In de sneeuw/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

II.
pages 16-33

[ 16 ]

II.


De oude vervallen schuur, waar de inrijlaan met eene sterke kromming omheen boog, stond vlak voor de ramen van de huis- en studeerkamer der pastorie. Zij was hinderlijk voor het oog, stond lastig in den weg en was van weinig of geen nut.

Er was dikwijls een tweestrijd geweest in het gemoed van Daniël Jürges, wijl hij als huurder van de schuur eene herstelling wenschte, die de predikant Jürges niet voor eigen rekening wilde ondernemen.

Daniël Jürges wendde meestal zijne oogen er van af, ten einde zich niet te ergeren. Want hoewel in den laatsten tijd de herinnering aan al het verdriet dat dit oude gebouw hem had berokkend, een weinig was verzwakt, stond het ding hem toch bijna altijd voor oogen, ook wanneer hij het niet zag. Zelden was het uit zijne [ 17 ] gedachten, en was hij ongesteld of slecht gehumeurd, dan zat hij voor de ramen van zijn studeerkamer er op te staren.

Toen hij tien jaar geleden uit het hooge Noorden naar Grendalen kwam — uit het Noorden, waar het zoo guur en koud was, scheen het breede dal met zijne weiden en bosschen hem een vruchtbaar Kanaän, waar de geest zich kon ontwikkelen en het oog zich verlustigen in zonneschijn en weelderigen plantengroei — zoo geheel verschillend van de armelijke vegetatie daar ginds.

Maar het eerste dat zijn oog beleedigde, toen hij vroolijk en vol opgewektheid uit de kariool sprong om zijn „gaard“ in bezit te nemen, was dat oude gebouwtje — zoo vervallen en verwaarloosd maar toch zoo eigenaardig, men zou kunnen zeggen „trotsch“ in al zijn verval.

Dominé Jürges kon maar niet begrijpen, hoe zijn voorganger zulk een „kavalje“ had kunnen laten staan, zonder het te laten herstellen: en het eerste wat hij vroeg, toen hij eenige der voornaamste ingezetenen ontmoette, was dan ook: „wat toch de oorzaak was, dat een der gebouwen, tot de pastoriegaard behoorende, zich in zulk een staat bevond?“

[ 18 ] „Ja, het is àl te erg met die schuur — meende er een: hij had al zoo dikwijls gezegd „dat er iets aan gedaan moest worden“; — „al voor lang reeds“ — meende een tweede; en een derde „had zich menigmaal verwonderd, dat zij nog niet was ingestort.“

Dominé wilde echter gaarne weten wie eigenlijk verp1icht was, de gebouwen der pastoriegaard te laten herstellen.

Een der oudsten begon hierop een verhaal te doen „hoe het met die zaken geschapen stond“ in zijns vaders tijd: een ander kwam voor den dag met hetgeen hij ten dien opzichte van zijne tante had gehoord, „wier moeder in de pastorie had gediend toen de „oude Basse“ er dominé was, Basse, dien ze altijd „de oude stakker,“ noemden, diezelfde die op een kerstmorgen van den preekstoel was gevallen; — maar dat was lang geleden, lang voor die andere nieuwe dominé kwam.“

Dominé viel hem in de rede: „hij was niet bang voor een weinig onkosten: zij konden immers de handen ineenslaan — dominé en de gemeente — in alle eendracht — niet waar? Hij, dominé, nam op zich, het hout te laten [ 19 ] hakken, als dan de gemeente wilde zorgen, dat het hout uit het bosch werd gehaald. Was dit niet 's lands wijs, sedert onheugelijke tijden? Zij zouden het „wat best samen vinden!“

Bij deze woorden zag dominé Jürgens vriendelijk glimlachend den kring rond.

Allen zwegen.

Zoo spoedig men in de pastorie eenigermate „op streek“ was, zond dominé zijne knechts naar het bosch, — ja, ook hij zelf hakte met ijver en lust alles, wat hij dacht, dat voor het herstellen der oude schuur geschikt was.

Terwijl ze ijverig in de weer waren, voegden zich twee mannen bij hen. De predikant kende ze en ging hun hartelijk te gemoet.

