Huygens - Darwin-Marx (1901)/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IV. Darwin – Marx. Bernstein als bestrijder van eene natuur-philosophische leer van Cornélie Huygens

V.

VI.


[ 92 ]
 

V.

Dat een grondige kennis van de theorie van Darwin, en eenig begrip van de vorderingen der natuurwetenschap in het algemeen, klaarheid van visie aangaande het Marxisme kan geven aan hen, die, hoewel zich reeds ontworsteld hebbende aan de klasse-tradities der bourgeoisie, toch nog binnen een cirkel van dualistische voorstellingen gevangen bleven, dit werd in de vorige hoofdstukken uitvoerig betoogd. Dat dit betoog echter niet onvoorwaardelijk en voor een ieder geldt bewijst o.a. Dr. Woltmann, die, niettegenstaande een ernstig-willen-Marxist-zijn—zij het dan ook een "gelouterd" Marxist—en niettegenstaande een algeheel doordringen in de Darwinistische theorie, niettemin aangaande de philosofische grondstellingen van de economische geschieds-opvatting een pijnlijk-verrassende onzekerheid verraadt.

In zijn reeds vroeger genoemd belangrijk geschrift[1], belangrijk in zooverre, dat hij van bijna de geheele literatuur: Darwin-Marx een overzicht geeft, wordt men op bijna elke bladzijde vreemd getroffen door des [ 93 ] schrijvers eigen onvastheid van methode, zoodra hij, naar aanleiding van de door hem vertolkte meeningen en opvattingen van anderen, zijn persoonlijk gevoelen geeft.

Ofschoon overtuigd aanhanger van de moderne evolutie-theorie, en derhalve logisch gedwongen monist te wezen, ook bewerend en stellig meenend een aanhanger van het eenheidsbegrip te zijn, vervalt hij aanhoudend en blijkbaar onbewust tot een dualisme, dat menig modern theoloog hem zou kunnen benijden. Op andere oogenblikken echter wordt hij weer streng monistisch.

Men oordeele:

"Bebel vat de verhouding van het Darwinisme tot het socialisme op als een zuiver theoretisch vraagstuk, terwijl het toch alleen door willende en handelende menschen geschieden kan, dat de maatschappelijke toestanden anders worden. Want dáárin bestaat toch ten slotte de revolutionaire kracht van het socialisme, dat de menschen zich niet aan de gegeven toestanden aanpassen, doch de toestanden aan hun doeleinden aanpassen."[2] Bl. 46. [ 94 ] Hier wordt dus dualistisch gedacht, wordt m.a.w. het menschelijk willen en streven buiten het oorzakelijk verband der dingen gesteld, het menschelijk bewustzijn als het ware geplaatst tegenover de evolutionaire werkingen. Immers de revolutionaire kracht van het socialisme ligt juist in zijn natuurnoodwendigheid, waardoor het menschelijk bewustzijn gekneed wordt.

Eenige bladzijden verder weerlegt de schrijver Kautsky.

"Voor een diepere evolutionaire beschouwing hebben beide theorieën (Marxisme en Darwinisme) natuurlijkerwijze iets met elkaar uit te staan. Want wanneer de mensch uit den dierlijken toestand zich heeft ontwikkeld, zoo moeten in laatste instantie dezelfde algemeene natuurkrachten, zij het ook in gewijzigden vorm, in zijne geschiedenis voortwerken." Bl. 61.

Volkomen juist. Marx zelf hadde het niet scherper kunnen formuleeren.

Maar op een andere plaats wordt geheel onverwachts de dualistische geest weer over Dr. Woltmann vaardig.

"De concurrentie onder de menschen weder tot een natuurlijk d.w.z. een aan de menschelijke cultuur beantwoordend levensbeginsel te maken, is de taak van het socialisme. Wijl het den arbeider weder met zijn arbeidsmiddelen vereenigt, legt het de basis tot een industrieelen en productieven wedstrijd van persoonlijke eigenschappen, die den de ontwikkeling bevorderenden bestaanstrijd in de dierwereld meer nabij komt, en een volmakingsmiddel vertegenwoordigt, terwijl de commercieele wedstrijd om dingen en plaatsen in de warenvoortbrengende kapitalistische maatschappij, [ 95 ] een oorzaak van ontaarding en ellende is." Bl. 80.

