen onderling. Ook aan den onmiddellijken invloed der levensvoorwaarden en aan dien der gewoonte of der ongewoonte moet iets worden toegeschreven. In sommige gevallen heeft het kruisen der oorspronkelijk verschillende soorten eene groote rol gespeeld in het ontstaan onzer huisdieren en tuinplanten. Indien er in zeker gewest onderscheidene tamme rassen gevestigd zijn, heeft hunne kruising, door eene goede keus bestuurd, eene groote rol in de vorming van nieuwe onderrasen gespeeld. Het belang van de kruising van verscheidenheden is veel te hoog aangeslagen, zoowel met het oog op dieren als op zulke planten die uit zaad voortgeplant worden. Bij planten die tijdelijk door stekken, afleggen, enten en dergelijken voortplanten, is het gewigt der kruising, zoowel tusschen [ 54 ] soorten als tusschen rassen en verscheidenheden, zeer groot; want de kweeker is hier veilig, zoowel voor de uiterst groote veranderlijkheid als voor de veelvuldig voorkomende onvruchtbaarheid der basterden en kruislingen; maar die planten, welke niet uit zaad voortgeplant worden, zijn voor ons van weinig belang, wijl zij slechts tijdelijk blijven bestaan. En onder al die oorzaken van verandering is de opstapeling van wijzigingen ten gevolge van eene opzettelijke of onopzettelijke keus, zij moge in het eerste geval schielijk en in het laatste langzaam maar des te zekerder gewerkt hebben, toch ongetwijfeld de voornaamste magt.

 


  1. Om eene mogelijke vergissing van den lezer te voorkomen, maak ik er oplettend op, dat de hier genoemde wilde duif, Columba livia, niet is de bij ons algemeen onder dien naam bekende ringduif, Columba palumbus, noch de ook wel hier en daar de "wilde duif" genoemde kleine houtduif, Columba oenas. De echte wilde duif komt in ons land niet voor. vert.