Het was iets zeer ongewoons voor hem, uit zoovele boomen naar hartelust te mogen kiezen.

Het bosch grensde aan de pastorie, zijne rechten waren duidelijk omschreven; hij had er een massa stukken over gelezen, maar het was niet mogelijk alles te onthouden. Dit echter wist hij, dat het bosch algemeen eigendom was en overvloed van geschikt hout opleverde.

„Ziet hier, vrienden !“ riep Dominé Jürges, [ 20 ] beide handen naar hen uitstrekkende, „nu zal dat oude, rondruggige gebouw nog eens knap worden; ziet eens, welke prachtige boomen ik gevonden heb!“

De boeren zeiden eerst: „Goeden dag!“ „God zegene den arbeid!“ „Mooi weer!“ en vele andere dingen, die tot hunne manier om een gesprek in te leiden behoorden, en lieten zich niet uit den koers brengen door dominé's welbespraaktheid. Dominé Jürges, die de boeren in hunne eigenaardigheden meende te kennen, gaf weinig acht op hetgeen ze mompelden, maar praatte door over „zijne“ boomen.

De houthakkers, die juist de hand zouden leggen aan een nieuwen boom, waren op het zien der boeren aarzelend blijven staan, als wachtten ze op iets.

„Nu?“ riep dominé; „hakt maar door, mannen! neemt den eik, dáar bij dien steen; — niet waar? dat is een beste boom, — en juist goed van dikte.“

„Ah, ja! dàar mankeerde het niet aan; de boom was goed genoeg. — Daar was anders,“ meende een der twee mannen — „een plek, verder oostwaarts in het bosch, waar men hout [ 21 ] pleegde te hakken voor de pastorie; als dominé, — hen wilde volgen, dan zouden ze hem wijzen..... — “

„Kom, kom! zij behoefden zich zijnentwege zooveel moeite niet te geven; hij zou wel vinden wat hij noodig had! En hoe dichter bij de pastorie, hoe gemakkelijker voor de gemeente, om het hout te vervoeren. — Boomen waren hier immers — God zij lof! — meer dan genoeg.“

„Ja, dàt was een waar woord, boomen waren hier genoeg“ zei de een; en een oogenblik later sprak de andere het hem na.

De boeren bleven staan, totdat eindelijk de houthakkers, na herhaald bevel van dominé Jürges, den door hem aangewezen boom begonnen om te hakken. Toen sprak een der twee mannen:

„Ja, nu kunnen we wel naar huis gaan, - wij hebben.....“

„Ja, dat kunnen we,“ was de ander van oordeel.

En dominé nam hartelijk afscheid van hen, verzocht hen, hunne vrouwen van hem te groeten, en riep hun achterna: „denkt er nu om, dat het [ 22 ] hout weggehaald wordt, zoo spoedig er sneeuw genoeg is gevallen!“

„Ja, als de sneeuw nog niet is vastgetrapt, is 't de beste tijd om hout te vervoeren“ zei de een.

„Dan is 't wat lichter voor paarden en mannen beiden,“ voegde de ander er bij. En hier mee gingen ze heen.

— En er viel sneeuw — meer dan genoeg zelfs, maar elken dag wachtte dominé Jürges te vergeefs op den langen trein van dampende paarden, die het hout naar de pastorie moesten brengen. Hij zou maar, zoodra de dagen langer werden, beginnen met de schuur inwendig op te knappen.

In den beginne lachte hij om de langzame boeren, die nooit aan den gang schenen te kunnen komen. En als de burgemeester, die de dorpelingen kende, hen uitschold voor de akeligste wezens, die er te vinden waren, verdedigde dominé in alle goedmoedigheid de kinderen zijner gemeente. „Zij hadden wel wat lang werk, maar éens kwam alles toch wel in orde.“

Maar toen de winter ten einde spoedde en de burgemeester dominé op zegevierenden toon vroeg: of het hout reeds uit het bosch was [ 23 ] gehaald? werd het toch àl te erg; daar moest een eind aan komen. En voor de eerste maal, toonde dominé Jürges zich in de kerkeraadsvergadering ontstemd; hij stond op, en na menig bitter woord aan de boeren gericht te hebben over hunne onverdragelijke droomerigheid en langzaamheid, eischte hij op beslisten toon, dat het hout, morgen aan den dag, naar de pastorie zou worden gebracht.