Hier wordt van "ontaarding" en "ellende" gesproken op een wijze, alsof het geheel kapitalistisch tijdperk in de geschiedenis een op-den-verkeerden-weg-geraakt-zijn van de menschheid beteekent! Hier ware dan toch, in een natuurwetenschappelijk werk, de plaats aangegeven, om in het licht te stellen, hoe die "ontaarding" en "ellende" zijn te beschouwen, als de zekere ondergangsteekenen van een klasse, en als de uitbloei van een stelsel, dat eenmaal een noodwendige schakel in de historische ontwikkeling vertegenwoordigde; aangezien, zonder deze kapitalistische schakel, de maatschappij zich nooit hadde kunnen ontwikkelen in de richting waarin wij haar heden zien bewegen.

Te sterker treft een zoodanige onvastheid, na de uiteenzetting van de taak, welke de schrijver zich, blijkens de inleiding van zijn werk, ten doel stelt:

"Het hoofddoel van mijn onderzoek en de ondergrond van alle verdere speciale uitingen, is derhalve de gedachte, om van de Darwinistische theorie der organische dieren- en menschenontwikkeling en de Marxistische theorie der sociaal-economische ontwikkeling (lees cultuur-ontwikkeling) de gemeenschappelijke biologische basis te vinden, op welke alleen de verhouding van het Darwinisme tot de vraagstukken der sociale politiek kan worden behandeld." Bl. 7.

Dr. Woltmann heeft die opgave welke hij zich stelde niet vervuld, en er ook niet toe bijgedragen aan de bestaande verwarring op dat terrein een einde te maken, integendeel. In plaats van, krachtens den titel [ 96 ] en de inleiding, en ook krachtens zijn eigen natuurbegrip, het socialisme als verschijnsel te verklaren, gaat hij in de laatste afdeeling van zijn werk de beweging op sociaal-politische en ethische gronden verdedigen, gaat hij betoogen wat het socialisme wil en niet wil, welke ethische overwegingen de sociaal-demokratie tegenover het liberale stelsel in het gelijk stellen, alsof het socialisme een meer of minder goed overlegd plan van ethisch aangelegde personen ware. De wetenschappelijke ontleding gaat over in een politiek en zedekundig betoog. En inzonderheid het verschil van bewustzijn, vormend den hoeksteen van de Marxistische theorie, schijnt hem geheel te ontgaan, aangezien hij totaal "onbegrijpelijk" vindt "den tegenstand van sommige geleerden."

"Het is even onjuist gedacht, de klasse-vormingen tot de arbeidsverdeeling als tot de werkingen van een sociale teeltkeuze terug te voeren." Bl. 391.

Deze volzin is o.a. gericht tegen Marx, waar deze zegt: "Kasten en gilden komen voort uit dezelfde natuurwet, welke de afscheiding van planten en dieren in soorten en ondersoorten regelt." Kap. Bl. 349.

En dan vervolgt Dr. Woltmann:

"De geschiedenis is niet zoo licht te rechtvaardigen(!) en niet zoo vol harmonie, dat, in den strijd van klassen, rassen en individuen, de overlevenden altijd de betere en edelste zijn en hun adel voortplanten."

In de eerste plaats is het duidelijk, dat de schrijver van de geciteerde woorden van Marx niets begrijpt. Marx bedoelt natuurlijk, dat de kasten en gilden, [ 97 ] resultaten van het arbeidsproces—derhalve van de zich in gewijzigden zin openbarende natuurkrachten—dezelfde wetten vertegenwoordigen als de verdeeling in soorten en ondersoorten bij de dierenwereld dit doet.

En wanneer Dr. Woltmann schrijft van "rechtvaardigen" alsof natuur en geschiedenis voor de rechtbank van het menschelijk oordeel gerechtvaardigd moeten worden, is hij tamelijk ver van het "hoofddoel" waarover hij Bl. 7 schreef, afgedwaald.