Na eene lange pauze begon een der mannen: "Het is van oudsher gebruik, dat de gemeente twee mannen zendt, die aanwijzen waar er boomen geveld moeten worden, en welke. — En verder staat het zoo — dat ..." —

Dominé viel hem in de rede: "Ja, maar dat is hier de vraag niet; het hout ligt gereed, vlak aan den weg."

"En dat was dus zeker door de twee benoemde mannen tot vellen aangewezen?" — vroeg een zalvende stem — "gij waart er zeker bij — gij, Hans? en hebt den dominé aanwijzing gedaan, — want, gij en Eivind waart er immers voor aangesteld?"

Ja, wij waren er beiden, — ja, dat waren we," zei een der twee mannen, die in het bosch waren geweest.

[ 24 ] Een weinig later bevestigde de ander : „ja, wij waren er — ja! — beiden.“

„En toen hebt gij toch de boomen gemerkt, die dominé moest laten vellen?“ vroeg de zalvende stem.

Dominé viel den sprekers een weinig ongeduldig in de rede: „Daar behoeven wij nu waarlijk niet meer over te spreken; — boomen zijn er in overvloed, en ik liet alles, wat wij voor de reparatie noodig hebben, dáar kappen, vanwaar het hout het gemakkelijkst was weg te halen."

„Maar, — maar, als het u toch niet was aangewezen...?“

„Dat is wel mogelijk: ik ben nog niet geheel op de hoogte van al die kleinigheden, maar me dunkt, het is niet de moeite waard, er zooveel drukte over te maken.“

„Maar,“ — begon er weder een, — „als het nu juist zóo trof, dat de beide aangestelde mannen er bij waren, om dominé aan te wijzen, en dat zij hun boodschap— — —“

„Aanwijzen! — aanwijzen? —“ riep dominé geërgerd, — „geen van beiden heeft een woord over „aanwijzen“ gesproken. Ik sprak eenige [ 25 ] woorden met Hans en Eivind, dat herinner ik me zeer goed; maar zij hebben door blik noch woord te kennen gegeven, dat ik geen boomen mocht vellen naar eigen verkiezing.

„Het is goed — o, —" begon Hans langzaam met bevende stem: — het is goed, dat wij twee getuigen hebben — buiten mijzelven en Eivind.“

„Getuigen! — getuigen? — waarvoor?“ riep dominé Jürges.

„Twee, echte, goede getuigen,“ sprak Eivind.

Allen zaten in gespannen verwachting, en sloegen de oogen neer. Zou de nieuwe dominé het zóo ver willen drijven, om tegen die twee getuigen in, te blijven ontkennen?

Hans vervolgde : „Het staat nu zóo, dat de oude Aslag en zijn zoon, die het hout voor dominé hebben gehakt, beiden bereid zijn er een eed op te doen, dat dominé kort en goed geweigerd heeft ons oostwaarts in het bosch te volgen, tot daar, waar sinds onheugelijke tijden altijd het hout ten dienste der dominé's werd geveld.“

„Dàt deed hij — ja — dàt is zeker en waar,“ sprak Eivind.

„Maar, Heere — God ! — menschen, ik weet [ 26 ] niet, of ik om u lachen of schreien zal. Wilt gij dáarom het hout niet vervoeren? Toen ik de boomen liet vellen, was het mij onbekend, dat Hans en Eivind waren aangesteld om mij de boomen aan te wijzen, die ik zou mogen nemen: ook hebben zij geen woord er over gekikt, dat zij hier voor in het bosch kwamen. En het praatje — ik herinner het me nu — om een weinig meer oostwaarts te gaan, beschouwde ik als eene welwillende raadgeving; dat ik haar niet opvolgde, geschiedde alleen ter wille der gemeente, op wier kosten het hout zou worden vervoerd.“