En aan het slot van het werk:

"De onbevooroordeelde vorscher, ten opzichte van de menschelijke samenleving, vindt het onbegrijpelijk, dat zekere geleerden van wetenschappelijk standpunt het socialisme trachten te bestrijden. Het kritisch socialisme heeft over 't geheel in zijn beginselen een vasten grondslag, en hoezeer het ook nog in bijzonderheden correctie en uitwerking behoeft, zoo is het toch niet te betwijfelen, dat zijn fundamenteele eischen noch met de wetten der natuur, noch met de wetten der moraal in tegenspraak zijn."

Men vraagt zich af, hoe het mogelijk is, dat dezelfde schrijver, die in de inleiding en op Bl. 61 de geciteerde woorden schreef, in zijn slotwoord de historische ontwikkeling van dezen tijd terugleidt tot de proportiën van een politiek streven, dat gelukkig niet met de natuur en de moraal in tegenspraak is!

Zeker is het, dat Dr. Woltmann nog pas in het aanvangsstadium van zijn overgang tot een monistische levensbeschouwing staat, en zich eerst aan zijn hang naar de oude burger-ideologie heeft te ontworstelen, [ 98 ] alvorens de theorie, welke hij meent te kunnen beoordeelen en verbeteren, in haar eigenlijk wezen te doorgronden.

„Het is niet het bewustzijn der menschen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt."

Deze als het ware klassiek geworden stelling van den grondlegger der naturalistische geschiedenismethode, als zoodanig resumeerend in enkele woorden den philosofischen grondslag van zijn leer, en waarin ook eenmaal de nieuwe richting der strafrechterlijke wetenschap zal kunnen worden samengevat, geeft Bernstein natuurlijk weer in de pen bladzijden van zoo'n ondenkbare oppervlakkigheid[3] dat men zich alleen maar moet verwonderen, hoe, in de kringen van denkende sociaal-demokraten, deze bladzijden niet voor allen zijn critiek op het Marxisme tot volslagen waardeloosheid hebben gestempeld.

Hij haalt aan, om ze te veroordeeleelen, de algemeen bekende uiteenzetting van Marx in het voorwoord van zijn „Zur Kritik der Politischen Okonomie," maar laat juist al datgene waarop het eigenlijk aankomt als "ondergeschikt" weg.

De bewuste pasage volge hier eerst in haar geheel:

In de[3] maatschappelijke productie treden de menschen in bepaalde noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen, productie-verhoudingen, die telkens [ 99 ] beantwoorden aan een bepaalde ontwikkelingsfaze van hun materieele productieve krachten. De algeheeleeid dezer productie-verhoudingen vormt den economischen bouw der maatschappij, de reëele basis, waarop zich een juridieke en politieke bovenbouw verheft, en aan welke bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen beantwoorden.

„De wijze van productie van het materiëele leven bepaalt in 't algemeen het sociale, politieke en geestelijke levensproces. Het is niet het bewustzijn der menschen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt. Op een zekeren trap harer ontwikkeling geraken de stoffelijke productiekrachten der maatschappij in tegenspraak met de bestaande productieverhoudingen, of, wat slechts een juridische uitdrukking daarvoor is, met de eigendomsverhoudingen binnen welke zij zich tot dusverre bewogen hadden. Uit ontwikkelingsvormen der productiekrachten slaan deze verhoudingen om tot boeien ervan. Dan treedt in een tijdperk van sociale revolutie. Met de verandering van den ecomischen grondslag wentelt zich de gansche ontzaglijke bovenbouw langzamer of sneller om ....

Bij de beschouwing van dergelijke wentelingen moet men steeds onderscheiden tusschen de materieele, natuurwetenschappelijk zuiver te constateeren, wenteling in de economische productie-voorwaarden en de juridieke, politieke, godsdienstge, artistieke of filosofische, in één woord ideologische vormen, waarin zich de menschen dat conflict bewust worden en het uitwerken. Evenmin als men dat wat een individu is, beoordeelt naar hetgeen hij zichzelven denkt, evenmin kan men zulk een [ 100 ] omwentelings-periode uit haar eigen bewustzijn beoordeelen, maar moet men veeleer dat bewustzijn uit de tegenstrijdigheden van het materieele leven, uit het voorhanden conflict tusschen maatschappelijke productieve krachten en productieverhoudingen verklaren.

"Een maatschappij-formatie gaat nimmer onder, alvorens alle productie-krachten ontwikkeld zijn, voor welke die formatie de vatbaarheid in zich sloot; en nieuwe hoogere productie-verhoudingen treden nooit in de plaats, alvorens de stoffelijke bestaansvoorwaarden ervan in den schoot der oude maatschappij zelve uitgebroed zijn....

Daarom stelt zich de menschheid altijd slechts juist zulk een taak als zij werkelijk volvoeren kan: want bij nauwkeurige beschouwing zal het steeds blijken, dat de taak zelve slechts ontspringt dáár, waar de materieele voorwaarden voor haar volvoering reeds voorhanden of minstens in wording waren. In groote omtrekken en lijnen kunnen aziatische, antieke, feodale, en modern-burgerlijke productiewijzen als progressieve tijdperken der economische maatschappij-formatie aangeduid worden.

"De burgerlijke productieverhoudingen zijn de laatste antagonistische vorm van het maatschappelijk productieproces ... antagonistisch niet in den zin van individueel antagonisme, maar van een uit de maatschappelijke levensvoorwaarden der individuen opgroeiend antagonisme.

"De in den schoot der burgerlijke maatschappij zich ontwikkelende productiekrachten scheppen tevens de stoffelijke voorwaarden tot oplossing van dit antagonisme. Met dezen maatschappij-vorm eindigt derhalve [ 101 ] de vóórgeschiedenis der menschelijke maatschappij."

Men ziet, bij het vergelijken van de gewoon en cursief gedrukte volzinnen, op welke wijze Bernstein citeert! Na dat aldus verminkt citaat gaat hij aldus voort:

"Allereerst zij opgemerkt, dat de slotzin en het woord "laatste" in den voorafgaanden zin niet bewijsbaar, doch meer of minder gegronde vermoedens zijn.

"Beschouwt men de overige zinsneden, dan valt, afgezien van het "langzamer of sneller" (waarin zeker zeer veel ligt) vooral de stellige inkleeding op. Zoo worden in de tweede der aangehaalde zinsneden "bewustzijn" en "zijn" zoo scherp tegenover elkaar gesteld, dat de conclusie voor de hand ligt, dat de menschen enkel beschouwd worden als levende werktuigen van historische machten, wier arbeid zij werkelijk zonder te weten en te willen uitvoeren.

"En dit wordt slechts ten deele verzacht door een hier als "ondergeschikt weggelaten" zinsnede, waarin de noodzakelijkheid betoogd wordt, om, bij sociale omwentelingen, te onderscheiden tusschen de stoffelijke omwenteling in de productievoorwaarden, en "de ideologische vormen waarin zich de menschen dit conflict bewust worden en het uitvechten." Over het geheel vertoont zich het bewustzijn en het willen der menschen als een factor, die zeer ondergeschikt is aan de stoffelijke beweging."

Op al die door Bernstein als ondergeschikt verklaarde zinsneden komt het nu echter, zonder dat hij dit in de verste verte vermoedt, juist aan. Het ingewikkeld geestelijk proces onder de menschen, krachtens hun verschil [ 102 ] van klasse-bewustzijn en individueel bewustzijn, m.a.w. gansch hun weten en willen en handelen en strijden cijfert hij gemakshalve weg. Bij de beoordeeling van een geschiedstheorie, die vóór alles beoogt, de eeuwig voedende bron van het rijke zich altijd vernieuwende gedachtenleven der menschheid op te sporen, schuift Bernstein die menschheid zelve eenvoudig van de baan, zeggende, dat indien men een of ander voedend en stuwend element aanneemt, het zijn en wezen der menschen een minderwaardige beteekenis verkrijgt!

Men stelle zich voor een redeneering van deze kracht:

"Wie beweert dat eten absoluut beslist over het al of niet leven van den mensch, is een stofvergoder, die den mensch tot een levend werktuig van zijn voedsel verlaagt, en aan dat voedsel den voorrang toekent!"