Iemand, die de boeren niet kende, zou uit de schuinsche blikken, die de leden van den eerwaarden kerkeraad elkander toewierpen, allicht niet hebben begrepen, hoe „jammerlijk“ zij deze uitvlucht vonden. En de zalvende stem mompelde iets van: „Beter vooruit te vragen; dan voorkomt men het kwaad.“

„Er is hier werkelijk geen kwaad geschied,“ sprak dominé scherp - hij kon die zalvende stem niet verdragen.— „Een volgenden keer zal ik met genoegen slechts de door de gemeente aangewezen boomen vellen; maar nu ze [ 27 ] eenmaal geveld zijn en het hout gereed ligt, nu eisch ik, dat het naar de pastorie worde gebracht, — en dat spoedig; op de sneeuw is niet lang meer te rekenen.“

Het werd wederom een tijdlang doodstil. Eindelijk nam een der mannen het woord:

„Het zal er wel om spannen, dat voor de lente invalt, er nog tijd blijft om te hakken.“

„Hakken? weer hakken? — Gij meent toch niet, dat ik opnieuw hout zal laten hakken?“ riep dominé Jürges. Maar toen hij de onbewegelijke gezichten zag, verloor hij zijn geduld.

„Gij zijt toch recht — hm, — vreemde menschen! — Een geringe zonde, door mij tegen den vorm begaan, wordt door ulieden gebruikt, om twist te zoeken en tweedracht te zaaien. Is dàt goed gehandeld tegenover uw' predikant? Is dat christelijk tegenover een broeder? — Wat zou het gevolg zijn, indien wij zoo met elkander in het gericht traden, — of erger nog, indien God ons onze zonden op zulk eene wijze wilde toerekenen?“

De spanning op de gezichten ging over in eene ernstige kerksche uitdrukking: zij [ 28 ] verwachtten eene preek en eene berisping, zooals ze dit gewoon waren.

Zoodra de predikant ophield met spreken, begonnen de boeren toebereidselen te maken om heen te gaan; en dominé, die meende te zien, dat zij zich schaamden, vroeg ernstig, maar op gemoedelijken toon:

„Kom, laat me nu hooren, wanneer gij het hout zult laten vervoeren; gij weet allen, waar het ligt; het is immers maar een beetje.“

„Och, neen, zoo bijzonder véel is het niet,“ meende er een.

„Neen, wat de hoeveelheid betrof, dàÀr behoefde men niet eens over te spreken,“ oordeelde een ander.

Een derde verzekerde, dat hij gemakkelijk den heelen boel in één dag met zijn eigen paarden zou kunnen weghalen, — meer was er niet.

„Wel neen; dus behoeven we niet langer over de zaak te praten. Maandag begint gijlieden het hout te halen; en ik denk,“ voegde dominé Jürges er lachende bij, „ik denk, dat de eerste die ik zie, Knud zelf zal zijn.“

Dat was de man met de zalvende stem; maar [ 29 ] deze wendde zijn hoofd een weinig om, en antwoordde stijf en koel:

„Ik twijfel er aan, of er éen man in de gemeente zal gevonden worden, die zich medeplichtig wil maken aan iets onwettigs, zelfs al gaat dominé vóor.„

En allen stemden met deze woorden in — dat was duidelijk te zien. Nu werd de predikant in allen ernst boos, en de vergadering eindigde in een soort van donderbui; de predikant verwijderde zich ziedend van drift, zonder iemand goeden dag te zeggen.

De burgemeester lachte, toen hij hoorde wat er was voorgevallen; hij lachte hartelijk, en wreef zich in de handen. „Zijn u nú eindelijk de oogen geopend, dominé? Ziet gij nu, dat deze ellendelingen aan de kleinste kleinigheid blijven hangen, als ze daardoor twist kunnen zoeken, of aanleiding om te ontkomen aan hunne verplichtingen? Neen, neen! dominé Jürges! de boeren hier, zijn andere kerels dan de arme visschers in het Noorden; hier zijn de duivels, geloof me, loozer dan dominé en de bisschop beiden, — om nu niet te spreken van den burgervader — dien stakker."