Welke veelzijdige schakeeringen dat gedachtenleven kan aannemen, en hoe in de wereld van den geest alles op elkaar reageert, daarvan geeft Bernstein zelf ons een sterk sprekend bewijs. Hij meende het Marxisme te dooden en bezielt het juist met nieuw leven. Het is zijn eigenaardig, langzaam tot de oude burgerlijke ideologie terugkeerend bewustzijn—een bewustzijn waarin men zich geheel zou moeten kunnen verplaatsen, om het allervreemdst wangedrocht, dat hem als Marxistische theorie door de hersens spookt, te kunnen onderscheiden—het is zijn eigen bewustzijn, dat in de socialistische beweging een stuwende factor vormt, in zooverre, dat het anderen als spoorslag dient, om, voor de nog niet geheel bewusten in de beweging, de [ 103 ] economische geschiedenismethode, in populairder vorm dan Marx zelf dit vermocht, uit te werken. Een zóó reactionair element ontstaande niet in de antagonistische klassen, vanwaar uit den aard der zaak niet anders verwacht wordt, maar in de gelederen der beweging zelve, kan niet anders dan prikkelen tot vernieuwde actie en rechtstreeks bevorderen de verdieping en verbreeding eener methode, welker toepassing op de zoo ingewikkelde historische verschijnselen nog pas een aanvang heeft genomen.

* *
*

"Het is niet het bewustzijn der menschen dat hun zijn, maar hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt."

Niet de eerste maal doet zich het verschijnsel voor, dat dergelijke korte, kernachtige, een gansche levensbeschouwing vertolkende stellingen slechts ten volle begrepen worden door hen, voor wie zij als stellingen overbodig zijn, wijl heel de eigen aanleg reeds tot die levensbeschouwing voorbestemde.

Het rusteloos zoeken en vorschen van de deterministen van alle eeuwen tot aan een Spinoza, een Hume e.a. om zich rekenschap te geven in hoeverre de menschelijke wil in absoluten zin vrij was, d.w.z. in hoeverre de mensch een wil had, onafhankelijk van eigen individueelen aanleg en van de maatschappelijke omstandigheden, onafhankelijk dus van alles wat dien wil van uur tot uur vormt en kneedt, kon het probleem niet anders dan speculatief of bespiegelend [ 104 ] benaderen, aangezien men niet kende de oorsprong en geleidelijke opkomst en wording van dien wil, of van dat bewustzijn, uit de primitiefst denkbare vormen. Nog minder kende men de ontwikkelingswetten, volgens welke de wil of het bewustzijn, van de eencellige amoebe af, tot het zoo hooge bewustzijn van den mensch was opgeklommen.

En afgezien nu van dat mensch-soort bewustzijn en het binnen de soort individueel of overgeërfd bewustzijn, waarvan bij de geboorte elk kind de kiem bezit, wordt gedurende den groei en de opvoeding, het bewustzijn of de wil verder bepaald door den geestelijken dampkring waarin het kind van de geboorte af ademt, waarin het gaat leeren voelen, leeren zien, denken, begrijpen, oordeelen, arbeiden en streven.

Dit aldus verworven of maatschappelijk bewustzijn, bepaald door het maatschappelijk zijn van elke groep, en zich anders of verschillend openbarend naar gelang der vele nuanceeringen van het aangeboren bewustzijn, waarmede het zich als het ware moet vermengen of assimileeren, dit verworven of maatschappelijk bewustzijn, waarop Marx in zijn stelling doelde, is dus afhankelijk van de sfeer of de klasse, waarin de mensch van kind af geplaatst is. Derhalve is het klasse- en groepen-bewustzijn de ideëele weerspiegeling van de arbeidsverdeling, zich in de menschengeschiedenis manifesteerend met de kracht van een natuurwet, als vormend de voorwaarde tot den grandiosen cultuurstrijd.