[ 30 ] En in de gemeente werd over niets anders gesproken dan over deze kerkeraadsvergadering, — de eerste onder presidium van dominé Jürges. "Grandalen was een best beroep; er werden slechts zulke predikanten beroepen, die rust hadden verdiend, en eenige vette jaren, na tal van magere. Het waren altijd ervaren mannen, die tot nu toe aan het hoofd der gemeente hadden gestaan.“

„Maar „deze nieuwe“ was niet begonnen zoo 't behoorde.

„Ieder kind — of althans ieder volwassene — wist, hoe gevaarlijk het is, op onwettige wijs boomen te vellen, en hoevelen in onaangename omstandigheden gewikkeld werden voor zaken, van nog minder gewicht. Moest dan dominé, die zooveel had gelezen, en zelf zooveel boeken bezat, nog niet beter dan zij allen van die dingen op de hoogte zijn? En als hij handelde in strijd met de duidelijke woorden der wet, dan kwam dit, omdat hij, evenals de oude Basse, meende een paus te wezen.“

Zij konden het maar niet éens worden over de meening, die er moest schuilen in dominé's woorden: „dat hij het hout zoo dicht bij de [ 31 ] pastorie had laten vellen, om het der gemeente gemakkelijk te maken." Dat er iets "achter stak" was buiten kijf. De oude Basse had nooit zóo iets gezegd, en de oude Basse was toch ook niet dom. Het zekerste en verstandigste was dus, zich strikt aan de woorden der wet te houden.

Het kwam niet in hen op te denken, dat dominé ook op andere wijze minder prettige gevolgen van zijne handelwijs kon ondervinden; dat een predikant zou kunnen worden vervolgd, wegens het op onwettige wijze vellen van boomen — 't was te belachelijk om er bij stil te staan.

De armen! zij hadden zoo dikwijls de wet, als met blindheid geslagen, personen en zaken zien voorbijgaan, die, naar een gewoon menschenverstand, door een ieder moesten worden gezien, terwijl zij, integendeel, zich met al haar afschuwelijke haken vastklemde als aan schuldigen en boozen, waar niemand eenig spoor van misdrijf kon ontdekken.

Ook kenden ze tamelijk goed de advocaten, die steeds in elkanders gezelschap aankwamen, in overleg met elkaar handelden en toch den ganschen voormiddag comedie speelden met [ 32 ] verhooren, verdedigen, en wat er meer bij te pas kwam. Als dezen 't met elkander eens waren, konden ze alles, wat ze wilden, wegpraten, of uit de woorden der getuigen halen, wat ze verkozen.

Neen — neen! slechts éen ding was veilig, namelijk om — zelfs niet met het uiterste topje van éen vinger — iets aan te raken waarin eene onwettigheid school; — en zelfs dàt was nog niet altijd veilig.

Daarom waren zij allen onwrikbaar overtuigd, dat het goed was niet toe te geven; zij kenden de rechters, en wisten, dat toegeven het slechtste was wat zij konden doen.

En de burgemeester sprak tot den predikant: "Eén ding zeg ik u, geef nooit toe. Merkt men het geringste spoor van zwa — — "

„Wees gerust; ik zal niet zwak zijn," was het antwoord.

Hij kende de boeren, en wist, dat toegeven het slechtste was, wat hij kon doen.

Dit ongelukkige begin had de verhouding, waarin de predikant en de gemeente voortaan tot elkander zouden staan, bepaald, ofschoon de zaak zelve langzamerhand in het vergeetboek geraakte.

[ 33 ] De predikant had bij zich zelven gezworen en aan ieder, die het hooren wilde, verteld, dat hij liever het hout in het bosch liet verrotten en de schuur zag instorten, dan dat hij zich zou buigen voor „dien boerentrots“ en boomen vellen naar hunne aanwijzing.

En de gemeente antwoordde zachtmoedig, dat de twee mannen steeds ten dienste bleven van dominé, onverschillig op welken dag en op welk uur dominé dit wenschte; — maar de hand leenen tot iets onwettigs, — neen, dat wilde men niet.

Naar het uiterlijke bleef de verhouding vriendschappelijk. De boeren behandelden den predikant en zijne familie zeer beleefd — zooals de gewoonte is. Zij wisten nu wat er in hem stak, en waren blij, zoolang hij hier van zoo weinig mogelijk liet blijken.