En wanneer bij de thans naderende formatie der [ 105 ] maatschappij, het klassen-antagonisme of het economisch antagonisme een einde neemt, zal de arbeidsverdeeling steeds blijven vormen een verschillend maatschappelijk bewustzijn, als voorwaarde tot een strijd, die in zijn vormen zich eenmaal zal verheffen ver boven den brood- en geldstrijd, door de heerschende bourgeoisie, uit den aard der zaak, als de eenig mogelijke en eenig noodige aangemerkt!

Zoo is het 't burgelijk "idealisme" dat, in de verbijstering van zijn decadentie, steeds opkomt voor de bestendiging van den lagen, met "stoffelijke" middelen gevoerden broodstrijd.

Zoo is het 't veel gesmade "materialisme" dat den noodwendigen ontwikkelingsstrijd in de toekomst ziet opgebeurd tot het reine gebied van den geest.

De tot dusverre bestaande onkunde aangaande den oorsprong van het mensch-zijn en de gemeenschappelijke biologische basis van natuur en cultuur, kon voorheen de begoocheling schenken, dat er geen ander dan een aangeboren zuiver-individueel bewustzijn bestaat, als zoodanig gedurende het leven gevoed "uit den hooge" en dus zwevend ver boven sfeer, milieu, groep of klasse, ver boven de werkelijkheid onzer menschelijke ervaring.

Die begoocheling der eeuwen aangaande een absolute vrijheid van wil en een absolute zelfstandigheid van bewustzijn, was het, die tot zoo ontzaglijk veel leed en pijniging en wreedheden in de geschiedenis aanleiding gaf, en de strafrechterlijke wetenschap, zóó als zij nog altijd in onze ideologisch gestemde samen[ 106 ] levingen in eere is, meer en meer tot een afzichtelijke parodie gaat stempelen.[4] Die eeuwenoude begoocheling, vertegenwoordigend in onze dagen de laatste levensflikkering van de afstervende maatschappij-formatie, kon ook tot dusverre wettigen het geloof, dat een samenleving, bestaande uit zoo verschillende arbeids- en denksferen, uit zoo verschillende belangenverhoudingen, als één harmonisch voelende en willende eenheid omhoog kon stijgen.

Het was Darwin, verklarend de wording en ontwikkeling van de geestelijke vermogens op grond van het economisch zijn, die deze begoocheling een einde deed nemen, althans bij hen, die, krachtens hun eigen "zijn", de geestelijk zintuigen hadden, noodig om het nieuw geopenbaarde te erkennen.

[ 107 ] Deze openbaring, belichamend een dier mijlpalen in de geschiedenis der menschheid, welke de afsluiting van een wereldperiode en de voorbereiding tot een nieuw tijdperk aankondigt, ware op een ander of vroeger tijdstip onmogelijk geweest. Voor de bourgeoisie in haar opkomst en groei, met haar klassenstaat en haar geldstrijd, waren klasse-ontkenning, ideologie, een loochenen van den dialectischen ontwikkelingsgang absolute levensvoorwaarden.

Met een variant op een bekend gevleugeld woord zou de bourgeoisie kunnen zeggen:

"In mijn ideologie ligt mijn kracht."

En evenzoo ligt de kracht van het proletariaat in zijn natuurbegrip, in zijn kennis aangaande de evolutiewetten van het geestesleven. Darwin en Marx: de natuur- en de cultuurvorscher, rangschikkend het menschelijk bewustzijn, zonder eenig voorbehoud, onder de verschijnselen behoorend tot het oorzakelijk verband der dingen, zijn de fakkeldragers, de herauten van de opstijgende arbeidersklasse.

Het proletariaat, voorbereidend de komende wereldperiode, waarin de economische worstelingen zullen ophouden te bestaan, zou niet kunnen brengen dat tijdperk, zonder, een veel klaarder visie dan der bourgeoisie mogelijk was, van de wetten, die de cultuur beheerschen. Zijn taak is het, bewust te gaan streven in de richting door de productie-werkingen aangegeven, wijl het zal weten, dat in die richting ook een nieuw geestesleven zich ontplooit. En die bewustheid thans nog slechts weinigen in de arbeidersklasse bezielend, [ 108 ] maar groeiend met hare toenemende moreele en politieke kracht, zal geestelijke elementen van strijd oproepen, welker rijkdom en verscheidenheid thans nog niet bij benadering zijn te beseffen, doch waarvan de socialistische beweging—waar de economische strijdmotieven reeds wegvallen—nu en dan reeds een voorproefje geeft. Het is alsof juist het verdwijnen van alle geld-motieven den intellectueelen strijd des te meer aanwakkert en dien nu reeds tot hooger edeler sferen opbeurt.

De toenemende bewustheid aangaande het wezen der ontwikkeling, vormend de kracht der pioniers van het komende, maar die nog in geen eeuwen het deel zal zijn van alle groepen eener samenleving, aangezien nu nog bijna in de twintigste eeuw, tradities uit de middeleeuwen zich doen gelden—juist die bewustheid zal het wezen van den toekomstigen strijd vormen. De brood- en geldstrijd door de bourgeoisie belichaamd, eenmaal opgelost, moet een andere strijd, een andere zegepraal van den sterkste, de voortstuwende kracht gaan uitmaken, waarbij het arbeidsproces de leden eener samenleving niet meer in economisch gescheiden groepen, maar in geestelijk en intellectueel gescheiden groepen, zal splitsen. Wie meent, zooals de leden der teruggaande klassen, dat economische gelijkheid beteekent een geestelijke gelijkheid, of een geestelijke harmonie, heeft aangaande natuur, maatschappij en mensch het a b c nog te leeren.

In de komende productie-periode zal de cultuurstrijd, of het recht van den sterkste, of de teeltkeuze vormen [ 109 ] aannemen nog veel ingewikkelder, veel subtieler, veel moeielijker na te speuren dan thans, nu zij voor talloozen reeds onzichtbaar zijn. In groote algemeene trekken kan men zich voorstellen, hoe de zich geheel aanpassenden aan het nieuwe weten, zullen trachten het onderwijs, de opvoeding, het sexueele leven, het recht, de moraal, alsook het "strafrecht"—wanneer dat in zijn nieuwe vormen nog "strafrecht" zal kunnen heeten—een richting te geven, verband houdend met hun natuur- en cultuurbegrip. De zich nog niet-aanpassenden, bijv. de rechtstreeksche afstammelingen van de vergoders van het oude regime—gelijk aan hen, die nu gedurende het burgergezag de oude feodale tradities bleven huldigen—de vele heimweêvol terugblikkenden naar oude verleefde denkvormen, alsook de nog mystisch en dualistisch aangelegden, die aan een bewustzijn buiten het oorzakelijk verband der dingen een hoogere wijding toekennen dan aan een bewustzijn binnen dat verband, zij allen, in tal van groepen verdeeld, zullen uit den aard der zaak het streven der anderen nog geruimen tijd uit alle macht pogen tegen te werken. Zij zullen, na al de eeuwen van onkunde en gezagsmisbruik en dwang en tirannie, waarin hun denkleven nog geworteld is, verderfelijk en onzedelijk achten alles wat rechtstreeks met een juister begrip van de natuurwetten in overeenstemming is. Zij zullen nog voor onafzienbaren tijd vormen het tegenwicht, de reactie, zonder welke de bewuste strijders ook niet het wezen van het ideaal steeds hooger zouden zien oprijzen.

[ 110 ] En bij dien strijd tusschen naturalisten en anti-naturalisten, tusschen mystici en niet-mystici en tal van geestelijk antagonistische groepen, hebbend het bewustzijn òf van hun nog lang nawerkende tradities òf van hun arbeid, hun werkkring, gekozen volgens aanleg en aspiraties, bij dien strijd zullen intellectueele stroomingen ontstaan in veel rijker schakeeringen nog dan thans, wanneer op den bodem van economische vrijheid en gelijkheid niet slechts één derde der samenleving, maar allen en allen tot de arena van den geest zullen worden toegelaten, zullen mogen in volle bewustheid medestijden den grootschen ontwikkelings-strijd, die de menschheid alweder tot een hooger plan van beschaving zal opheffen.

En eenmaal zal de mensch alweer dieper doordringen tot de wetten van het Al, alweer nieuwe schatkamers der wetenschap ontsluiten, alweer nieuwe, thans nog ondenkbare, idealen zien rijzen, alweer nieuwe, altijd hoogere arbeids- en strijdvormen voorbereiden—dit alles aanvankelijk gezien en bevochten door enkelen, later door groepen, waar tegenover de dàn oude wereld zal staan, als thans de nù oude wereld staat tegenover het socialisme: als weerstrevende, als niet-begrijpende.

Deze aanschouwing van het leven, in zoo machtige lijnen opdoemend voor de strijders uit de school van Darwin en Marx—dit perspectief van een menschheid, steeds hooger en hooger opwaarts ziende, steeds sterker en bewuster voelend, krachtens zijn zich volmakende arbeidsvormen, haar één zijn met alles wat is, met steeds dieper overtuiging werkend aan zich[ 111 ] zelve, voerend den heiligen volmakingsstrijd met altijd edeler wapenen, deze aanschouwing werd door Wilhelm Liebknecht voor enkele jaren aldus vertolkt:

"Geen enkel ideaal wordt ooit geheel vervuld. Hebben wij bereikt wat ons heden als het hoogste voorkomt, zoo ligt reeds weder iets hoogers en verders voor ons. Is het waar, dat de mensch met zijn doeleinden groeit, niet minder waar is, dat de doeleinden met den mensch groeien. De "toekomststaat" heeft geen begin en geen einde; steeds, tot onze planeet verstard zal zijn, zal voor de altijd voortdringende menschheid een "toekomststaat" liggen."

 

 
  1. "Die Darwinistische Theorie und der Socialismus."
  2. Deze en volgende aanhalingen uit genoemd werk hebben geenszins ten doel het af te breken. Daarvoor bevat het te veel verdienstelijke bladzijden, en doet te weldadig aan de wetenschappelijke ernst des schrijvers, zoo sterk contrasteerend met de verregaande oppervlakkigheid en onkunde op natuurwetenschappelijk gebied, waardoor Bernstein zich onderscheidt. Maar het boek als geheel geeft een ongezochte aanleiding om, waar het hoofddoel dezer beschouwingen is de Marxistische theorie nader uit te werken en te verduidelijken, op de naturalistische grondstellingen een nog helderder licht te werpen. (Alle cursiveeringen zijn van mij.)
  3. 3,0 3,1 Voorwaarden tot het Socialisme Bl. 5 e.v. (De door Bernstein als "ondergeschikt" weggelaten stellingen zijn de door mij gecursiveerde.)
  4. Dienaangaande schrijft o.a. Haeckel in zijn "Welträthsel:
    "Terwijl wij heden met rechtmatigen trots terugzien op de geweldige vorderingen der negentiende eeuw ten aanzien van onze natuur-kennis, rijst een treurig beeld voor ons op, wanneer wij andere niet minder gewichtige zaken, ons cultuurleven betreffend, overzien. Daar moeten wij tot ons leedwezen de woorden van Alfred Wallace onderschrijven: Vergeleken bij onze verbazende vorderingen op het gebied der physische wetenschappen en hun practische toepassing, blijft ons regeeringssysteem, het rechtswezen, de opvoeding en onze gansche maatschappelijke en zedelijke organisatie in een toestand van barbaarschheid verzonken....
    "Wel heerscht de meening, dat de juristen over het algemeen het meest ontwikkeld zijn. Maar deze hoog geroemde "juridische vorming" is hoofdzakelijk van formeelen aard. Het eigenlijke zwaartepunt van hun werkkring: het menschelijk organisme, en zijn gewichtigste functie het zieleleven, leeren onze juristen slechts oppervlakkig kennen; dat bewijzen o.a. hun verwonderlijke opvattingen aangaande "wilsvrijheid, verantwoordelijkheid" enz. die nog dagelijks moeten gelden.... Den meesten rechtsgeleerden valt het zelfs niet in, anthropologie, psychologie en ontwikkelingsgeschiedenis te gaan bestudeeren als eerste voorwaarden tot een juiste beoordeeling van het menschwezen. Bl. 8. e.v.